terug  begin  verderprepost
[p. 196]

Elfde hoofdstuk.

In de eetkamer, waar een behaaglijk vuur in de haard vlamde, waar het naar versche koffie rook en een bleeke morgenzon door de ruiten scheen, zat oom Henry achter het uitgespreide blad van de Daily Mail, toen Joyce er de volgende morgen binnenkwam, bleek en nerveus, na een bijna slapelooze nacht, waarin ze koortsig over de voorbije avond en over haar toekomstige belevingen had liggen denken.

De dames des huizes kregen steeds haar ontbijt op bed, maar Joyce, die elke morgen vroeg met haar hond uitging, placht daarna gedurende het lang en uitgebreide breakfast tegenover haar oom te zitten, te luisteren naar zijn opinies over de politiek van de dag en verslag te doen van haar eigen wederwaardigheden. Oom Henry Cornfelt had, ondanks zijn verengelscht voorkomen, vele typisch-Hollandsche eigenschappen behouden en één ervan was, dat hij nieuwsgierig was en graag alles wist van een anders doen en laten en hij kon zich, ondanks de spot van zijn vrouw en dochters, niet schikken in het standpunt, dat moderne jonge meisjes volkomen onafhankelijke wezens waren, even goed in staat om op zichzelf te passen als de mannen, naar wie ze vroeger om steun en bescherming hadden opgezien.

Wat moest Joyce zeggen, wanneer hij haar vroeg,

[p. 197]

waarmee ze gisteren haar avond had doorgebracht? Ze zou maar iets verzinnen van een bezoek aan een schilderesje, dat ze op Gloria's atelier had leeren kennen. Maar als hij dóórvroeg, zoo'n bui had, dat hij alle details wou weten, zou ze zich vast en stellig verraden! Oom Cornfelt vroeg voorloopig echter niets. Hij lepelde zijn porridge met de eene hand en hield de uitgespreide courant in de andere, terwijl zijn driftig keelschrapen en grommend mompelen bewezen, dat hij iets las waarover hij zich zeer verontwaardigde. Pas toen Rosa, die hupsch, vlug en keurig als elke morgen het ontbijt bediende, zijn bord weggenomen en een goudgele ‘kipper’ voor hem had neergezet, barstte hij opeens met een vuistslag op de tafel uit: ‘Nou begint het toch waarachtig de spuigaten uit te loopen! Hebben we een regeering van suikerpoppen of van kerels van vleesch en bloed? Zullen ze die furies voortdurend laten doen, wat ze zich in haar krankzinnige koppen halen, tot Engeland de risée van heel Europa is geworden? Met een hondenzweep! Met een hondenzweep heeft dat wijf, die furie, in een vergaderzaal om zich heen geslagen en een half dozijn mannen buiten gevecht gesteld... Het staat er woordelijk... een half dozijn mannen, vóór ze kans zagen haar beet te pakken en onschadelijk te maken!’

Joyce voelde, dat ze purperrood werd. Ze grabbelde onder tafel naar haar servet. Wat moest ze in 's hemelsnaam doen? Iets zeggen of zwijgen? Keek hij naar haar? Zag hij haar roode gezicht, dat alles verraadde? Neen, gelukkig keek hij weer in zijn krant, zijn lippen waren schamper omlaag getrokken, zijn wenkbrauwen één booze borstel boven zijn turende oogen. Rosa, die zijn kop bij het buffet had volgeschonken, kwam naar de tafel en zette die naast zijn arm en opeens zag Joyce,

[p. 198]

dat Rosa net zoo rood zag en blijkbaar even verontwaardigd was als zijzelve. Hun oogen troffen elkaar... en toen begonnen die van het dienstmeisje opeens half verlegen te lachen en te tintelen in haar blank-en-roze poppengezichtje en Joyce, die haar als alle leden van de familie nooit anders dan als een voortreffelijk functionneerende automaat had beschouwd, schrok er zoo van, dat ze zich hevig brandde aan haar gloeiend heete koffie.

Driftig begon Henry Cornfelt zijn visch van de graten te schuiven en in zijn slecht verhaspeld Engelsch met de zware Hollandsche tongval, die hij nooit had verleerd, vond hij telkens weer nieuwe ruwe en grove scheldwoorden aan het adres van het ‘manwijf’, voor wie de galg te goed was om haar te hangen en aan dat van de regeering, die te slap was om aan de terrorisatie van een handjevol hysterische vrouwen een eind te maken... Die verdomde conservatieven, die ze vast en zeker bij de naaste verkiezingen zouden duikelen.

‘Als Tom's partij, de liberale, maar eenmaal de meerderheid heeft, dan zullen we wel zorgen, dat er een eind komt aan die mensch-onteerende toestand...’

‘Bedoelt u,’ vroeg Joyce zoo zacht en schuchter als ze kon, ‘dat de liberalen dan de vrouwen het kiesrecht zullen geven?’

Oom Henry rimpelde zijn forsche neus. ‘Vermoedelijk zal het daar op de duur van komen. Een heel beperkt kiesrecht natuurlijk. Alleen aan de vrouwen, die een vermogen bezitten of een academische graad..., misschien zelfs aan alle vrouwen, die kostwinners zijn. Méér begeeren de verstandige voorstanders zelf niet. Maar eerst voor al moet de nieuwe regeering toonen, dat ze de baas is en aan het drijven en stoken van die oproerkraaisters snel en grondig een eind maken, en be-

[p. 199]

sluiten tot de eenig afdoende maàtregel, die allang zou zijn genomen, wanneer ze hier niet zoo verdomd bang waren zich aan koud water te branden..., de vijf of zes leidsters, die al de rest als makke schapen aan touwtjes houden, deporteeren...’

Opeens stonden de wonderlijke, opwindende scènes van de vorige avond met scherpe duidelijkheid voor Joyce's oogen. Het was zelfs of ze nu nog ontelbare kleinigheden zag, die haar toen waren ontgaan. Ze voelde weer de sfeer van gespannen, als geladen geestdrift... Mrs. Pankhurst met haar perkamentig, bleeke gezicht en haar hypnotiseerende oogen en haar stille, witte handen op de leuningen van haar stoel; en Jane Taylor's gelaat als een masker binnen de zwachtels en het fier gebaar, waarmee ze haar grijsflanellen mouw had opgeschoven om de bloedige striemen te laten zien.

‘Deporteeren,’ herhaalde oom Henry en zijn groote hand, die altijd de vorm en de kleur van een werkmanshand had behouden, reikte naar de goudbruine toast in het zilveren standaardje, ‘op een goed, stevig oorlogsschip naar een of ander eiland in de Stille Zuidzee. Onbewoond hoeft het niet te zijn, geef ze voor mijn part een paar duizend inboorlingen om tot het vrouwenkiesrecht te bekeeren, maar stuur ze zoo ver weg, dat hier in het land weer rust en vrede komt.’

Hij vouwde zijn krant ineen en dronk het laatste restje van zijn koffie. Dan nam hij op zijn langzame, omslachtige manier een sigaar uit zijn dikke leeren koker, sneed er met een gouden mesje de punt af en ontbrandde hem aan het vlammetje, dat Rosa reeds gedienstig voor hem bereid hield.

‘En tòch was hij een revolutionnair, toen hij jong was,’ dacht Joyce met een mengeling van minachting en medelijden. Weer stond het beeld van Jane Taylor

[p. 200]

scherp in haar herinnering en ze wist elk woord, dat Jane als een dreigende profetie gezegd had over de oorlog van de seksen en de haat, die ontbrand was.

Oom Cornfelt stond op, met zijn langzame gewichtigheid van zwaarlijvig man en het dienstmeisje, met haar goedgedrilde automatische manieren, trok zijn stoel achteruit en wenschte hem een hupsch ‘Good morning’, voor ze de deur achter hem sloot.

Een klein, blauwgrijs wolkje van zijn geurige havanna hing nog boven de tafel en erboven zag Joyce de oogen van Rosa, die verlegen en weifelend, maar toch vol spanning en vol heimelijk plezier naar haar keken.

En terwijl ze, verbaasd en onzeker haar hand naar de Daily Mail strekte, begon het dienstmeisje opeens hakkelend en haastig: ‘De krant liegt... zoo is het niet gebeurd, ze liegen altijd, als ze wat van de Suffragettes vertellen. Ik ben erbij geweest, Miss! Jane Taylor was geweldig... als een tijger heeft ze gevochten, tegen wel honderd mannen! De vergadering was in ons district, ik had mijn vrije avond en van mijn zuster gehoord, dat Jane met nog andere Suffragettes zou komen, om Lloyd George in de rede te vallen en hem het spreken onmogelijk te maken, dus wist ik, dat het de moeite waard was om er heen te gaan. Ik zal u wat vertellen, Miss Joyce: wanneer de heeren van het Parlement Mrs. Pankhurst, Christabel en Jane Taylor lieten deporteeren... al was het naar het andere eind van de wereld - dan zouden ze, vóór het drie maanden verder was, tòch weer terug zijn en op Trafalgar Square staan redeneeren - tegen de slimheid van de Suffragettes kunnen al de mannen van Engeland niet op!’

‘Ken jij Jane Taylor dan? Hoor jij dan bij de Suffragettes, Rosa?’ Joyce's oogen gingen wijd van verbazing langs het primme zwarte japonnetje, de hooggehakte

[p. 201]

schoentjes en het kanten schortje; ze vond Rosa altijd net een dienstmeisje uit een comediestuk.

‘Of ik Jane ken!’ zei Rosa trotsch. ‘Ze is uit onze straat, haar moeder had tien kinderen en haar vader was de ergste dronkenlap uit de buurt, voor hij aan delirium is gestorven; het was een vreeselijk arm huisgezin. Jane is arbeidster in een spinnerij geweest en toen propagandiste tegen de alcohol en toen heilsoldaat en ze weet beter dan iemand, hoeveel ellende en armoe er onder de arbeidsters in Londen geleden wordt. Door háár zijn alle vrouwen in ons district op de hand van de Suffragettes... stilletjes natuurlijk, want wij meisjes zouden dadelijk uit onze betrekking ontslagen worden als onze mevrouwen het wisten en de getrouwden zouden slaag krijgen, als hun mannen haar erop betrapten. Maar we lezen het blaadje en als we kunnen, gaan we naar de meetings en we geven geld, als ze komen collecteeren. Want vroeger dachten we, dat het vrouwenkiesrecht alleen iets voor de rijke dames was, maar Jane heeft ons geleerd, dat we allemaal mee moeten helpen, want dat de wereld pas goed en rechtvaardig zal zijn als de vrouwen “the Vote” hebben. O, ik zou dolgraag in een optocht meeloopen en me laten oppakken en naar de gevangenis gaan. Want als je er uit komt, staan ze je allemaal op te wachten met bloemen, dan rij je door de stad in een rijtuig met vier paarden en 's avonds staat je portret in de krant!’

Rosa sprak gewichtig en plechtig, met een pathos of ze voor een auditorium stond en bij haar laatste enthousiaste zinnen, schoten Joyce opeens de schampere woorden van Tom in de gedachte: ‘Juist goed genoeg om dienstmeisjes en flappers op te winden en mee te slepen,... geen mensch met levenservaring en wereldwijsheid vliegt daar nog in.’ Neen!... ze wòù niet

[p. 202]

denken aan Tom's hatelijke en smadelijke woorden...

Rosa bracht de zilveren fruitschaal en als gaf de bekendheid met Jane Taylor aan Joyce het recht op extra bediening, legde ze de mooiste en grootste appel op haar bordje.

‘Ik had al dikwijls gedacht,’ zei ze, ‘dat u er net een was om bij de Suffragettes te hooren; op de bazars en de partijen van de dames hier had u toch geen plezier en u hebt net een gezicht om in een optocht te loopen en naar de gevangenis te gaan.’

‘Waarom?’ Joyce voelde zich tot haar ergernis heftig kleuren, ze was niet gevleid met het oordeel, ze kreeg bijna spijt, dat ze zoo onengelsch was geweest om aan tafel een conversatie met het dienstmeisje te beginnen.

Maar Rosa ging op haar eigen gedachten door. Als u ooit de ruiten in Downing Street ingooit of meedoet met een ‘raid’ op ‘the House of Commons’ en als u dan wordt opgepakt, zal ìk zoolang voor de hond zorgen. Dan neem ik hem mee naar mijn zuster als mevrouw hem hier niet houden wil, dat beloof ik u plechtig, dan doe ik op mijn manier toch ook wat voor ‘the Cause’.

Joyce mompelde wat met een gesmoorde stem, ze voelde een verwarde dankbaarheid, die ze onmogelijk kon uiten. Want een verschrikkelijke werkelijkheid overviel haar: als ze zich bij de Suffragettes aansloot, zou het ook háár lot worden om naar de gevangenis te gaan... en daar kon ze Lancelot niet meenemen, dan zou ze van de hond moeten scheiden. Dat kòn niet, dat leek ondenkbaar en toch, tòch... Mrs. Pankhurst en Jane Taylor hadden het gezegd en Evelyn had het bewezen... een Suffragette moest elk offer kunnen brengen...

Haar hand zocht naar de kop van de hond, die hij op haar schoot had gelegd, dadelijk voelde ze zijn zachte natte neus, die om een liefkoozing vroeg en de tranen

[p. 203]

sprongen haar in de oogen. Ze kon niet van Lancelot scheiden... ze zouden allebei doodgaan van heimwee, Lancelot was het liefste, dat ze op de wereld had... Tom Cornfelt had het zoo goed begrepen, dat ze meer van het dier hield, dan van eenig mensch.

In de eetkamer was het behagelijk warm, de appel, die ze met het zilveren mesje aan stukken sneed, geurde naar zon en zomer, roze anjers in een zilveren vaas spreidden hun glanzende weelde uit. Hoe was ze ongemerkt gewend geraakt aan het leven in dit rijke huis, aan de gemakkelijke, oppervlakkige genegenheid van zijn bewoners, aan de vrijheid om precies te doen en te laten wat ze verkoos. Nadrukkelijk, bijna dreigend had Jane Taylor gezegd, dat een Suffragette afstand moest doen van alle weelde, dat ze moest gehoorzamen zonder vragen en alle persoonlijke belangen offeren voor het groote doel.

‘Dacht je soms, dat het een aardige afwisseling zou zijn op de bazars en de drawing-rooms van Bessie Trelawney?’ Hoe schamper en ruw had Jane Taylor's stem geklonken. Ze hield niet van haar, ze had angst voor haar gevoeld en toch een vreemde, onontkoombare aantrekkingskracht. Maar ze kon nog terug! Niemand kon haar dwingen om vanmiddag naar Clement's Inn te gaan, het hoofdkwartier van de Suffragettes, waar Jane haar besteld had. Niemand eischte het van haar... ze had geen belofte gegeven... niemand kon haar dwingen naar de gevangenis te gaan en Lancelot alleen te laten. Er waren er zooveel... honderden,... duizenden meisjes en vrouwen deden reeds mee en honderden andere stonden bereid... sterkere, flinkere dan zij... Wat kwam het er op aan, wat kon het helpen of Joyce Coornvelt meeging in de Kruistocht van de vrouwen? Maar terwijl ze haar gedachten dwong tot die weer-

[p. 204]

stand, terwijl ze nuchter poogde te zijn en schamper verstandig, wist ze, dat dit alles buiten haar werkelijk willen omging,... diep in haar hart was geen aarzeling en geen twijfel meer... het móést... ze hoorde erbij.

Het was het oude wonderlijke gevoel, dat ze al gekend had in haar prille kinderjaren... van een onweerstaanbare macht, die haar duwde, die haar dwong om te volbrengen wat haar schuwe aard niet durfde... Gezonden te zijn om te helpen. Ze had de hond op haar schoot getrokken en haar armen heel vast om hem heengeslagen, ze legde haar kin op zijn ruige kop. Hij zat heel stil, roerloos en weltevreden in de warme koestering van haar armen. En ze zei tot zich zelf, met de sentimenteele verteedering, waarin ze zich zoo graag liet verglijden, dat hij begréép... dat een hond véél meer begreep en wist dan menschen dachten...

prepostterug  begin  verder