terug  begin  verderprepost
[p. 278]

Een en twintigste hoofdstuk.

‘Er is tweemaal een dame voor u hier geweest,’ zei de concierge, terwijl ze Elisabeth een groote doos van Panatelli overreikte, die in haar afwezigheid bezorgd was.

‘Nog geen half uur geleden is ze voor de laatste maal weggegaan.’

‘Iemand die hier wel meer komt?’

‘Ik meen van niet, madame.’

‘Heeft ze geen naam gezegd?’

‘Neen, madame.’

Puck haalde haar schouders op terwijl ze, met de kartonnen doos onder haar arm, de trappen naar haar appartement opging. Wie kon dat zijn? Wie haar spreken wilde vervoegde zich aan de ateliers van Panatelli, de weinige kennissen, die zij in Parijs bezat, wisten, dat ze haar daar tot na het sluitingsuur konden vinden.

Terwijl ze de deur van haar woning in het slot liet vallen zag ze, dat er een briefkaart van Han in de bus lag. Eindelijk zond hij bericht uit Algiers. Een kaart, volgekrabbeld met een komisch verhaal over de hitte, de vliegen en de vieze luchtjes in het oude schilderachtige stadsdeel. Er kwam een diepe rimpel tusschen Puck's trieste oogen. De dag nà Corry's vertrek had Han's directie hem plotseling met een dringende opdracht naar Algiers gezonden. Zoo snel was alles gegaan,

[p. 279]

dat hij zijn koffer had gepakt en was vertrokken in haar afwezigheid. Hoeveel waarheid bevatte zijn haastige afscheidsbriefje, dat zij 's avonds bij haar thuiskomst op de tafel had gevonden? Zou hij niet hebben gevráágd om naar Algiers te gaan? Voelde hij niet net als zij, dat een samenleven zonder het bijzijn van Corry ondragelijk zou zijn geworden, nu zij alles wist?

Hoe ‘gewoon’ schreef hij. Hoe welvertrouwd was het wat stijve handschrift en de telegramstijl waarin hij zijn mededeelingen vervatte. Zoo schreef een man toch niet wanneer hij samen met - Och, ze wou er zich niet in verdiepen, zich niet telkens weer afvragen of Lily daarginds bij hem zou zijn. ‘Grusz und Kusz’, stond er aan het eind. Had hij dat vroeger ooit geschreven? Had hij dan niet altijd een liefkoozend woord ingevoegd, of een grapje, dat alleen voor hen beiden begrijpelijk was?

Met een moe gebaar schoof Puck de briefkaart opzij en opende de rood-met-goud-gestreepte doos, waarover met dikke arrogant-moderne zwarte letters het woord ‘Panatelli’ was geschreven. Tusschen veel wit vloei lag het nieuwe toilet, dat naar een van des meesters laatste scheppingen voor haar gemaakt was. Zwaar groen crêpe, langs de wijde rokzoom met een rand van zilver geborduurd. Een kort manteltje van diepgroen fluweel met zeer wijde mouwen, die met breed zilverlicht vossenbont waren omzoomd. Ze had nooit zoo iets moois en kostbaars bezeten. Wanneer iemand haar een jaar geleden had voorspeld, dat ze zooveel voor een japon zou willen besteden - Kitty had gelijk gehad: aan mooie kleeren raakte je verslaafd als aan drank of aan nicotine. Waarom zou ze het zich niet permitteeren? Ze verdiende geld te over. Vroeger, toen ze pas bij Panatelli was, had Han duidelijk getoond, dat hij haar liever in een goed-

[p. 280]

koop confectie pakje zag dan in de luxueuse creaties van het modehuis waar ze haar ‘baantje’ had. Maar hoelang was het geleden, dat hij zich bekommerde om iets dat zij droeg? Hij zag het immers allang niet meer. Wanneer hij tegenover haar zat, al praatten ze samen, al scheen alles kameraadschappelijk en gewoon, stond voor zijn oogen het beeld van een andere - -

Zou ze de japon even passen? Waarom niet, al zou het een eenzame verheuging zijn. Het witte vloei ritselde over de grond en in enkele tellen had ze zich van haar daagsche kleeren ontdaan. En dan trokken alle zorgen en problemen voor een oogenblik weg - voor de spiegel, tusschen het helle licht van de lusters stond ze in gebannen, ademlooze bewondering. Ze had nooit kunnen denken dat het zóó mooi zou worden! Zoo had ze er nog nooit uit gezien. Zoo iets kostelijks en smaakvols kon alleen Panatelli bedenken! De volgende week gaf hij een groot tuinfeest in zijn villa in Meudon. Ze had hem moeten beloven, dat ze komen zou en het daar zou dragen. ‘Monsieur et madame Van Doeveren’ stond op de invitatiekaart, maar bij het eischen van haar belofte had hij ‘monsieur’ niet genoemd.

Hoorde ze goed? Ging de schel van haar appartement daar over? Hoe ongelegen! Misschien de bezoekster van vanmiddag, die het niet op wou geven? Kitty kon het niet zijn, die was door een vriend genoodigd voor een autotocht naar ‘Le Grand Cerf’. Weer rinkelde de schel en terwijl zij nog onwillig draalde, hoorde ze het geluid al voor de derde maal. In het feestelijk kleed, waarvan de kleine sleep ritselde over het verschoten tapijt ging ze naar de voordeur. ‘Qui est là?’ Eerst verstond ze geen antwoord. Dan lispelde een zachte, gebroken stem: ‘Ik ben het - Lily. Wil je me alsjeblieft binnenlaten, Puck? Ik ben vanmiddag drie-

[p. 281]

maal vergeefs hier geweest, ik moet je zoo dringend spreken.’

 

Ze had Lily een plaats op de kleine smalle sofa in de salon gewezen en zette zichzelf op een der fauteuiltjes. Volslagen beroofd van alle zelfbeheersching voelde ze zich, beschaamd, verlegen, als iemand, die op een onwelvoeglijkheid betrapt is. Want hoe vloekte haar pronkende feestelijke japon met de wrange ernst van het oogenblik! Met een bleek, schuw-vertrokken gezichtje had Lily tegenover haar in de kleine hall gestaan, toonloos excuses stamelend en dadelijk was ze begonnen te schreien. Maar nu ze op de sofa zat, nog aldoor bang en zwijgend, bemerkte Puck, hoe ze door het zakdoekje voor haar oogen gluurde, verwonderd en nieuwsgierig. En voor het eerst sinds ze Lily kende, zag ze haar niet meer als het zielige, een beetje domme en levensonpractische vrouwtje, maar opeens voelde ze haar als een gevaarlijke vijand, die met onberekenbare wapens streed.

Een paar maal probeerde Lily te spreken maar telkens stokten haar woorden in tranen. Zwijgend stond Puck op en haalde een glas water. Vreemd groot en statig voelde ze zich in het groene kleed door de kamer gaan, in de spiegel zag ze haar gezicht kalm en afwachtendrustig als van een dokter, die zal luisteren naar de biecht van een patiënt. Maar ze verduwde een radelooze angst achter die schijn van strakke beheersching.

Lily slikte, hief een betraand gezichtje en trachtte Puck in het gezicht te zien. ‘We hebben dit niet gewild - het zelf niet voorzien -’ begon ze plotseling met een nadruk, die bijna pathetisch klonk.

Het trok schamper langs Puck's vastgesloten lippen. Voor haar geest stond onmiddellijk, in een koud scherp

[p. 282]

licht, de laatste avond op de boot en het afscheid van Han en Lily. En terwijl ze de plooien van het groene crëpe op haar over elkaar geslagen knieën schikte, zei ze luchtig: ‘Misschien heb ik het nog eerder voorzien dan jullie beiden.’

Lily's bleeke gezichtje kleurde donkerrood, weer bracht ze met vingers die trilden, het kleine zakdoekje naar haar oogen. ‘Hoe kan iemand, die bij alles huilt, zulke prullen van zakdoeken gebruiken,’ dacht Puck met een fel opbrandende verachting.

‘Jij bent ook zoo wijs en verstandig,’ begon Lily snel alsof er een kans viel te benutten. ‘Zoo sterk en energiek ben jij. Je zult wel nooit behoefte hebben aan raad of bescherming. En ik ben maar een zwakke domme vrouw - Maar ik hou van hem. O, Puck, ik hou zoo verschrikkelijk veel van hem. Ik kan niet meer zonder hem leven - En hij - hij kan niet meer buiten mij en de kinderen. Ik voel in àl zijn brieven, hoe hij naar ons verlangt -’

Al zijn brieven. Op het ronde tafeltje, vlak voor de sofa waarop Lily zat, lag zijn kaart uit Algiers, met het praatje-in-telegramstijl over de muskieten en de hitte en het ‘Grusz und Kusz’ aan het eind. Puck's denken trok zich plotseling op die briefkaart samen, alsof die daar als iets gevaarlijks en als een onweerlegbaar getuigenstuk tusschen hen beiden lag, roekeloos open voor Lily's oogen. Voorzichtig schoof ze haar hand over het stukje carton, trok het naar zich toe, kneep het ineen en verborg het diep in de palm van haar hand.

Maar Lily staarde strak op de in haar schoot ineenvouwen handen, haar vingers openden en sloten zich nerveus. ‘Begrijp je waarom ik hier gekomen ben?’ vroeg ze hakkelig. ‘Wat ik je vragen wil? Ik weet zelf

[p. 283]

niet waar ik de moed vandaan haal, maar ik voel dat het moet - ik móét het je vragen omdat hij het nooit zal willen doen. Hij heeft zulke strenge begrippen van trouw en loyaliteit. Hij zal wachten tot jijzelf hem zijn vrijheid geeft. O, Puck, die zùl je hem geven, nietwaar, nu je weet hoe ongelukkig hij is, hoe hij het zoo naar mij verlangt als ik naar hem... omdat wij niet meer kùnnen zonder elkaar.’

In de palm van haar gesloten hand hield Puck de briefkaart. Een scherpe kant van het carton drong als een naald in haar vleesch, het scheen een dreigend teeken -

Maar ze zei ijzig kalm: ‘Ik geloof je niet. Wat hij voor jou voelt is verliefdheid, een roes van zijn zinnen, zooals iedere man wel eens -’

Maar nu vond Lily een stroom van dwingende overtuigende woorden, opeens was ze niet schuw en deemoedig meer.

‘Wat hij bij mij gevonden heeft - is hij al die jaren bij jou tekort gekomen. Dat weet je misschien niet eens, daarvan heb je je misschien nooit rekenschap gegeven. Gelukkig is hij met jou nooit geweest, want hij heeft altijd verlangd naar een gezin, naar kinderen, naar een huiselijk geluk, dat jij misschien banaal en alledaagsch noemt. Wanneer je ècht van hem hield, zou je niets anders verlangen dan voor hem te leven en de moeder van zijn kinderen te zijn.’

Een koude hevige woede groeide over Puck's beheersching. Maar ze beet haar tanden opeen, ze wou zich niet laten gaan, niet argumenteeren, zich met geen enkel woord verdedigen. Hoe slim, hoe echt geraffineerd had Lily haar vrouwelijke zwakheid en lieve moederlijkheid uitgebuit! Hoe had ze er den man mee in zijn zwakke plek geraakt en toen hem ingesponnen tot hij niet meer loskwam.

[p. 284]

‘Ik begrijp niet waarom je mij dat alles komt vertellen,’ zei ze hooghartig. ‘En nog minder wat je mij te vragen hebt. Ik laat hem toch volkomen vrij? Ik leg jullie niets in de weg. En jullie hoeft geen gewetenswroeging te hebben, dat je mij bedriegt want ik weet alles. Zoo gauw hij vail zijn reis terug is kan hij weer tweemaal, driemaal - voor mijn part alle dagen van de week met je samen zijn.’

Opnieuw vloog een felle blos in Lily's bleeke verbuilde gezichtje. ‘Maar dat is het juist, begrijp je dat dan niet! Juist sinds we elkaar zoo veel zien is het zoo verschrikkelijk moeilijk geworden. Hij houdt zooveel van mij - hij verlangt zoo. - We kunnen het niet langer zoo -’

Zij kwam niet verder. Want Puck was opgesprongen en boog zich over haar heen, haar handen, wit en smal uit de breede manchetten van zilvergrijs bont grepen de armen van het vrouwtje, haar oogen, donker en heet van boosheid zochten Lily's blik, die schuw achter de zware trillende wimpers schuilging.

‘Wou je daarmee zeggen, dat je hem al die tijd - maanden lang - naar je toe hebt gehaald? Dat je vlak in zijn buurt bent komen wonen, hem altijd weer gevraagd hebt om bij je te komen en je te helpen. Dat je hem gelokt hebt in dat huiselijke leven waaraan hij volgens jou zoo'n behoefte heeft... en alles hebt toegestaan... maar niet... niet jezelf hebt gegeven! O! Dàt is van oudsher de slimste vrouwentruc geweest om een man aan de haak te slaan! “Tout, mais pas ça.” Nou begrijp ik het allemaal! Op die manier wil je hem dwingen van mij te scheiden en met je te trouwen. En nu hij niet gauw genoeg besluiten wil, kom je hier om mij te overtuigen, dat hij zoo verschrikkelijk ongelukkig is en ik hem vrij moet laten.’

[p. 285]

‘Laat me los,’ dwong Lily heesch. Ze wreef de roode striemen langs haar polsen. Haar gezichtje stond niet bang en ongelukkig meer, er lag een koude strakke ernst op die het vreemd oud en wonderlijk anders maakte. Voor het eerst gaf Puck zich rekenschap, dat Lily ouder moest zijn dan zij zelve.

‘Er waren menschen op de boot,’ zei Lily na een lange dreigende stilte, ‘die mij vertelden, dat jij een van die moderne vrouwen zonder moraal was en er voor je huwelijk heel wat op je te zeggen was geweest. Ik heb het toen niet willen gelooven, ik was overtuigd, dat Han je dan zeker niet zou hebben getrouwd. Maar nu weet ik allang, dat hij je heel anders ziet dan je werkelijk bent. Want híj heeft hooge idealen van liefde en huwelijk.’ Puck was van Lily weggetreden en stond tegen de muur geleund, groot en rechtop in het slanke pronkende kleed met gekruiste armen en een koud trotsch gezicht.

‘Je vrienden op de boot hadden gelijk, Lily. Die moraal waar jij zoo trotsch op bent bezit ik niet - goddank niet. Dat “soort moderne vrouwen”, waartoe ikhoor kan dat niet - een man naar zich toehalen, maanden lang, hem gek maken van verlangen en dan netjes de streep trekken, tot hier toe en niet verder, als je meer wilt moet je me trouwen. Och, nu bloos je! Je preutsche ooren kunnen het niet verdragen! Maar je bent hier gekomen en je zult naar me moeten luisteren. Ik kan gelooven in een hartstocht, die menschen meesleept, die hun radeloos maakt en tot dolle onverantwoordelijke daden drijft en ik weet ook, dat er, waar het liefde geldt, trotsche beheerschte naturen zijn die alles willen of niets. Maar dit - deze moraal, die zich op zwakheid beroept en dit ideaal, dat zoo goed weet te berekenen, groote god, wat heb ik daar een verschrikkelijke minachting

[p. 286]

voor! En hoe hopeloos naïef en onervaren moet een man zijn wanneer hij daar dupe van is. Ik begrijp nu precies wat je van me wilt, waarvan je mij wilt overtuigen. Maar ik weet zoo een en ander van het leven af. Wanneer jij van Han houdt, zooveel als je beweert - gééf hem dan het geluk waarnaar hij zoo verlangt, geef jezelf. En wanneer hij dan, na een jaar, als de roes van zijn zinnen voorbij is, nòg wil scheiden van mij om met jou te trouwen, dan zal ik hem zijn vrijheid geven en jullie geen dag meer in de weg staan.’

Lily zat ineengedoken, zielig, hulpeloos. Haar kleine gezicht, onder het witte haar, scheen plotseling het gezicht van een oude vrouw. ‘Dat kan ik niet,’ zei ze toonloos. ‘Ik ben arm en sta alleen op de wereld. Mijn goede naam is mijn eenig bezit.’

Klonk het niet als een zin uit een melodrama? Schamper voltooide Puck: ‘Dat je daarom zoo goed mogelijk tracht te verkoopen.’ Maar nu vloog de ander op, als gestoken. ‘O, als hij je dàt hoorde zeggen! Hij heeft zoo'n eerbied voor je, hij denkt, dat je zoover boven hem staat omdat je zoo knap bent en zooveel energie hebt. Hij heeft nooit begrepen hoe ie eigenlijk bent!’

‘Dan zul jij het je taak vinden om hem er over in te lichten.’

Lily knoopte met bevende vingers haar mantel dicht, ze greep haar taschje uit de sofahoek en propte er het kleine doorweekte zakdoekje in.

‘Ja, dat zal ik!’ beloofde ze hartstochtelijk. ‘Ik heb nog nooit een woord in je nadeel gezegd, al wist ik van het begin af aan dat je hem niet waard bent. Maar nu - alles wat nu gebeuren zal is je eigen schuld.’

Bijna blind van emotie, struikelend over haar te

[p. 287]

haastige voeten vloog ze de kamer uit, de hall door, naar de voordeur.

Maar toen werd het een zielig, belachelijk-pijnlijk oogenblik, want ze stond te tobben met het slot en kon het niet open krijgen. Totdat Puck haar te hulp kwam, een knip verschoof en de deur losmaakte. Lily's heesche ‘Dank-je’, klonk bijna komisch.

Met haar rug tegen die deur bleef Elisabeth staan, zij leunde er tegen met al haar kracht alsof ze zoo iets weg kon houden, dat van buitenaf op haar toe drong. En eindelijk zei ze, in de stilte van de kleine ruimte en het harde licht, luidop alsof ze antwoord op een vraag gaf: ‘Het is uit.’

 

Het was uit. Er bleef geen zich-wijs-maken meer over. Of ze nu of over een jaar van Han zou scheiden was een kwestie van formaliteit. Met hem samen blijven, nu ze wist, dat alleen plichtsbesef, loyaliteit hem weerhield - ze zou het geen dag meer kunnen. Want ze moest nu wel begrijpen dat tusschen hen geen tijdelijke verwijdering was, geen tijdelijk verdriet, dat ze moedig en verstandig kon dragen in de overtuiging, dat geduld en resignatie de genezmg zou brengen. Han's gevoel voor Lily was niet slechts een vlaag zooals ze gemeend had, een roes, die in eigen gloed uitbrandt. Ze had Lily onderschat. Bestond er gevaarlijker macht dan van een vrouw met koele beheerschte zinnen over een man, die verliefd was? Lily had hem gelokt en hield hem gevangen met alles wat hij in zijn huwelijk gewenscht en niet gevonden had. Lily was het ouderwetsche ideaal, de vrouw, die niets verlangt dan zich te wijden aan haar man en de moeder van zijn kinderen te zijn. Puck had immers menigmaal tot zichzelf gezegd: zoo eene als Lily had hij moeten trouwen. - Want een vrouw als zij

[p. 288]

zelf, die midden in het leven stond, die aan werk en onafhankelijkheid gewend was, kòn zich daarmee niet meer tevreden geven.

In een modern huwelijk moest een ander ideaal voor dat oude conventioneele staan: wederzijdsche vrijheid, eerbiediging van elkaars persoonlijkheid. Hoe goed was het geweest, ondanks haar ziekte, ondanks de sinistre voorspellingen van familie en vrienden. En hoe stellig had ze geloofd dat tusschen hen beiden in die jaren iets gegroeid was, dat niet kapot en verloren kon gaan En toch in enkele maanden...

De villa Serbelloni - scherp omlijnd vormde zich weer het beeld in Puck's herinnering als in de lenzen van een kijker. De ochtendzon over het balcon, de ijle najaarsnevels over het meet. En het weten, vast en dreigend als een profetie: het is aan mij dit gaaf te bewaren, als het mis gaat, is het mijn schuld.

Zij had haar leven gericht naar eigen aanleg en verlangen. Zij hoorde nu eenmaal niet tot de vrouwen voor wie liefde zelfverloochening en onderwerping is. Henriëtte Roland Hoist had zoo prachtig gezegd: geen vrouw kan kruik en beker tegelijk zijn. En trotsch en zelfbewust had zij altijd geweten: Tot de schenkers hoor ik, niet tot hen die deemoedig wachten om te ontvangen. Maar het leven hield onverbiddelijke wetten, waaraan geen ontkwam. Zij had ze willen trotseeren als zooveel vrouwen, die zich vrij en zelfstandig hadden gemaakt, die met den man mee op gingen in het groote rijk van de geest. Kwam er misschien voor elk van haar een oogenblik, dat het instinct het oppermachtig van alle wijsheid won? Op het kleine bovenhuis in Amsterdam had ze Elly's jongetje in haar armen gehouden. Toen had er iets aan haar hart geklopt, zoo dringend, dat ze had moeten luisteren. En diezelfden avond, toen ze met

[p. 289]

haar man door de al verlaten straten van Leiden liep; had hij gevraagd waarom ze zoo stil en verstrooid was. Waarom was ze toen niet eerlijk geweest? Omdat haar verstand ook toen paraat stond en angstig vrijheid en zelfstandigheid bewaakte.

Wanneer zij een kind bezat - wanneer er nu een kind zou zijn van Han en haar, o, dan was hij nooit weggegaan naar een ander, dan had Lily's macht niet zoover gereikt. Maar moederschap beteekende gebondenheid, gemis van vrijheid, een voortdurend onafgebroken zorgen. Met het werk, dat zij gevonden had was het niet te vereenigen. En hoe een verrijking had dat werk haar gebracht. Haar geest was er in het laatste jaar weer gezond door geworden, ze had er haar levenslust mee herwonnen. Door dat werk kende ze weer de voldoening naar aard en aanleg te leven - ze zou het niet meer willen missen.

Maar aard en aanleg was immers ook dat andere. Hoe had ze het geweten, met Elly's kind in haar armen. En toch had ze de vervulling, een gezin met kinderen, naar een verre toekomst verschoven, al wist ze, dat ze Han een groot geluk onthield. Met die sterke wil, dat inzicht en die wijsheid van haar, had ze haar leven gericht zooals ze het wenschte. Hoe had haar neef Vegeer het plagend gezegd? Ze had het grootste stuk van Eva's appel voor zichzelf gereserveerd. En hij had er bij gevoegd: ‘Ik hoop over een paar jaren van je te hooren, wat je ermee gedaan hebt.’

Als hij haar nu kon zien, die oude vriend met zijn grimmige onopgesmukte levenswijsheidj zooals ze hier stond, in haar kostbaar feestkleed, als het tastbaar resultaat van wat ze met haar verstand en geestkracht had bereikt - maar tegelijk verslagen en vernederd, met het deficit van haar leven onder de oogen. En in

[p. 290]

haar herinnering klonk het zinnetje waarmee hij die laatste avond een domper op haar overmoed en zelfvertrouwen had gezet: ‘Het gaat niet om de vruchten van de boom der kennis - om karakter gaat het en meest van al - om hart.’

Puck rechtte haar rug en trad weg van de deur waartegen ze nog altijd leunde. Ze liep door de hall met zware loome stappen. De verlaten kamer scheen onwezenlijk als een tooneel in een entre-acte. Op de grond voor de kleine tafel lag, in een prop gewrongen, de briefkaart, die ze voor Lily's oogen had willen verbergen. Terwijl ze haar opraapte en in snippers scheurde, dacht ze: ‘Er bestaat geen noodlot. Het is lafheid om eigen lotsbestemming te ontkennen. Elk mensch heeft een vrije wil - elk mensch kiest zijn eigen weg op een kruis-punt. Maar wij hebben verleerd om goed te luisteren voor wij kiezen en wij durven niet meer vertrouwen op dat verborgen inzicht, dat intuïtie heet.’ En zij herin-nerde zich weer de laatste avond op de boot, toen ze gekeken had naar het afscheid van Han en Lily en de kinderen. Toen had ze op een kruispunt gestaan en in haar diepste hart geweten, dat het de verkeerde weg was, die ze insloeg.

prepostterug  begin  verder