Je merkte het al, wanneer je op de stoep kwam en de bel overtrok. Dan zag je het aan de vele modderplekken op het anders zoo smettelooze hardsteen, een gewirwar van voetafdrukken, groote, kleine, middelmatige, allemaal van plomp uitgeloopen of stukkend schoeisel. Aan het paar havelooze kinderen, dat buiten zat te wachten en zich liet schommelen op de paalkettingen en aan een magere bruine straathond, die met zijn rillend lijf tegen de onderste trede zat aangedrukt en met gespannen bange oogen naar de deur keek.
Het was Woensdag. De dag waarop tante Clara soep uitdeelde aan arme menschen: groote kannen vermicellisoep met veel vleesch aan kraamvrouwen en zieken en blikken emmertjes erwtensoep met worst en kluif voor de anderen.
Zoodra Neel de deur voor Joyce opendeed en ze haar voeten veegde op de groote mat sloeg de weeë, vunze lucht van hun te veel gedragen en te weinig geluchte arme-menschenkleeren haar tegen; achter het gordijntje van de tochtdeur zag ze hen zitten op de banken, die terweerszij van de breede witte gang stonden, twee rijen grauwe, verworden, stomp-gelaten of smartelijk tobbende gezichten, meest vrouwen met vormlooze,
uitgezakte lijven, een paar magere, havelooze kinders, een enkele oude, kromgegroeide man.
Ze liep snel langs hen heen en wenschte hen goedenmiddag met een stem, die geknepen uit haar keel kwam en terwijl ze zich de zijgang dóór naar het kapstokkamertje haastte, voelde ze hun oogen in haar rug, hun jaloersche, critische oogen naar haar wintermantel en haar overschoenen en het bontje om haar hals en de vunze lucht steeg naar haar hoofd, als een damp waarin ze niet kon ademen. Nu zou ze weer de heele verdere dag moeten denken aan die vrouw met het verwonde oog en het gezwollen, wanstaltig rood en paarsig beloopen voorhoofd en aan het kleine jongetje met de twee krukken, wiens magere, machtelooze beentjes als twee zwarte todden van de bank naar beneden bungelden... Ze zou aan hen móéten denken, aldoor... ze zouden met hun ellende kloppen tegen haar gedachten. En ze was juist, terwijl ze de weg van school naar huis liep, zoo prettig en warm en veilig vervuld geweest van het Engelsche boek, waarin ze stilletjes onder natuurkunde had zitten lezen en waarin ze weer wilde lezen, zoodra het koffiemaal voorbij zou zijn; de roman van het lelieblanke hertoginnetje op het kasteel in Schotland met de geschoren grasvelden, de brandende houtvuren, de kameniers, de barzois en de blanke handen; van al wat in het leven mooi, gelukkig en begeerenswaard was... Maar sterker dan de gedachten aan het boek, zou de herinnering aan het verminkte gezicht van vrouw Spits en de beentjes van kleine Barend Kooiman zijn en het machteloos meelij zou weer trekken en kwellen als een schuld, die ze moest inlossen, maar niet kon.
Tante Clara, met haar hooge blauwe schort voor, stond, wat dieper de gang in, te praten met een klein, mager vrouwtje, dat een zuigeling op de arm droeg.
Tante Clara's bleeke gezicht met de fijne aristocratische trekken was heel strak, heel onbewogen; hoe èrger de verhalen van leed en ellende, hoe strakker en bleeker dat fijne gezicht werd.
‘Het waren zeven guldens,’ zei het kleine vrouwtje, ‘van toen ik bij mevrouw Immerzeel met de schoonmaak heb geholpen. Ik had ze tusschen de hemden verstopt, op de bovenste plank, voor als ik met Juni weer in de kraam mot en hij het ze in één dag tot de laatste cent opgezopen...’
‘Ik zal hem onder handen nemen,’ beloofde tante Clara.
‘Daar krijg ik het niet mee terug.’ zei zakelijk gelaten het vrouwtje; ze vertilde de zware zuigeling en liet hem rusten tegen haar heup met de gewoonte-beweging van wie altijd kinderen draagt. ‘En ook het huisraad niet, dat-ie heeft stukgeslagen.’
‘Met je bevalling zal Moederzorg helpen.’
‘Er is geen recht voor ons soort vrouwen.’ zei het kleine vrouwtje triest gelaten.
‘Voor òns soort vrouwen evenmin.’ zei tante Clara met haar bleeke strakke gezicht.
Neel, knorrig en ijverig, sjouwde met de kannen soep.
‘Mot jij dat dragen?’ vroeg ze aan het kind met de krukken. ‘Dat kan je ommers niet.’
‘Ik heb me zussie,’ wees hij op een dreumes van drie.
‘En as ze morst?’
‘Zal ik ommers wel op letten.’
‘Waarom komt je moeder zelf niet?’
‘Ze leit al zeuve weke.’
Ze gingen voetje voor voetje, de jongen met zijn verlamde onderlijf en het kind met de kromme, wankele
beentjes, dat hijgend zwoegde met de te zware kan; twee kinderen in vuile, havelooze kleeren, met ziekelijke lichamen en onverzorgde, bloote hoofden. Joyce keek ze na uit het zijkamertje, een tiental meters verder hielden ze stil, hun beider gretige gezichten bogen naar voren, twee handen graaiden en stopten het vleesch in gulzig happende monden.
‘O dat is slecht!’ een gloed van verontwaardiging kwam in Joyce's wangen... het is toch voor hun zieke moeder. Maar tegelijk dacht ze: wat moeten ze dàn een honger hebben... En wat hebben ze aan die ééne kan soep met hun allen?
De hond, een nog jonge, graat-magere hond met geelbruin krulhaar liep achter de twee kinderen aan en keek bedelend naar hun graaiende handen. Maar de jongen sloeg naar hem met zijn kruk en het dier schoot jankend weg, zocht weer zijn plaats tegen de onderste stoeprand.
Telkens een ander paar plompe, grove voeten in uitgeloopen schoenen strompelde de breede, blauwe stoeptreden af, telkens droeg een paar voorzichtige handen, een kan of een emmertje in een oude doek geknoopt voor zich uit.
Langs het raam, waarvoor Joyce stond, schimden de grauwe, mistroostige of stomp onverschillige gezichten voorbij. Zoo was het elke Woensdag. Elke Woensdag zat de gang vol arme menschen, gedeeltelijk dezelfde, gedeeltelijk weer andere gezichten, de meesten met dat dof-geslagene, sommigen met iets vijandig-loerends... 's Zomers en 's winters ging het door, want zieken en kraamvrouwen zijn er altijd, maar 's winters moesten er vaak keukenstoelen worden bijgezet, want dan dankte de fabriek van Coornvelt een deel van de thuiswevers af en die leefden dan maanden lang van de bedeeling en de liefdadigheid.
Oom Toon Coornvelt zei: ‘ze verdienen 's zomers genoeg, dan moeten ze maar voor de winter sparen.’ Dat had Truus, zijn jongste dochter, die in dezelfde klas zat als Joyce, haar meer dan eens herhaald. Sommigen werden dan door de Diaconie of door liefdadige genootschappen geholpen, maar wanneer de man dronk of schuld had of bekend stond als een vechter of een socialist, hielpen die genootschappen niet en tante Clara hielp iedereen, die arm en in nood was. Daarom zat het altijd zoo vol wanneer ze Woensdags soep uitdeelde... en Vrijdags wanneer ze bonnen gaf voor melk of kruidenierswaren en menigmaal werd er 's avonds heel laat nog gebeld, dan stonden er kinderen op de stoep en zeiden, dat ze de heele dag nog geen eten hadden gehad; die kregen dan boterhammen en een glas melk in de keuken. De dienstboden mopperden daarover, op die manier wist je nooit wanneer je klaar was en juffrouw Clara Coornvelt had de naam, dat ze slecht tweede meisjes kon houden. Maar oude Neel, die een vrome Christin was, vervulde de Samaritaansche plicht ijverig en zonder mopperen, al was het met stugge grimmigheid. Zoodra de laatste klant de stoep afging, begon ze te schrobben en te redderen in de gang..., het raampje van de voordeur stond al wijd open en toch dreef de arme menschenlucht nog tot in de kamers, die kreeg je haast niet weg... soms scheen het Joyce, dat heel het groote oude huis ervan doortrokken was, tot op haar eigen kamer op de tweede verdieping kon ze het ruiken, die lucht van ziekte en armoe en zorg...
Hoe heette toch ook dat parfum, dat Lady Priscilla gebruikte en waardoor Lord Lancelot de Veere wist, dat ze zijn bibliotheek had bezocht in zijn afwezigheid... l'Heure exquise...
Tante Clara stond brood te snijden, toen Joyce de eetkamer binnentrad. Ze had de hooge blauwe schort van de arme-menschen-soep nog voor. Joyce wenschte hevig, dat ze die afdeed. Ze overwoog even of ze het zou vragen, maar ze durfde niet. Tante Clara sneed en smeerde boterhammen, drie heel dikke voor Neel, drie dunnere voor Joyce en zichzelf. Eén met roggebrood, één met een plakje worst, de derde ‘met niets’ zooals alle dagen. Tante Clara vond, dat geen mensch het recht had op meer voedsel dan om zijn honger te stillen en tante Clara hield er geen enkele theorie op na, die ze niet zelf in practijk bracht. Er was een beker melk voor hen allebei en een appel voor Joyce.
Ze zaten zwijgend tegenover elkaar in het hooge met plechtige pracht gemeubelde vertrek, tusschen groote verweerde spiegels en verdonkerde schilderijen in lijsten van dof verguld, op stoelen, waarvan het roode pluche tot op de draad was afgesleten, op een grauw linnen dekkleed, dat de kale plekken in het gebloemde smyrna tapijt verborg. Voor de weidsche, witmarmeren schoorsteen met de reusachtige vergulde pendule en de candelabers onder stolpen, zond een kleine potkachel wat schamele warmte uit. Joyce wist, dat tante Clara zat te peinzen over al de ellende, die voor haar was uitgestort en te tobben over de mogelijkheden om te helpen. Te helpen met raad of rechtskundige bijstand, met een pleit bij oom Toon, of een bezoek aan de pandjesbaas, maar meest van alles: met geld. Geld, dat er nooit genoeg was voor de eindelooze misère van de armen en ouden en gebrekkigen; geld, dat ze altijd weer gaf aan wie er om vroeg en het noodig had, zònder banghartig te rekenen en te overleggen of er genoeg overbleef voor Joyce en haarzelf... want zòò en niet anders wilde Christus immers, dat de rijke zou geven van zijn overdaad...
Joyce vroeg niets, want ze wist, dat ze in de loop der volgende dagen alles zou hooren, dat ze op informaties zou worden uitgestuurd en op ziekenbezoek en dan al de ellende van dichtbij zou zien. En zij wou het maar liever nog niet weten... vanmiddag nog niet, nu ze zoo dolgraag wou lezen in het prachtige boek, dat Truus haar geleend had, weg wou duiken in die àndere wereld van geluk en rijkdom en wondere belevingen van liefde, trouw en zaligheid. Niet denken aan de nood en zorg, de honger en kou van arme menschen, niet denken aan het onrecht, altijd weer het verschrikkelijke onrecht van de rijken jegens de armen, van de mannen jegens de vrouwen... al het schreeuwend onrecht, dat er in de wereld was...
Eenmaal had Joyce haar tante, Dr. Wijsman, op een podium zien staan; voor een zaal vol menschen, jonge menschen, jonge vrouwen vooral, had tante Lize's warme, diepe, overtuigende stem gesproken. Voorbeelden... feiten... onloochenbare waarheden. De taak, die aan het jonge geslacht werd opgelegd, aan de vrouwen, die nu jong waren. Strijd tegen het onrecht. Het onrecht, dat vrouwen lijden onder de wetten, die door mannen gemaakt zijn. Een oproep, een strijdkreet... de vrouwen, die nu jong zijn moeten de groote taak volbrengen. Die moeten het leed en het onrecht bestrijden. Joyce had een visioen van zichzelf gehad: in een toga en een baret, een moderne Jessica. Een gloedvol pleidooi tegen het onrecht. Een stormloop. Maar ze wist in haar hart, dat ze geen tien woorden zou kunnen zeggen, als ze voor een zaal vol menschen stond... zelfs niet als ze die sterke gloedvolle woorden op een papiertje voor zich had. In een wit en blauwe uniform zag ze zich door hooge zalen, langs witte bedden en bleeke gezichten gaan, als dokter... als verpleegster. Leed en
pijn lenigen... was er schooner roeping voor een vrouw? Maar ze wist, dat ze zoo bang, zoo verschrikkelijk bang was voor de bleeke gezichten van zieke menschen, ze was flauw gevallen toen Dora Sluis in de bank naast haar, haar nagel tot bloedens toe geklemd had. En toch... het móést... je moest iets worden in de wereld... iets dóén... je moest je deel van de groote taak aanvaarden. Tante Clara benijdde je daarom... dat je je eigen leven zou kunnen leven... een roeping vervullen in de groote tijd, die komen ging voor de vrouwen.
‘Wil je nog een boterham, Joyce?’
Ze zou er de appel in plakjes op kunnen leggen. Dat smaakte een beetje kil, maar toch beter dan nòg een boterham met niets.
‘Graag tante.’
‘Repetities voor morgen? Fransch? O jee - dan mag je vanmiddag wel flink werken.’
Ze deed zoo haar best om vroolijk en opgewekt te zijn, die goeie tante Clara, maar ze ging zoo gebukt onder al het leed, dat ze haar kwamen vertellen. Dat kòn ze niet van zich afzetten. Ze kòn niet begrijpen, dat er menschen... vrouwen waren, die onverschillig en hard bleven voor het leed, dat door andere vrouwen geleden werd.
‘Heb je gezien, dat vrouw Spits een wond in haar voorhoofd heeft?... Haar man was net drie dagen uit de gevangenis terug... hij kwam dronken thuis.’
De boterham met appel bleef steken in Joyce's keel. Een groote slok melk... Och... ze had het zoo graag nog niet gehoord... nu nog niet...
‘Haar jongetje van zes, dat haar te hulp wou komen, ligt met een gebroken pols in het ziekenhuis.’
‘Is daar niets aan te doen tante?’
‘Wááraan lieverd?’
‘Dat zoo'n kerel... dat die zooiets doet... dat een vrouw dat moet verdragen?’
‘Ze is bij Dorothee geweest. Die zou haar natuurlijk “pro-deo” helpen als het kon. Maar het lichamelijk letsel was nog niet zwaar genoeg om als grond voor echtscheiding te dienen.’
Tante Clara lachte. Een trieste lach, waarbij haar oogen vol tranen schoten.
‘Alle wetten zijn door de mannen gemaakt, Joyce. Het wordt tijd, dat wij ze verbeteren. Jullie zult ze kùnnen verbeteren. De vrouwen van de toekomst.’
‘De kamenier had Lady Priscilla's groen met zilveren saut-de-lit en haar met zwanendons omzoomde muiltjes gereed gelegd; zij trok de groen fluweelen gordijnen dicht en legde een blok op het mat-brandende haardvuur. Tusschen de post, die op het zilveren blad gereed lag, zag zij een groote roomblanke brief, die zij nieuwsgierig bekeek... het zegel van Lord de Veere met de wapenspreuk: Trouw-tot-in-den-dood. Elke dag kwamen er minstens vier van zulke brieven...’
Joyce zat in de vensterbank in haar geliefkoosde houding, met de beenen onder zich gekruist. Op de eene knie lag de Fransche grammatica, op de andere Lady Priscilla's boeiende geschiedenis.
Er stond geen kachel in het kleine zijkamertje, want behalve het keukenfornuis brandde er nooit meer dan één kachel tegelijk in tante Clara's huis; Joyce had een oude wollen omslagdoek om haar smalle schouders geslagen.
Groen fluweelen gordijnen en een lamp met een goudgele kap... haar vlugge, altijd gereede fantasie meubelde Priscilla's kamer tot in de kleinste details. Meubels van dat licht-bruine, glanzend gepolitoerde hout, ahorn heette
het, ze had er voor een paar weken zulke prachtige platen van in de Studio gezien. Lage diepe stoelen van... nee, niet àlles van datzelfde matte groen... van beige fluweel met dof gouden kwasten... In een héél lage stoel lag zoo'n kussen in de vorm van een bloem, een reusachtige theeroos met bladen van roomgeel satijn, die naar het hart toe roze-rood werd. Ze wist precies hoe ze zoo'n kussen moest maken... Kòn ze er maar eens een maken, met die vlugge handige vingers van haar... die hun weg van zelf schenen te vinden tusschen fijne zachte kostbare stoffen, die wisten te plooien, te vouwen en te schikken, zóó, dat de uitkomst haarzelf telkens weer verraste en verrukte. Werken met je handen... terwijl je gedachten droomen en zweven langs alle prettige, mooie dingen. Mooie dingen maken... denken, weten hoe je een kamer mooi zou kunnen maken van licht en kleur en schikking der meubelen. Hoe kleeren mooi zouden kunnen zijn, niet door zinlooze in-elkander rijgsels van strooken en ruches en kanten, maar door lijnen, die de bouw van een slank bevallig lichaam volgden, door kleeren te doen passen bij een persoonlijkheid. Lady Priscilla in abrikooskleurig satijn met een sleep van goudbrokaat... tante Clara in zwart fluweel met een hooge kraag van echte kant, zooals Sarah Bernhard droeg op die foto in De Prins; Joyce zelf op het gymnasiastenbal in helgroene taf, een rok van wel twintig strookjes en kleine poffende mouwtjes en een puntig décolleté...
Ze ging natuurlijk niet naar het gymnasiastenbal. Tante Clara vond bals een onbegrijpelijk en minderwaardig genoegen voor een modern jong meisje en een gedécolleteerde japon een schandelijk speculeeren op lagere instincten; ze had er eigenlijk niet goed over durven beginnen. Met die oude jurk van twee jaar ge-
leden, waar de zoom was uitgelegd en die haar te nauw was over de buste, zou ze toch immers onmogelijk kunnen gaan. Het was bovendien maar heel gelukkig, dat ze niet wou en niet zou... want als je zoo klein en nietig was als zij, zoo hopeloos verlegen en zóó zwijgzaam wanneer er grappen en dwaasheden van je werden verwacht, deed je veel beter...
Le participe passé des verbes irréguliers tenir, courir et souffrir...
Pas drie dagen was de man van vrouw Spits uit de gevangenis. En dat kleine jongetje van zes... had zijn moeder te hulp willen komen. Zoo'n klein jongetje van zes, dat er bij is... het ziet... dat zijn vader zijn moeder ranselt en dan door de dronken vader zóó in een hoek wordt gesmeten, dat hij zijn pols breekt. Als ze eens naar hem toeging in het ziekenhuis en hem een boek bracht... ‘De Avonturen van von Münchhausen’ of ‘Met een kwartje de wereld rond’? O, waarom was ze zoo ellendig bang voor menschen? Voor zoo'n zaal met bedden en in elk bed een paar oogen, dat naar haar keek. Voor de zusters, die haar critisch en verwonderd zouden ondervragen: ‘Waarom komt u hier? Bent u familie van dat jongetje?’
Ze zou weer zoo verlegen zijn, dat ze geen woord uit haar keel kon krijgen, als ze naast zijn bed zat, ze kende de ervaring maar al te goed van vorige gelegenheden. Tante Clara zei: ‘daar moet je tegenin. Je màg niet zoo'n angst voor de menschen hebben... Alle menschen zijn broeders... alle menschen zijn goed, alleen de omstandigheden maken soms, dat ze slechte dingen doen.’
Maar de man van vrouw Spits, was zoo'n man ‘goed?’ Oef, ze wou er niet meer aan denken. Wat gaf het of zij er haar kostelijke vrije middag mee vergalde?
Wat gaf het of tante Clara haar eigen leven versomberde door altijd maar te tobben over de ellende van anderen? Er was toch ook schoonheid en blijheid in de wereld. En geluk en liefde...
‘Lady Priscilla greep met trillende handen naar de brief, die op het zilveren blad lag, ze scheurde haastig de roomkleurige, met roze vloei gevoerde enveloppe open en haar groote, amandelvormige oogen vlogen over de inhoud. Dan bracht ze de woorden, die de bekentenis van Lancelot's liefde bevatten aan haar trillende lippen. O mijn liefste, mijn liefste! En tòch is het een waan, een onmogelijkheid, fluisterde zij hartstochtelijk, terwijl ze in het lage stoeltje voor de haard zakte en zich de kostbare stola van lichtbruin bont van de schouders liet glijden...’
Een kostbare stola van lichtbruin bont... Joyce tuurde peinzend naar buiten. Lichtbruin bont tegen het roodgoud van Lady Priscilla's haar, zou dat wel mooi zijn? Maar wat was dat? Daar làg lichtbruin bont... daar, tegen de onderste stoeptree als een vormloos hoopje. Lichtbruin krullend bont... maar vol zwarte plekken van modder en regen... Droomde ze? Opeens begreep ze het... wat daar lag was die zielige bruine hond, die daarstraks bij de soepuitdeeling voor de stoep had staan wachten. Die achter de jongen met de krukken was aangeloopen... met zijn hongerige neus achter de geur van vleesch en soep... Een hond, die blijkbaar bij niemand hoorde. Geen thuis had. Een verschoppeling. Een zwerver. Ineengerold... een hoopje ellende in de kou. Hoe lang zwierf zoo'n dier? Waar bleef hij 's nachts? Waar vond hij voedsel?... En als hij niets vond... wat dan...?
Souffrir - souffrant - souffri... nee, souffert... De ellende van de menschen en de ellende van de die-
ren. Van de verwaarloosde, afgebeulde, getrapte dieren.
Honden onder karren. Kalveren met de pooten saamgebonden op wagens gestapeld. Kippen samengeperst in manden, waar hun koppen hulpzoekend doorstaken. De muis, die Neel levend in het vuur had gegooid. De ellende van de dieren... De wreedheid van de menschen tegen de dieren. Je moest maar probeeren er niet aan te denken. Je kon het al bijna niet dragen wanneer je aan alle ellende van de menschen dacht... als je óók nog ging denken aan die van de dieren... Maar Joyce hield veel méér van dieren dan van menschen. Zij had een schuwheid, een stille besloten waakzaamheid, een verzwegen vijandigheid jegens de menschen, die tante Clara verbaasde en bedroefde. Joyce geloofde in haar hart niet aan de goedheid van de menschen al was tante Clara daar nòg zoo vast van overtuigd. Hoe konden menschen, die dieren kwelden goede menschen zijn? De menschen, die zoo'n hond buiten de deur trapten... al waren ze zelf arm en hadden ze honger...
J'ai souffert, tu as souffert, il a souffert...
Joyce had haar leven lang zoo verschrikkelijk veel van dieren gehouden. Van de poesen en duiven en Guineesche biggetjes en de twee groote Deensche doggen, waarmee ze daarginds in Bloemfontein was opgegroeid. De dieren waren altijd haar vrienden geweest. Zou die stakkerd van een hond erge honger hebben? Kijk, nu hief hij z'n kop op en keek naar haar of hij stellig iets van haar verwachtte. Als ze hem eens een paar oude sneden brood ging brengen of een stuk vleesch, dat Neel wel in de keuken had? Maar als hij dan heelemaal niet meer weg wou? Tante Clara hield niet erg van honden. Ze vond honden onzindelijk en lastig. Neel zei: ‘ik heb hier al mijn handen vol met de menschen.’ En Joyce wist, dat wanneer ze naar buiten liep om de hond wat
eten te brengen, er dadelijk kinderen, straatjongens, nieuwsgierigen om haar heen zouden komen staan, die zouden vragen, spotten en om haar lachen... Hoe goed herinnerde ze zich van vroegere ervaringen het ellendige, benauwende verlegenheidsgevoel, de kwelling van oogen, die priemden in haar rug, op haar handen, op haar roodgloeiende gezicht. Och... die hond zou straks wel weggaan, hij zou wel ergens een thuis hebben... en anders zouden andere menschen zich wel over hem ontfermen. Joyce wisselde haar plaats in de vensterbank zoodat ze met haar rug naar hem toezat en zijn goedige kop met de stille melancholieke oogen niet meer hoefde te zien.
Lady Priscilla... Haar vingers slopen, als deden ze iets schuldigs, naar de laatste bladzijde van het boek... Tòch... tòch kregen ze elkaar... Er waren nog honderdvijftig zalige bladzijden van leed en liefde voor het zoo ver was. De Fransche grammatica gleed op de grond. Kasteelen, jachtpartijen, champagne, butlers en dogcarts, roode lippen en marmerblanke halzen... vurige, smeekende oogen... zelfbeheersching en edelmoedigheid... trouw tot in de dood...
Er was opeens een groot gerucht over de stille gracht en een tiental meters verder groepten gebarende, schreeuwende menschen om iets, dat op de grond lag. Tusschen ruwe kijvende stemmen snerpte het wilde radelooze kermen van een dier. En een koude, dreigende hand greep om Joyce's hart en kneep het samen. Daar lag het hoopje lichtbruin bont midden op de straat... de hond... de zielige hond, die ze niet had willen helpen, die ze uit lafheid haar rug had toegekeerd. Overreden door de groote zware bierkar van Stevens, die altijd met zoo'n woeste vaart de brug afkwam en voor geen
mensch of dier uit de weg ging. En al de menschen - waar kwamen ze zoo gauw vandaan? - stonden te kijken en deden niets... hielpen niet... praatten, schreeuwden tegen de knecht van Stevens, die er met de handen op de heupen bijstond.
‘Ik moet er heen... nu móét ik... tusschen al die menschen, vreemde vijandige, spottende menschen... Ik móét helpen... die arme kermende hond helpen... Ik zou willen wegloopen, maar er is een onweerstaanbare macht die mij duwt, de kamer uit, de gang door... de stoep af...’
De voerman van de kar van Stevens, een groote reus van een sjouwer met een blauwe voorschoot en roodbeloopen oogen had juist genoeg van het gepraat en gegil, de verwijten en beschuldigingen over zijn woest rijden. Als het nog langer duurde, kwam er een agent en maakte proces-verbaal op en zijn geweten voelde vèr van zuiver. Met een groote onverwachte zwaai pakte hij de kermende hond in zijn reusachtige handen en met nòg een zwaai smeet hij hem in de gracht. Het kermen hield plotseling, als op commando, stil.
‘Dood gaat-ie toch en zoo is-ie het gauwste uit zijn lijden. En nou vooruit, loop dóór, of ik sla d'r op,’ dreigde hij het volk om hem heen.
Ze waren bàng van hem. Hij heette ‘de kop van Jut’, omdat hij zoo sterk was. Hij vocht op elke kermis. Er was gesmoord gemompel, gelach en gespot. ‘Het is ommers maar een beest,’ zei hij met een ruwe lach. ‘honde te over op de wereld.’ Met zijn groote armen baande hij zich een weg; de menschen en kinderen weken uiteen. Ze waren bang... iedereen was bang voor die groote vent met zijn roode gezicht en zijn stoppelige roode baard en zijn handen als kolenschoppen.
Een straatjongen gilde ‘beestenbeul’ en holde zóó hard weg, dat zijn klompen een roffel sloegen.
Maar toen opeens stond Joyce Coornvelt met haar kleine figuurtje en haar wapperende blonde haren voor de groote kerel. Vlak voor hem. Zoo dicht, dat ze zijn zware ademen hoorde en de geur van zijn kleeren, van paarden, bier en stroo haar als een lijfelijke dreiging tegemoet sloeg.
‘Haal die hond eruit, het is beestachtig van je om hem in het water te gooien. Hij is niet dood. Hij zwemt nog, dat ziè je. Haal hem eruit, zeg ik je! Haal hem eruit. Dadelijk!’
De knecht van Stevens raakte zijn overwinnaarshouding kwijt. Zijn langzaam brein woog de kansen, de mogelijkheid om die kleine furie met één duw opzij te schuiven, de andere mogelijkheid van een klacht bij de politie uit het rijkeluishuis, waar ze hoorde. ‘Hij is ommers al dood...’ weerde hij met een schouderschok en vergeefs probeerde hij zijn arm los te maken uit de greep van haar twee kleine handen, die hem als schroeven omklemden.
‘Hij is niet dood! Dat zie je! Hij zwemt nog... kijk, hij kan niet meer, hij begint al te zinken! Maar helpen jullie dan toch menschen. Haal hem eruit! Heeft dan niemand van jullie meelij?’
‘Laat hem toch verzuipen, juffrouw. In een paar tellen is hij dood en uit zijn lijden.’
‘Nee! Zóó niet! Zoo niet!’ De tranen stroomden opeens over Joyce's gezicht. Radeloos, machteloos had ze de sterke groote kerel losgelaten; nu stond ze vlak bij het water, waar de hond vocht om de armzalige rest van zijn leven, zwom met zijn gekneusde overreden lijf, met alleen nog zijn ruige kop boven water. Hij zwom naar de plaats waar zij stond, hij keek haar aan... met
een stomme radelooze angst, met een smeeken om hulp in zijn bruine ronde oogen... En niemand van al deze menschen wou helpen... waren ze dan allemaal zóó hard, zóó onverschillig en wreed...?
Nog twee tellen en Joyce lag op haar knieën aan de waterkant in de modder, in het vuil... en dan schoof ze plat op haar buik vooruit en hing zóó ver over de kant, dat haar handen de zwarte waterspiegel raakten. Ze voelde dat iemand haar beenen pakte en vasthield. Ze hoorde kreten: ‘Kijk nou es!’ ‘Vooruit maar!’ ‘Toe maar meid!’ Ze hoorde hysterisch lachen en ratelen van wielen... de bierkar die wegreed... Ze strekte haar handen naar de bijna zinkende hond... nog verder moest ze voorover. ‘Pas toch op juffrouw! Voor zoo'n beest. 't Is zonde en schande!’
Dáár had ze hem bij zijn ruige, gladnatte vacht. O, groote hemel wat was hij zwaar! Ze kon hem niet tillen... onmogelijk... ‘O God help me... help me..., help me!’ bad ze vurig. En dan nog eens greep ze de hond in zijn nekvel vast en spande de spieren van haar armen en bovenlijf... ze trok en worstelde... nu hielpen er een paar handen mee... Nòg eens... nog éénmaal... ‘God help me... o, alstublieft, alstublieft maak mijn armen sterk genoeg...’
Met de rillende, druipende hond in haar armen, tegen haar met modder en straatvuil besmeurde blouse-en-rok gedrukt, krabbelde Joyce overeind en stond in een kring van menschen, straatjongens en verschrikte kleine kinderen. Zwijgende, starende menschen en kinderen... sommigen dom grinnikend, maar de meesten met een stil, ontroerd ontzag op hun verbaasde gezichten. En opeens overviel haar de oude verlegenheid, de vreeselijke gewaarwording, dat ze daar stond als een middelpunt, zij, Joyce Coornvelt uit het groote deftige grachtenhuis;
dat ze op haar buik in de modder had gelegen om een zwervende hond uit het water te halen en nu al die oogen naar haar gezicht priemden, naar haar natte bemodderde kleeren, haar verwaaide, tegen haar verhit gezicht klevende haren.
En toch was het ànders dan alle vroegere verlegenheid, want er was tegelijk een heerlijk gevoel van overwinning, van iets te hebben volbracht - alléén - zónder hulp van anderen. Ze voelde blijde verbazing over zichzelf: Dat heb ìk gekund... dus ik ben toch niet zoo ellendig laf en schuw en bang als ik altijd van me zelf heb gedacht. Met het half doode, afgemartelde dier in haar armen, stapte Joyce de straat over en naar huis, over de stoep, die Neel juist weer smetteloos schoon had geschrobd, door de wit marmeren gang... de trap op naar haar eigen kamertje. En aldoor was er dat heerlijke gevoel in haar hart, zoo rijk, zoo warm, zoo groot en vol als zij het nooit nog had gekend, een bijna niet te dragen deernis, maar tegelijk de zekerheid om te kunnen troosten, koesteren en helpen. En terwijl zij de hond droogde en in een deken pakte om hem te warmen, stroomden er woorden van haar lippen, kleine gebroken Engelsche woorden van liefde en teederheid... ze wist het zelf nauwelijks... ze realizeerde niet, dat het woorden waren uit haar eigen kindertijd, die bijna vergeten, diep verstopt in haar herinnering hadden gelegen. Kleine, dwaze, gebroken liefdewoorden, die ze haar moeder had hooren fluisteren, wanneer zij als een kleine hulpelooze dreumes pijn of verdriet had gehad.