terug  begin  prepost
[p. 308]

Drie en twintigste hoofdstuk.

- - - - - - - - - - - - - - - ‘Je ziet hieruit, Han, dat wat Panatelli mij aanbiedt, buitengewoon is. Een kans, die mij zeker geen tweemaal in mijn leven wordt geboden. En zijn voorstel komt op een merkwaardig oogenblik. Een paar dagen geleden was Lily bij mij. Ze heeft me gevraagd van je te scheiden opdat jij en zij kunnen trouwen. Ik veronderstel, dat ze het je al geschreven heeft en er bij gezegd welke voorwaarde ik toen stelde. Maar ik zal jullie niet dwingen tot die “proef”. Lily houdt van jou op haar manier, vrouwen als zij en ik leven in zoo'n totaal verschillende gedachten-wereld, dat we elkaars inzichten en principes wel nooit zullen begrijpen. Vermoedelijk past Lily heel wat beter bij jouw ideaal van huwelijksleven dan ik ooit heb vermocht. Daarom stel ik je voor, laten we uit elkander gaan, dat is voor ons allebei het beste. Wanneer ik Panatelli's aanbod aanvaard, moet ik me voor vijf jaar binden en dat zou onoverkomenlijke moeilijkheden geven wanneer ik je vrouw bleef. Het lijkt me niet waarschijnlijk, dat Lagrange je nog lang op het proefstation in Argenteuil zal houden. Vermoedelijk biedt hij je binnenkort een plaats aan een van zijn filialen en dan zou ik toch niet met je mee kunnen gaan. Want het werk bij Panatelli is mij lief geworden, ik zou het niet

[p. 309]

meer willen missen. Al heb je het mij niet gezegd, ik heb wel begrepen, dat voor jou het voorbije jaar niet voldaan heeft aan je groote verwachtingen. Het heeft me verdriet gedaan dat je er zoo zwijgzaam over bleef, maar ik begreep wel, dat het je moeilijk viel er over te spreken, juist omdat het mij zoo voor de wind ging. Met Lily zul je veel meer vrij zijn, het is voor haar geen bezwaar om overal met je heen te trekken, je zou zelfs naar Indië terug kunnen gaan, waar je je altijd zoo gelukkig en op je plaats hebt gevoeld.

Misschien hadden de menschen gelijk, Han, die je waarschuwden toen je met mij wou trouwen, evengoed als de andere, die tegen mij zeiden, dat een vrouw met zoo'n vrijgevochten zelfstandige aard zich niet door een huwelijk moest binden. Maar al gaan we uit elkaar, er behoeft immers geen jaloezie of wantrouwen tusschen ons te zijn en zeker geen vijandschap. Wanneer je terugkomt, zullen we rustig de zakelijke dingen bespreken en zorgen dat we goede kameraden blijven - -’

 

Het was zeer laat. Geen geluid kwam meer van buiten, achter bijna alle vensters van de hooge grijze huizen aan de overzij was het licht gedoofd. Puck rekte haar moede rug, legde even haar handen tegen haar gloeiende pijnende oogen. Zocht dan de snippers bijeen van tallooze beschreven en verscheurde vellen. Koud en zakelijk was haar brief tenslotte geworden, nadat ze geprobeerd had, uren achtereen, het verwikkelde moeilijke neer te schrijven. Ze had uitleg willen geven, vragen stellen, voorwaarden opperen. - Ze had zich willen beroepen op de voorbije gelukkige jaren, op zijn eigen vast vertrouwen in de standvastigheid van hun liefde. Och, wat zou het alles voor zin hebben! Een man vast willen houden, die zijn vrijheid begeert, hoe klein en

[p. 310]

zielig en dom had ze altijd de vrouwen gevonden, die dat probeerden! Deze kalme zakelijke welwillende brief zou ze verzenden, want natuurlijk zou Lily hem vroeger of later lezen. Alles wat gezegd moest worden, stond erin.

Hoe laat was het? Over eenen. De laatste buslichting was lang voorbij. Het zou nutteloos zijn hem nu nog te posten, morgen als ze naar haar werk ging kon ze hem meenemen. Maar ze schudde plotseling haar hoofd en nam hem vastbesloten in haar handen. Neen - niet die brief hier laten liggen en zichzelf nog een kans geven. Want voor de nacht - de kwellende donkere uren zonder slaap - en veel veel erger nog, voor de grauwe troostelooze dageraad, hield ze geen beheersching, geen geestkracht of inzicht meer over. Dan zou er stellig een oogenblik komen, dat ze op zou vliegen uit de doffe warmte van verkreukte lakens en kussens om de brief te grijpen en hem te verscheuren. En misschien een andere te schrijven- een paar woorden maar, een radelooze kreet: ‘Han, blijf bij mij - ik kan je niet missen!’

Neen, ze zou nu nog naar de bus gaan, twee straten ver, de wandeling zou haar goed doen. Hoed of mantel had ze niet noodig, het was een warme avond, het licht in de hall hoefde ze niet op te knippen, ze vond het slot op de tast. In het schemerig schijnsel, dat door de geopende deur van de kamer viel, lichtte iets wits achter het ruitje van de brievenbus. Ze zou het eruit halen als ze terugkwam. Ze stond al buiten in het trappenhuis, haar hand liet de deurspalt los, opdat het slot dicht kon vallen, toen het haar werd alsof iemand haar bij haar schouder greep en haar dwingen wou zich om te keeren en terug te gaan. Ze verweerde er zich tegen. Zooiets was overspanning, overmoeheid. Rustig ging ze de trappen af, de twee verlaten donkere straten

[p. 311]

door. Een jonge man trad tegelijk met haar voor het blauwe kastje en fluisterde een geheimzinnig voorstel terwijl ze haar enveloppe in de spleet duwde. Toen ze haar appartement weer binnenkwam, knipte ze het licht op en nam het stapeltje uit de brievenbus. Tusschen een paar couranten en wat drukwerk lag een brief van Han. De eerste, die hij haar uit Algiers geschreven had. Ze vocht seconden lang tegen een donkere angst om hem te openen.

 

‘Ik heb aan Lily geschreven, dat het uit moet zijn tusschen haar en mij. Ik hoop, dat ik haar duidelijk heb gemaakt waarom het zoo moet en niet anders kan. En ook, dat ik het uit vrije wil besloten heb en niet meer van gedachten zal veranderen. Het heeft me een groote strijd gekost, vrouw, want telkens zag ik voor me hoe ongelukkig en diep bedroefd zij en die twee kinderen zullen zijn en dan scheen het me, dat ik nooit de moed zou kunnen vinden. Ik kan de dingen niet zoo goed formuleeren als jij, maar nu ik het beslist heb, voel ik me als iemand die maandenlang een zwaar gewicht heeft meegedragen en er eindelijk van bevrijd is. Dat gewicht was mijn schuldgevoel jegens jou. Misschien was het zoo verschrikkelijk zwaar omdat je zoo wijs en verstandig was, mij vrij liet en geen enkel verwijt deed. En mij geholpen hebt als een kameraad, toen ik het bijna aan Corry had verraden.

Ik weet, dat Lily bij je is geweest, ze schreef me een nauwkeurig verslag van jullie onderhoud, de dingen, die jij toen gezegd hebt, hadden haar diep geschoktengegriefd. Ze was overtuigd, dat hetgeen tusschen jullie was voorgevallen ook voor mij de doorslag zou geven. Het gáf de doorslag. Want haar brief was eenigszins een ultimatum en voor het eerst heb ik toen de dingen werkelijk onder

[p. 312]

de oogen durven zien. Al die maanden, sinds de avond in Lily's huis toen het begonnen is, heb ik mezelf niet willen bekennen dat ik op een hellend vlak stond en er een oogenblik moest komen waarop het zoo niet langer door kon gaan en ik zou moeten kiezen.

Ik wil heelemaal eerlijk tegen je zijn, wat ik voor Lily voelde was sterker dan ik besefte, het is me nog aldoor een verschrikkelijk verdriet, dat ik haar en dekinderen niet meer zien zal, dat ik hen in de steek laat, zoo voel ik het. Maar toch, ik kàn niet anders, want ik hoor bij jou en ik zou jou nooit kunnen missen. Mijn hart is van jou, dat vind jij misschien banaal uitgedrukt, maar ik weet geen andere woorden om het te zeggen. Bij Lily had ik nooit dat vrije rustige vertrouwde gevoel, dat van 't begin af aan bestaan heeft tusschen jou en mij, bij haar wist ik in mijn diepste hart altijd dat ik op mijn hoede moest zijn. En het zachte en afhankelijke, dat me zoo aantrok, me zoo sterk vasthield, heeft toch dikwijls een soort van vrees, soms zelfs van vijandigheid gegeven.

Vrouw, ik vraag niet of je me wilt vergeven, dat klinkt zoo theatraal. Ik vraag je alleen: laten wij samen opnieuw beginnen, zooals ons goede veilige samenleven van vroeger was, dat jij onze “saamhoorigheid” noemde.

Ik moet voorloopig nog contact met Lily houden, ik moet allerlei voor haar regelen. Ik kan haar niet opeens voor al haar moeilijkheden alleen laten staan. En ik zal haar ook nog een keer met geld moeten helpen. Ik weet, dat jij weinig vertrouwen in menschelijke standvastigheid hebt, maar uit deze brief moet je toch voelen, dat ik niet meer veranderen zal en ik de strijd voor mezelf heb uitgevochten.

Pas aan het einde van de week kan ik weg uit Algiers

[p. 313]

en voor ik thuis kom wil ik met Lagrange spreken. Ik wil hem dwingend vragen met zijn plannen voor den dag te komen, zoodat ik weet waar ik aan toe ben. Ik vrees, dat het weinig verheugend is wat hij voor mij in petto houdt. Maar wat komt dat er op aan wanneer het weer goed is tusschen jou en mij en wij weer samen de toekomst tegemoet zien. Dan zijn geld en carrière immers bijkomstigheden. Dan doet al het andere er zoo bitter weinig toe - - -’

 

Twee slordig volgeschreven vellen, vol doorhalingen en tusschenvoegingen. Het was geen rustige weloverwogen brief. En onmiddellijk stond in Puck's gedachten, zin voor zin, woord na wel overwogen woord, de koele zakelijkheid van de hare. Háár brief, die ze daareven geppst had, die ze niet meer kon achterhalen. Maar een telegram kon ze hem zenden, nu dadelijk, hij zou haar gezindheid begrijpen aan de enkele woorden, die zeiden met hoeveel vreugde ze hem verwachtte. En ze kon er het dringend verzoek bijvoegen om haar brief, zoodra hij die ontving, ongelezen te verbranden. Het was haar of zijn diepe warme stem opklonk uit die bijeengezochte moeilijke woorden, of voor het eerst weer, na lange tijd, de kamer vervuld was van zijn sfeer, van zijn blijmoedige dierbare aanwezigheid. Hij kwam bij haar terug - zij had de strijd gewonnen. Maar er stond dreigend iets op de achtergrond, dat tot voorzichtigheid dwong. Ze mocht zich niet overgeven aan het geluk, dat uit die brief naar haar toekwam. Neen, ze zou hem niet telegrafeeren, want wat ze hem vanavond geschreven had, moest hij lezen. Hij moest weten, vóór hij bij haar terugkwam, dat nog niet al hun problemen waren opgelost, al had hij besloten met Lily te breken. Wat nu

[p. 314]

nog te bespreken viel, was een levenskwestie als het andere. Het zou moeilijk voor hem zijn om dat te begrijpen, een man kon het werk van een vrouw nu eenmaal niet even belangrijk vinden als het zijne. Maar Panatelli had gelijk. Han moest dat inzien. Wanneer ditmaal een van hen beiden een offer zou brengen, moest hij het zijn -

 

Han had in de middag, uit Argenteuil, een telegram naar het Huis Panatelli gezonden om zijn vrouw te melden, dat hij die avond thuis kwam. Toen Elisabeth na het sluitingsuur haar appartement binnentrad, stonden zijn valiezen in de hall, zijn jas en hoed lagen er over een stoel. Aan de aanwezigheid dier vertrouwde dingen realiseerde ze met een gelukgevoel dat smartte, hoe groot de eenzaamheid der voorbije dagen geweest was.

Hij stond bij zijn bureau, dat slordig vol pas geopende brieven lag. Onder de groenomkapte studeerlamp brandde licht, hoewel het buiten nog dag was. Hij had het raam niet opgeschoven, in de kamer was het heet en bedompt. Hij keerde zich om en zei ‘Hallo!’ hartelijk en joviaal, als gold het een begroeting als alle dagen. Dan kwam hij naar haar toe en even, een onderdeel van een seconde, voelde ze zijn aarzeling. Maar hij sloeg zijn airmen om haar heen en kuste haar als zoo vaak in de voorbije jaren wanneer hij na een langere afwezigheid thuiskwam. Het brak voor een oogenblik al haar bange twijfel, het starre gespannen wachten op het moeilijke gevaarlijke dat komen ging - een oogenblik, want in zijn kus voelde zij, dat ook zijn beheersching schijn was en hij even nerveus en onzeker was als zijzelve.

Zij trad van hem weg en zette zich op de sofa, hij

[p. 315]

ging weer naar het bureau en kraarnde doelloos in de slordige papieren.

Eindelijk, om de ondragelijke stilte tebreken, vroegze:

‘Wanneer ben je teruggekomen?’

‘Vanmorgen. Met de nachttrein van Marseille. Ik ben dadelijk doorgegaan naar Fromentières. Heb met Lily gesproken. Overmorgen gaat ze terug naar Holland en de volgende maand naar haar broer in Zuid-Afrika. Die heert haar een poos geleden voorgesteld, dat zij met de kinderen bij hem zou komen wbnen. Hij is ongetrouwd en wil dat zij zijn huis verzorgt.’

Zij keek naar hem zonder dat hij het bemerkte. Ze zag de harde beslotenheid van zijn gezicht, dat geen ontroering wou verraden. En zij zag, als met genadelooze helderziendheid, het beeld dat nu in zijn gedachten stond, zijn afscheid van het vrouwtje met het bleeke smartelijke gezichtje en van die twee kinderen van wie hij zoo onzinnig veel gehouden had. Ze voelde een drang naar hem toe te vliegen en met haar armen om zijn hals, haar mond op de zijne, hem weg te halen van die herinnering, naar de werkelijkheid van het oogenblik, naar het geluk-van-hen-samen, dat immers niet verloren was. Maar zij deed het niet, zij moesten eerst beheerscht en rustig samen spreken.

‘Daarna ben ik bij Lagrange geweest. We hebben bijna twee uur zitten praten. Voor het eerst heeft hij mij openhartig een inzicht in de situatie gegeven.’

‘En je een definitief voorstel gedaan?’

Ze zag dat hij draalde. ‘Ja - maar anders dan ik verwachtte. Hij heeft mij uitgelegd, dat hij de fabriek en het proefstation in Argenteuil op deze manier niet langer kan bekostigen, hij wil die allebei overplaatsen naar Algiers waar de loonen veel lager en de productiekosten bijgevolg veel minder hoog zijn. Maar hij heeft

[p. 316]

mij niet bestemd voor daarginds. Hij wil mij aan het hoofd stellen van de nieuwe vlieghaven in Holland. Voorloopig alleen hangars en werkplaatsen, maar zoodra de tijden wat gunstiger worden gaat hij er bouwen, een kleine fabriek, die hij geregeld hoopt uit te breiden. En daarvan wil hij mij dan directeur maken, hij heeft me dat nadrukkelijk toegezegd, hij is gesteld op mijn werkkracht en wenscht mij in alle geval aan zijn bedrijf te verbinden.’

Ondragelijk warm en benauwd was de atmosfeer in de kamer. Puck stond plotseling op om een raam te openen, zij zette zich in de vensterbank en voelde een vleug van de ijle avondbries tegen haar heet gloeiend gezicht. Van de straat diep beneden haar klonk het triest geroep van een venter, uit een der geopende ramen van de overzij de jakkerende deun van een gramofoon. Waarom sprak hij nu niet verder? Hij was immers nog niet klaar met wat hij zeggen wou. Hij moest er nog bijvoegen, dat hij Lagrange's voorstel niet had aangenomen. Want hij veronderstelde toch geen oogenblik, dat zij bereid zou zijn daarheen te gaan? Voor goed weg van Parijs. Naar een dorp aan een afgelegen waterplas - niet voor een paar maanden, maar vermoedelijk voor hun heele verdere leven. Het zou immers volkomen onzinnig zijn. Zij had hem in haar brief toch alles duidelijk uitgelegd.

‘Ik zou kunnen begrijpen,’ vervolgde hij eindelijk moeilijk en toonloos, alsof hij wist, dat zijn woorden in een leegte vielen: ‘dat jij bezwaar zou hebben tegen die afgelegen plaats. We zouden in Leiden kunnen wonen, ik kon een motor of een kleine auto nemen en dagelijks heen en weer gaan. Maar er wordt daarbuiten een goed ruim directie-huis gebouwd, dat biedt veel voordeel.’

[p. 317]

Haar oogen trokken donker. Meende hij werkelijk, dat het daarom ging? Wilde hij niet inzien, dat haar carrière veel belangrijker, zekerder en lucratiever dan de zijne was? Moest ze hem uitleggen, met duidelijke woorden, dat er maar één mogelijkheid voor hen was om hun samenleven voort te zetten: wanneer hij Lagrange opgaf en hier, in Parijs, uitzag naar een andere betrekking. Voor een ingenieur met een knappe kop waren er immers kansen te over.

Maar toen ze spreken wou en de duidelijke overtuigende uitleg al klaar hield in haar gedachten, werd het of een macht buiten haar bewuste wil haar lippen sloot. Of het oogenblik tot tijdeloosheid werd en haar dwong te zwijgen. Zijn rustige woorden waren schijn. Hij wachtte in bange spanning. Want hij geloofde zelf niet aan haar bereidzijn. Hij stond terzij van zijn bureau, buiten de lichtval van de studeerlamp en een glimp van het vale late middaglicht viel over zijn gebogen hoofd. Zij zag, wat haar vaak de laatste tijd was opgevallen, hoe zijn haar begon te grijzen aan de slapen, maar nooit nog had ze gezien hoezeer zijn gezicht de laatste tijd veranderd was. Al het zonnig blijmoedige scheen uit dat verouderd doorvoord gezicht verdwenen, maar hoe ernstig was het en hoe krachtig-van-willen, - het open gezicht van een goed rechtschapen mensch. En alsof zij nu zijn wezen eerst in waarheid verstond, drong het groot en heerlijk naar haar hart. ‘Ik heb hem lief en hij is bij mij teruggekomen - hij houdt nòg van mij, het kan alles weer goed zijn.’

En zij wist: als ze haar sterke wil inzette, zou ze Han wellicht kunnen dwingen zijn werk op te geven voor het hare. Maar als ze dat deed, zou ze het beste van zijn liefde verkrachten. Want voor een man was het een elementaire wet, dat hij het hoofd moest zijn van

[p. 318]

het gezin, dat hij het moest zijn, die zorgde en verdiende en in hoogste instantie te beslissen had. En in hoogste instantie ging het voor een vrouw niet om werkkracht of carrière, maar om de drang van haar hart.

En toen viel over Puck's twijfel en weerstand, over al haar bange zorgelijke problemen een wijde blijde verheldering. Het werd als in een benauwde verwikkelde droom, wanneer onweerstaanbaar maar vaag nog en ver, een lichte werkelijkheid zich aanmeldt. ‘Zijn liefde is me het meeste waard,’ wist ze op eenrnaal met aarzellooze stelligheid; ‘zijn liefde zou ik om geen werk of carrière willen missen.’

Ze stond op en ging naar hem toe, ze kwam dicht bij hem staan maar er was een schuwheid in haar handen, die haar weerhield hem aan te raken.

‘Ik zal met je mee daarheen gaan,’ zei ze bijna fluisterend. En terwijl ze de woorden sprak, sprong haar verstand nog eenmaal te weer: Wilde ze het werkelijk? Zou ze het uithouden? Beloofde ze niet meer dan ze kon vervullen? Ze durfde hem niet aanzien, maar haar oogen zagen in verbeeiding hoe nu de spieren van zijn stijfgesloten kaken werkten, hoe snel en nerveus de aren klopten aan zijn voorhoofd, in een hevige ontroering. Dan, in de stilte, die zwaar in de kamer stond, registreerde ze opnieuw de trieste roep van den venter, de jakkerende deun van de gramofoon.

Hij zei eindelijk onzeker: ‘Dat zeg je in een impuls. Je gelooft zelf niet, dat je het zou kunnen. Nu minder dan ooit.’

‘Maar wij zullen kinderen hebben,’ vervolgde ze op dezelfde dringende fluistertoon. ‘Daarmee zal immers alles veranderen.’

[p. 319]

Hij antwoordde niet meer. Durfde hij het niet aan? Had ze hem toch verkeerd begrepen?

‘Han -’ bedong ze eindelijk zijn aandacht, ‘waarom zeg je nu niets?’

Hij schudde langzaam zijn hoofd. ‘Je zou teveel moeten opgeven. Je wilt het nu, in een élan. Zooals je voor vijf jaar in een élan beloofd hebt om mijn vrouw te worden en met me mee naar Indië te gaan. Toen had ik moed en geloof voor ons allebei. Omdat ik je toen zag zooals ik je wilde en niet zooals je werkelijk bent. Pas sinds het laatste jaar heb ik begrepen wat jij toen terwille van mij hebt opgegeven.’

‘Maar nu heb ik moed, Han. Voor ons allebei. Ik goochel me niets voor, ik zie heel goed hoe moeilijk het zal zijn, maar ook - hoeveel geluk het zal geven. Ik weet, dat een groot geestdriftig besluit gemakkelijk te nemen is en kleine dagelijksche overwinningen op jezelf ontzaglijk zwaar zijn. Maar ik weet ook - wanneer ik iets wil, vast en ernstig, met al de kracht van mijn geest, dan kàn ik het. Alleen - het is vroeger altijd een hoogmoedig, eigenmachtig willen geweest en nu heb ik voor de eerste maal deemoed geleerd.’

Weer viel er een stilte, weer gaf Han geen antwoord. Hij vond immers zoo moeilijk woorden, te moeilijker naarmate zijn ontroering grooter was. Maar zijn handen strekten zich naar zijn vrouw, zijn groote wijze teedere handen. Eerst legden ze zich op haar gebogen schouders en dan om haar gezicht, dat hij ophief en waarvan de oogen, bijna blind van tranen, staarden naar het zijne. Toen sloeg hij zijn armen vast, bijna dwingend om haar heen en zijn mond vond de hare met het oude, bijna vergeten, bijna verloren verlangen. En voor Elisabeth viel al de verwikkelde onrust en vrees van weken en maanden weg, voor een gevoel van diepe

[p. 320]

wijde vrede. Voor het zeker weten van hun liefde, het heerlijk veilig besef van hun saamhoorigheid, als die morgen, vijf jaar geleden, op het balcon van de villa Serbelloni.

EINDE

Amsterdam, 1930-1932.

prepostterug  begin