terug  begin  verderprepost
[p. 291]

Twee en twintigste hoofdstuk.

Lord Colmart, de twee en zeventigjarige directeur van het Colmart-Mijnen-Syndicaat, op twee na de rijkste man van Groot Britannië, drentelde zonder te kloppen de passalon binnen, waar zijn schoone jonge vrouw in een pastelblauwe tullen baljapon, die bezaaid was met kleine zijden rozeknoppen, verrukt en opgewonden tusschen de drie reusachtige spiegels heen en weer liep. Hij schond de wetten van het Huis Panatelli, naar madarne Clothilde hem daareven nog nadrukkelijk had verzekerd, want de passalons waren het uitsluitend domein der dames. Doch de oude machthebber was dadelijk onrustig geworden toen zijn vrouw achter de wit met gouden deur verdween en de vendeuses en mannequins wisten wel dat hij, als demeeste mannen, verschrikkelijk jaloersch en achterdochtig werd zoodra de groote Panatelli in eigen persoon zijn zorg en toezicht aan het passen gaf.

Lady Colmart had twee weken geleden nog elke avond op Leicester Square gestaan en kranten verkocht aan de heeren en dames van de Society; de oude Lord had haar in alle stilte met een ‘special licence’ getrouwd en met zijn eigen jacht naar Calais en vandaar met zijn eigen Rolls Royce naar Parijs gebracht. En van zijn suite in het Plaza Athénée dirigeerde hij haar de volgende morgen naar het Huis Panatelli, met de opdracht voor

[p. 292]

een volledige trousseau, die haar stand en schoonheid in alle opzichten moest waardig zijn.

Het gaf bij Panatelli een ongelooflijke drukte, want alle kranten brachten artikelen over het opzienbarend hu-welijk, met verbazingwekkende details over de kleeren, de juweelen, de parfums en het onschuldig verleden van de bruid. In de zalen van de Présentation verdrongen zich de klanten om een glimp van het wonderlijk paar te zien of de vendeuses uit te hooren en het heele Huis genoot de spannende roman en zoemde van belangstelling en nieuwsgierigheid.

Puck nam een stapel nerz vellen van de sofa om plaats te maken voor den ouden heer; hij bedankte met een grom en zocht moeilijk een houding voor zijn stijve been. Ze zag hoe valsch zijn ontstoken oogen keken en speurden, hoe hij van boosheid trilde terwijl de handen van den modekoning plooiden en wijzigden aan het corsage van de kostbare avondjapon, die de jonge vrouw met eindeloos geduld en kinderlijke verrukking paste.

Panatelli bleek zeer geïnspireerd door de bizondere blanke schoonheid van de nieuwe Lady Colmart, hij had een reeks schitterende toiletten voor haar ontworpen en, zooals hij het bloemrijk uitdrukte, zij ontlook onder het werk van zijn handen, zooals een rozeknop zich losplooit uit haar kelk.

Eigenhandig legde hij een kleine coquette cape van hermelijn, zacht als een sneeuwveld, over het blauwe tullen gewaad, zij keek naar haar beeld met een heete verslonden verrukking terwijl ze glimlachend en met zichzelve coquetteerend tusschen de groote spiegels draaide. En de oude man op de sofa keek naar haar, met diezelfde verslonden gretigheid, met hetzelfde triomfante genot-van-bezit.

[p. 293]

‘Isn't that a beauty?’ vroeg ze, zich naar hem toewendend, paradeerend vlak voor zijn bijziende, ontstoken oogen. Hij greep haar hand en trok haar dicht naar zich toe, zoo dicht dat hij haar donzige wang met zijn smalle harde lippen raken kon. ‘You can have it’ fluisterde hij heet. ‘Je kunt alles hebben wat je wilt, als je maar lief voor me bent.’ Ze lachte naar hem terwijl ze wegweek, een lach van kuiltjes en groefjes om een roode gewelfde kindermond. Maar haar oogen stonden hard als saffieren. Ze kon niet ouder dan twintig zijn, maar in haar oogen lag de koude wijsheid van een vrouw, die door alle ontgoochelingen van het leven is gegaan.

‘Had ik dit vroeger komisch gevonden?’ vroeg Puck zich af terwijl ze toekeek hoe Panatelli de hooge bontkraag opzette tegen de blanke prachtig gevormde hals. ‘Een oude man met een groote naam, die zijn waardigheid te grabbel gooit en denkt, dat het bezit van een mooi jong lichaam liefde en geluk beduidt... Dat kind met haar koude harde oogen zal wel zorgen dat de winst van de transactie aan haar kant blijft. Vrouwen verkoopen haar “eer” om geborgen en veilig te zijn, het schijnt, dat ze daar gemakkelijker toe besluiten dan tot de keuze van een nieuwe avondmantel. En mannen vergooien hun waardigheid, hun zelfrespect, hun rust, voor het bezit - het alleenige jaloersche bezit, van de vrouw op wie ze verliefd zijn. Jaloezie is een instinct, elementair als de drang om te leven en de vrees voor de dood. Liefde en jaloezie vullen elkaar aan als licht en duister.’

Het gelukte Puck niet meer om haar gedachten te dwingen. Een hel waren haar slapelooze nachten en zelfs hier, in de zenuwachtige opgeschroefde drukte van het bedrijf, stonden aldoor kwellende beelden op de achter-

[p. 294]

grond bij alles wat ze zei of deed. Han met zijn sterk, warm temperament en Lily de bleeke koele hortensia. God, hoe kòn Lily - terwijl ze zei zielsveel van hem te houden. Och, ze hadden het immers door de eeuwen heen geweten, de zwakke onderworpen vrouwen, dat dáár en daar alleen hun macht over de mannen lag - -

Achter de groote paravent ontdeden de essayeuses Lady Colmart van haar baljapon en hielpen haar in een pyama van rood satijn met zwaar goud Chineesch borduursel. Het duurde lang en Puck zag hoe het oude hoofd van de Lord van moeheid, warmte en verveling dommelig voorover zakte. Hij bemerkte het niet toen zijn bruid eindelijk, triomfant en bekoorlijker dan ooit, weer tusschen de spiegels trad. Maar Panatelli benutte het oogenblik, hij trad dicht voor de jonge vrouw en toonde haar ijverig aan mouwen en breede ceintuur de details van het kostbaar handwerk; zijn glimlach lokte, zijn donkere verleidersoogen speelden hun spel. En die van het jonge mooie kind stonden opeens niet langer koud en hard maar groot, wijd en geboeid zagen ze in de zijne. Haar roode zinnelijke mond sprong open - -

Zoo ging het spel van lokken en veroveren door heel de wereld. Sex-appeal - zoo had Puck eenmaal Lily naar Han zien kijken, die laatste avond op de boot, onder het licht van de booglamp op het achterdek. En weer sloopen visioenen als spooksels nader, namen bezit van haar geest voor ze het zich bewust werd. Beelden van Lily en Han - Lily, klein teer en aanhalig in Han's armen. En Han's hunkerende handen om Lily's fijne zwaarmoedige gezichtje - -

De oude heer op de sofa opende plotseling zijn oogen en zijn hoofd hief zich met een booze ruk.

[p. 295]

‘It's enough,’ viel hij woedend uit; ‘vooruit - maak er een eind aan!’ De glimlach verstarde op het mooie gelaat van de jonge vrouw, zij schrok en kromp als een dier bij een onverwachte slag. Panatelli was reeds terzij getreden, hoffelijk en correct boog hij ten afscheid, glimlachend en zelfbewust als bemerkte hij niets van Lord Colmart's jaloezie. De bruid ging naast haar ouden bruigom op de sofa zitten en trachtte zijn boosheid met vleiende gebaartjes en lieve woordjes te verdrijven.

‘En toch zijn ze slaven,’ dacht Puck met hoonende bitterheid.

 

Panatelli zette zich achter het leege vlak van zijn groote schrijfbureau nadat hij een der wijde lage fauteuils voor Elisabeth had aangeschoven. Zij herinnerde zich tot in de kleinste details haar eerste bezoek in deze kamer, hoe bevangen, bijna verlegen zij zich toen gevoeld had. Later had ze nooit meer in een dier fauteuils gezeten, doch altijd op een tabouret die terzij stond, ijverig en nederig, gewapend met een schrijfbloc en gehoorzaam wachtend. Doch in de laatste maanden, wanneer er besprekingen te voeren waren, was Panatelli bij haar in haar kantoor gekomen.

‘Ik heb een ernstige kwestie met u te behandelen,’ begon hij terwijl hij de presse-papier van jade het balanceeren op zijn hand en zij overdacht of zij hem nu goed genoeg kende om hem te verzoeken die snobbistische obsceniteit te verwijderen. ‘Er is een brief van de advocaat van madame Rose. Zij heeft, op advies van haar geneesheer, de wensch te kennen gegeven om de vennootschap met mij te verbreken, zij wil weggaan uit Parijs en zelve een Maison de Haute Couture openen in Cannes of Biarritz.’

[p. 296]

Puck's vage aandacht werd plotseling geboeid. Zij wachtte in spanning op wat ging komen.

‘Ik betreur dat natuurlijk ten zeerste, madame Rose en ik hebben deze zaak samen opgebouwd - maar ik kan toch niet ontkennen, dat ik tegen haar terugkomst erg heb opgezien. Ik heb mij de laatste maanden kunnen gewennen aan een samenwerking, die zooveel rustiger is - zooveel kameraadschappelijker.’

Zag hij de glimlach, die haars ondanks om haar strakgetrokken mond gleed? Het woord ‘kameraadschap’, waar het Panatelli's verhouding tot een vrouw betrof? Hij sprak er snel over heen. ‘De plaats, die madame Rose vrijgeeft, bied ik u. Een compagnonschap, voorloopig voor de tijd van vijf jaren.’

De gedachten stormden door Puck's hoofd terwijl de man tegenover haar voortsprak met zijn bloemrijke woordkeus, waaraan zij reeds zoo gewend was, dat ze het geaffecteerde ervan nauwelijks meer bemerkte. Hij toonde zijn gewone pijnlijke tegenzin bij het noemen van cijfers, maar toch sprak hij van haar salaris en het percentage in de winst waarvan ze een deel als bedrijfskapitaal in de zaak zou moeten laten. Commissarissen van de vennootschap waren door hem gepolst, zij hadden eenig bezwaar geopperd omdat madame een vreemdelinge was en niet, als madame Rose, in het vak der Haute Couture was opgegroeid. Maar door haar prestaties van de voorbije maanden had zij bewezen, dat zij op den duur volkomen geschikt zou zijn voor de moeilijke en verantwoordelijke taak.

Voor een oogenblik verdrong triomf, blijdschap, voldoening alle andere gedachten. Menigmaal had Puck zich afgevraagd wat haar positie zou worden wanneer madame Rose terugkwam, aan deze mogelijkheid had ze nooit durven denken. Dus niet meer voor tijdelijk

[p. 297]

zou ze hier aan het hoofd staan, niet meer als remplaçant van een zieke. Groote belangrijke arbeid zou het doel van haar leven worden. Nu kreeg ze de mogelijkheid om al haar gaven te benutten, de macht om op te bouwen, te vernieuwen, te verbeteren. Een positie, zoo verantwoordelijk als van den leider van een fabriek, van een groot bankbedrijf, en o - ze voelde dat ze het zou kunnen! Het zou haar zelfstandig en onafhankelijk maken, ze kon een mooi flat bewonen in een goed rustig quartier en haar eigen auto bezitten en 's zomers een klein buitenhuis huren in Passy of St. Germain of Boulogne.

‘Ik begrijp,’ zei Panatelli, ‘dat er een moeilijkheid voor u zal zijn in het teekenen van een contract voor vijf jaren. Uw echtgenoot zal daar wellicht bezwaren tegen maken.’

Het dreef Puck's gedachten plotseling naar de werkelijkheid terug. Zij behoefde immers niets meer aan Han te vragen. De voortdurend dreigende moeilijkheid bestond niet meer, dat zij, wanneer hij werd overgeplaatst, haar werk zou moeten opgeven. Lily kon met hem gaan waarheen Lagrange hem dirigeerde, naar Algiers of Bordeaux of naar die waterplas ergens in Zuid-Holland, waar de haven voor vliegbooten gebouwd zou worden. Een wonderlijke samenloop, thans wenschten zij allebei hun vrijheid. Zoo kon de scheiding snel en zonder pijnlijke conflicten worden voltrokken. Zij zag op en keek recht in Panatelli's scherp onderzoekende oogen. Wat begreep hij? Raadde hij dat het mis was met haar huwelijk? Haar trots sprong teweer. ‘U begrijpt, dat ik hierover na moet denken - moet overleggen;’ zei ze koel. ‘U staat me wel toe u over enkele dagen mijn antwoord te geven?’

‘Zooals u wilt, madame.’ Weer moest ze denken

[p. 298]

aan de eerste maal toen ze hier tegenover hem had gezeten en hij in haar eisch tot een bedenktijd met dezelfde koele hoffelijkheid had toegestemd. Toen was het voor haar niet veel anders dan een spel geweest - zij had het ‘baantje’ aanvaard uit verveling, om een teveel aan vrije tijd te vullen, om wat meer geld te kunnen spendeeren aan pretjes en kleeren. Nu ging het om een groot belangrijk besluit, dat heel haar verder leven veranderen zou.

Panatelli stond plotseling op, hij kwam naar haar toe en met zijn handen steunend op de rug van haar stoel boog hij zich naar haar over. Een vertrouwelijkheid, die hij nog nooit gewaagd had en die zij vroeger zeker niet zou hebben geduld.

‘Wat ik u hier aanbied, is een kans uit duizende,’ zei hij met zijn zachte zangerige stem; ‘Chef van het Huis Panatelli - kabinetchef in het rijk van de Haute Couture. Ik weet, dat u het heel ver brengen zult, madame. U bent niet alleen knap en energiek maar u bent in staat het zakelijke van het persoonlijke gescheiden te houden. Dat kunnen andere vrouwen niet...’

Ze trachtte haar oude hooghartige spottoon te hervinden. ‘Tot de èchte vrouwen hebt u mij nooit gerekend.’

Maar hij bleef zeer ernstig. En aldoor stond hij gebogen over haar stoel, zoo dicht bij haar, dat het haar onrustig en onzeker maakte.

‘Ik had nooit een vrouw als u ontmoet,’ zei hij met nadruk. ‘Ik meende, dat u een van die moderne gestudeerde dames moest sijn, die alle zwakheden van het hart onder het bedwang van haar verstand houden. Ik had een groote be wondering voor uw werkkracht maar ik zag u nooit - vergeeft u mij als ik het eerlijk zeg - als een van de zwakke gevoelige sekse.’

[p. 299]

Waarom vond ze nu haar oude overwicht niet? Een klein scherp zinnetje om hem op zijn plaats te zetten? Waarom spon die weeke zangerige stem haar ditmaal machteloos in?

‘Totdat ik verleden week de eer had u in het gezelschap van uw echtgenoot te ontmoeten. De vorige dag had u mij voor het eerst zijn naam genoemd, dat intrigeerde mij - ik had mij nooit voorgesteld dat u getrouwd was. Vergeeft u mij, dat ik daarna nieuwsgierig ben geworden en uw zuster Kitty een paar vragen heb gesteld. Van haar heb ik gehoord dat hij de liefde uit uw jeugd is, dat u jarenlang op elkaar gewacht hebt, totdat hij zich in Indië een positie had verworven en u toen met hem mee bent gegaan naar een kleine afgelegen plaats in de binnenlanden van Sumatra. Dat heeft mij diep getroffen. Een vrouw als u, met zulke aanleg en zulke mogelijkheden - een vrouw die geboren is om in de wereld een eerste plaats te vervullen en die zulk een offer voor haar liefde brengt,’

Het was alles gewikste vleierij. De handigheid van den ervaren Don Juan, die elke zwakheid en ijdelheid der vrouwen kende. Maar ach - het was precies waaraan ze behoefte had na al de ellendige vernedering, de miskenning, de twijfel aan zichzelve. Een koestering werd die warme bewondering en genegenheid na de kille verlatenheid van de laatste dagen. Alleen wenschte ze, dat hij van haar stoel zou weggaan en niet zoo dicht over haar bleef heengebogen. Ze wou hem niet verraden hoe verward en onzeker hij haar maakte.

Doch hij veranderde zijn houding niet. ‘U vraagt tijd om te overleggen. U wilt uw echtgenoot raadplegen. Maar ik bid u madame, doet u hem inzien hoe belangrijk de positie is, die ik u hier aanbied. Een kans, die u stellig nooit meer geboden wordt.

[p. 300]

Wanneer een van u beiden een offer moet brengen - sta mij toe dat ik het ronduit zeg - dan moet niet u het ditmaal zijn.’

Er waren tranen in Puck's oogen gesprongen. ‘Het persoonlijke van het zakelijke onderscheiden,’ trachtte ze zich voor te houden. Maar tegelijk dacht ze: ‘nu heeft hij mijn zwakke plek gevonden, nu helpen mijn spot en hooghartigheid niet meer.’

Zij maakte een beweging om op te staan en hij trad dadelijk opzij. Maar toen ze voor hem stond, greep hij met een impulsief gebaar haar hand en hief die omhoog. Ze voelde de lange veelzeggende druk van zijn lippen en dacht hoe de eerste maal het vage gebaar waarmee hij een handkus schetste haar bijkans beleedigd had. Zijn donkere gladde hoofd, zijn interessant exotisch gezicht was vlak onder het hare en ze realiseerde hoe anders ze hem was gaan zien sinds ze naast hem gestaan had in zijn atelier en hij haar zijn wonderlijke scheppingsverrukking had meegedeeld. Hij murmelde: ‘Ik beloof dat ik alles zal doen opdat u zich hier gelukkig zult voelen.’ En zij dacht: ‘Als wij nu in elkaars oogen kijken is het met mijn beheersching gedaan -’

‘Ik zal u mijn antwoord over drie dagen geven,’ beloofde ze terwijl ze haar hand uit de zijne trok en snel uit de kamer ging. Terwijl ze langs de kale trappen naar beneden liep trachtte ze haar kalmte te herwinnen. Ze hoonde zichzelf. De plaats was blijkbaar vacant? Plaats nummer zooveel in het groote hart van Panatelli.

Maar voor het eerst sinds vele dagen, had ze het radeloos besef van eenzaamheid en verlatenheid verloren. Voor het eerst vielen er weer kleuren door het prisma van een grauwe wereld. Waarom zou ze hem uit de weg gaan? Het lag in de loop der dingen. Ze was vrij - vrij om de liefde te nemen die zich bood. Liefde?

[p. 301]

Neen, ‘1'amour’ in de banale Fransche beteekenis. Een avontuur, een experiment, een vuuf, dat niet verwarmt. Als vroeger, als voor haar huwelijk. Plotseling stond ze stil op de trap en haar armen vielen zwaar en slap langs haar neer. Herinneringen drongen toe, oppermachtig. ‘Ik zou het niet meer kunnen,’ wist ze. ‘Nu ik het echte heb gekend, ècht van een man heb gehouden zou ik het surrogaat niet meer verdragen.’

 

‘Ik inviteer je voor een lunch in het Pavilion d'Armenonville,’ zei Puck die middag tot Kitty. ‘Ik heb je wat te vertellen waar je van op zult kijken. Het is veel te prachtig weer om in dat duffe zaaltje van de Cuisine Normande te zitten en daar ik geen zin heb om in zoo'n oude schokkende taxi door het Bois te rijden, zal ik St. Didier opbellen om een goede wagen te zenden.’

Kitty floot veelzeggend tusschen haar tanden. ‘'t Schijnt jou voor de wind te gaan. De geheime dienst heeft gemeld, dat je vanmorgen wel een uur in de studio van den meester hebt vertoefd.’

‘Precies. En onderweg zal ik je vertellen wat zich daar heeft afgespeeld.’ Puck deed verslag van Panatelli's voorstel en Kitty bleek er gansch en al door geïmponeerd. ‘Het is geweldig. Je kunt alles van die positie maken. In Parijs draait immers alles om de kleeren van de vrouwen. De Grands Couturiers zijn er gezien en populair als de sterren van de revue of de opera. Madame Rose hield er niet van om in de wereld te komen, ze leefde teruggetrokken en heel eenvoudig. Maar iedereen weet, dat ze in de laatste vijf jaar een fortuin heeft verdiend.’

‘Dan beginnen we op het crediet van de toekomst vandaag met caviaar!’ Puck trachtte zich luchtig en

[p. 302]

voldaan te voelen. Ze had de vaste wil om voor dit uur tenminste alle twijfel en moeilijkheden te vergeten. Ze vertelde opgewekt van allerlei plannen en veranderingen, die ze in haar hoofd had.

‘Maar je man?’ verwonderde zich Kitty, terwijl ze langzaam en met de zorg der ervaren gourmande de kostbare lekkernij zat te genieten. ‘Hij zal toch nooit goed vinden, dat je je voor vijf jaar verbindt. Stel dat hijzelf weg zou moeten uit Parijs.’

‘Han en ik zullen binnenkort gaan scheiden.’ Na een aarzeling zei Puck het rustig en terwijl ze het zich hoorde uitspreken, zoo zakelijk of het reeds lang beslist en geregeld was, bedacht ze, dat ze een week geleden de mogelijkheid als volkomen onzinnig zou hebben verworpen.

‘Zoo - komt het er toch van.’ Kitty aanvaardde de mededeeling met een nuchterheid, die de ander ontstelde. ‘Och, niemand heeft ooit verwacht, dat dat huwelijk van jullie duurzaam zou zijn. Jullie passen niet bij elkaar.’

Puck voelde het bloed heet in haar gezicht, een heftig verweer drong naar haar lippen, de woorden klonken haar als een beleediging. Waarom -? beheerschte ze zich. Wat Kitty daar uitsprak was immers de opvatting van heel haar familie. En naar Kitty's begrippen was een scheiding even ‘gewoon’ en ‘gemakkelijk’ als het aangaan van een huwelijk of het eindigen van een liaison.

‘Jammer,’ zei het jonge meisje een oogenblik later, terwijl ze wachtten op een kostelijke langouste, die op de caviaar zou volgen, ‘dat ik van jouw oppergezag bij Panatelli niet meer profiteeren kan. Ik ben namelijk besloten er de volgende maand weg te gaan.’

‘Waarom in 's hemelsnaam? Je bent persona-grata onder de mannequins. Sinds mademoiselle Ariane weg

[p. 303]

is laat hij je zijn mooiste creaties dragen. Je zult toch dunkt me moeilijk een betere positie kunnen krijgen.’

‘Ik ga weg uit Parijs. Naar Dresden, studeeren aan de dansschool van Mary Wigman. Veel heb ik niet gespaard want het leven hier is verschrikkelijk duur als je een beetje plezier wilt hebben. Maar een half jaar kan ik het wel uitzingen en in die tijd hoop ik wat te bereiken.’

Verbaasd en onderzoekend keek Puck naar het mooie hooghartige gezichtje tegenover haar. Kitty had de laatste maanden niet meer over haar dansen gesproken. Puck was overtuigd geweest, dat ze het er heelemaal aan gegeven had. Ze was veel uitgegaan met een club luidruchtige plezier makende Amerikanen en ze had Panatelli's meest gedurfde toiletten door alle dure nachtgelegenheden van Parijs gedragen.

Voorzichtig vorschte ze: ‘Is het niet gevaarlijk opeens een heel andere dansmethode te gaan volgen?’

‘Er wordt daar uitstekend gewerkt. In zuiver plastische danskunst heeft Wigman meer bereikt dan Duncan. Haar dansgroep heeft op het oogenblik groot succes. Ik heb daar goede kansen.’

‘Kit, er is een andere reden. Wil je hem mij niet vertellen?’

Kitty blies in het gloeiende kopje van haar cigaret. ‘Waarom niet?’ zei ze onverschillig. Haar gezicht stond koel beheerscht, maar haar groote prachtige oogen met de zware wimpers keken langs Puck heen met een diepe triestheid.

‘Ik wil een streep zetten. En opnieuw beginnen. Daarom is hier weggaan het eenige.’

‘Liefdesgeschiedenis?’

‘Als je het zoo noemen wilt.’

‘Die mooie blonde jongen? De secretaris of zoo iets van Mrs. Seymour Bell?’

[p. 304]

‘Het “of-zoo-iets” is prachtig,’ constateerde Kitty met een bitter lachje. ‘Zeg maar gerust de gigolo van Mrs. Seymour Bell. Bij Panatelli noemt iedereen hem zoo.’

‘Goddank, dat je aan die verhouding een eind maakt, Kit. Ik heb er een paar maal wat van meenen te snappen en dan telkens het gevoel gehad, dat ik er met je over moest spreken. Maar we zagen elkaar altijd zoo vluchtig in een restaurant of een tearoom. Er was eigenlijk nooit rustig gelegenheid.’

‘Het wàs geen verhouding,’ zei Kitty kortaf.

Jokte ze? Weer keek Puck haar onderzoekend aan en plotseling herinnerde ze zich hoe veranderd ze Kitty had gevonden toen ze haar hier in Parijs na jaren terugzag. Toen had haar bij het uitdagende ijdele meisjesmooi een fierheid getroffen, een beheersching, een rustig zelfbesef. Maar dat was al weer langer dan een jaar geleden.

‘Ik houd van hem. Voor de eerste maal in mijn leven was het de echte liefde. En hij houdt ook van mij. Verschrikkelijk veel. Daarom heb ik gewild, dat hij dat ellendige baantje op zou geven en mij trouwen.’

Puck had een verschrikt gebaar. ‘Groote hemel! Als je dat vader en moeder had aangedaan! Er is toch nog zoo iets als noblesse-oblige, Kit! Eerbied voor de oude eerwaardige naam Coornvelt.’

‘O, wat dat betreft!’ Kitty hervond opeens weer haar bakvischachtige branie van vroeger, haar fijne neusje snoof parmantig in de wind. ‘Hij is een graaf. Behoort tot een van de oudste families van Frankrijk, die hun geld tot de laatste cent hebben verloren. Hij was luitenant bij de cavalerie en heeft een heele rij oorlogsonderscheidingen. Maar hij had niets geleerd dan sport en dansen en vreemde talen en goede manieren. Er zijn er hier zooveel als hij. Ze zijn diep te beklagen.’

[p. 305]

Puck wou haar schampere spot niet toonen. Goddank, dacht ze weer, dat er van dat krankzinnige huwelijk niets komt. Hoe zou die deftige mieneer aan de kost moeten komen? ‘Je zegt, dat jij het hebt uitgemaakt?’

‘Eerst wou hij van trouwen niets weten. Hij kon niet buiten zijn luxe leven, hij vond een huwelijk tusschen moderne menschen als hij en ik een onzinnigheid. Toch - ik hàd hem zoover. Hij zou zijn baantje bij Mrs. Seymour Bell opgeven en een vriend met relaties kon hem in een automobielzaak plaatsen. Maar hij wou niet beloven dat hij mij in ons huwelijk trouw zou zijn.’

‘Me lieve kind! Dat bewijst toch alleen dat hij eerlijk is en zichzelf kent en niet begoochelt. Geen man kan daarvan zeker zijn.’

‘En waarom niet?’ viel Kitty uit, heftig en hartstochtelijk opeens. ‘Als ik, van mijn kant, hetzelfde beloof? Dat wil je toch wanneer je ècht van elkaar houdt en overtuigd bent, dat het de groote liefde is. Of dacht je, dat ik het andere zou willen, dat armzalige surrogaat, een van die oppervlakkige gemakkelijke “verhoudingen” die ik al die jaren om me heen heb gezien en waarvoor ik zoo'n verschrikkelijke minachting, zoo'n haat en walging heb gekregen. Als hij niet net als ik, vast overtuigd is, dat het voor altijd is, for better and for worse, als we niet allebei vast en heilig gelooven, dat we elkaar trouw zullen zijn - dan is het het ware niet - en dan is het niet de moeite waard om er mijn jeugd en mijn idealen voor te geven.

Waarom lach je Puck? Ik weet wel, dat jij over al die dingen heel anders hebt gedacht. Jij bent jong geweest in een tijd waarin de vrouwen, de jonge vooral, geen illusies en idealen meer hadden, waarin ze niet veel groots en heerlijks van de liefde verwachtten. Jij geloofde niet in trouw-in-het-huwelijk, dat heb je ons

[p. 306]

vroeger dikwijls genoeg verteld en de liefde was voor jou een experiment, dat je beleven en weer vergeten kon. Terwijl de meisjes van tegenwoordig - -’

‘Och Kitty! Je doet of je minstens een kwart eeuw jonger bent dan ik.’

‘En 't zijn maar zes jaren! Het lijkt weinig, maar ik verzeker je dat mijn generatie anders is dan de jouwe. Wij hebben weer idealen, wij gelooven weer aan kuischheid en trouw. En al verven we onze lippen en dragen opzichtige kleeren en leven midden tusschen het uit de band geslagen plezier, we zijn toch anders, heel anders dan die andere. We weten dat de vrijheid om predes te doen en te laten wat je wilt, volstrekt niet zoo heerlijk en gemakkelijk is als we vroeger dachten. Vrijheid is verschrikkelijk moeilijk wanneer je jong bent en jezelf niet naar de kelder wilt helpen. Maar we zijn tegenwoordig geen dorame schapen meer, we kennen het leven, we weten zoo verschrikkelijk goed wat er in de wereld te koop is en daarom kunnen we zoo sterk staan.’

‘Ach! Wat weten jullie, wat kennen jullie! Niemand kent werkelijk het leven zoolang hij jong is.’ Puck dacht het - sprak het niet uit, ofschoon haar verstand Kitty's woorden heftig verwierp. Zeker, koele temperamenten konden zich beheerschen, maar wie eenmaal de storm van een groote hartstocht over zich heen voelde gaan -, kon die ‘sterk’ zijn? Toch, koel van temperament was Kitty zeker niet, maar wilskrachtig, als haar moeder, als Puck zelve, doorzettend wat ze zich eenmaal in haar hoofd had gesteld.

‘Begrijp je nu, dat weggaan voor mij het beste is? Misschien zal hij mij verschrikkelijk missen en diep ongelukkig zijn en daardoor inzien, dat wij toch niet zonder elkaar kunnen leven. Of misschien zal hij mij

[p. 307]

in een paar weken vergeten voor een ander. En als hij dàt kan, dan ibewijst hij daarmee, dat het toch niet het ware zou zijn geweest - toch niet het groote. Daarmee zal ik me dan troosten en het voorloopig zonder liefde stellen.’

‘Voorloopig! Gelukkig blijf je optimist, Kit!’ Puck lachte met een gevoel van bevrijding. Op stuk van zake bleek Kitty's drama zoo ernstig niet. Maar toch - haar oogen verrieden veel meer droefheid dan haar woorden en wàt ze daareven zei, had wel heel echt, wel heel overtuigd geklonken.

Haar zusje had het onafscheidelijk poederdoosje weer voor den dag gehaald. En ze verfde zich de mooie lokkende lippen donker rood.

‘Al geloof ik aan een groote liefde,’ zei ze, ‘daarom geloof ik nog niet aan een enkele door de hemel voorbestemde bruidegom.’

Lang bekeek ze zich in haar spiegeltje, onderzoekend, critisch en voldaan. ‘En al heb ik verdriet door de liefde,’ besloot ze, ‘ik zal stellig niet sterven aan een gebroken hart.’

prepostterug  begin  verder