terug  begin  verderprepost
[p. 240]

Veertiende hoofdstuk.

Joyce was dankbaar toen de andere groep eindelijk aanstalten maakte om te vertrekken. De wijzerplaat van Big Ben was verlicht, een teeken, dat het Parlement nog steeds vergaderde; het was kwart voor tien. De spanning was in de laatste minuten tot in het ondragelijke gestegen, want het tumult werd nog aldoor sterker. Hoewel Jane had verboden om door een kier van het gordijn te zien, overtrad toch telkens iemand dat gebod en naar het fluisterend verslag luisterden de anderen in bevende spanning: de bereden politie had een charge gemaakt en de linkerhelft van het plein schoongeveegd, daareven was een aantal Suffragettes, elk door twee agenten onder de arm gepakt, in versnelde pas weggevoerd... Plotseling klonken er felle, bijna juichende kreten, maar het was te vol, te donker en te woelig om te kunnen onderscheiden wat er gebeurde...

‘We gaan! Het oogenblik is gekomen!’ zei plotseling Jane Taylor's luide stem. Ze wenkte Joyce naast zich... ze was de kleinste en jongste van allen, een halfvolwassen kind met haar regenmantel en haar muts; en aan haar andere zij gebood de leidster een armoedige, bejaarde arbeidster, die hooge schouders had en er zwak en ziekelijk uitzag. Jane hield, naar Joyce wel wist, veel van zulke ‘effecten’.

[p. 241]

Toen de vrouwen uit de omveiliging van haar schuilplaats op straat traden, was reeds op de trottoirs het gedrang zoo hevig, dat het een onmogelijkheid scheen zich een weg te banen. Dadelijk drongen de kijkers op toen ze een nieuwe groep met paars-wit-en-groene sjerpen zagen naderen, er klonken wilde hoera's en kreten van aanmoediging of het een wedstrijd gold, die gespeeld en gewonnen moest; er was geen vijandigheid, maar een ruw, opgewonden plezier om de Suffragettes te helpen in het voorwaartsdringen, tot ze de open ruimte van het plein hadden bereikt.

Zij liepen in groepjes van drie en hielden elkaar zoo stevig mogelijk vast; Jane had haar arm om Joyce's schouder geslagen, ze voelde hem als een balk in haar rug. Eerst moesten ze worstelen tegen een muur van donkere, lauw-warme, muf-ruikende gestalten, tusschen lachende, schreeuwende, grotesk vertrokken gezichten door, die angstwekkend dicht naderden, dan werd het gedrang zoo groot, dat ze als van de grond werden opgetild en naar adem snakten. Maar dan opeens week de menschenmenigte uiteen en Jane duwde Joyce met zulk een snelheid vooruit, dat ze vreesde over haar eigen voeten te zullen struikelen. En plotseling was er een wijde open ruimte, ze liepen op het plein, op het vochtige donkere asfalt, waarin de booglampen spiegelden. ‘Vooruit! vooruit! Gauw nu! Harder loopen!’ beval de leidster en gedrieën, steeds elkaar vasthoudend, begonnen zij te hollen.

Joyce had nooit geweten, dat ze zoo hard loopen kon, ze hoorde Jane's hijgen en hoe de oude vrouw aan Jane's arm moeizaam en als smartelijk steunde. Eenmaal zag Jane om, zonder haar snelheid te verminderen... ‘Er is niemand meer achter ons... de anderen hebben het opgegeven, wij zijn de eenigen, die zijn door-

[p. 242]

gedrongen...die een kans hebben... vooruit... vooruit!!’

Was Parliament Square altijd zoo reusachtig geweest? Het scheen Joyce, dat ze al minutenlang geloopen, gedraafd en gehold had, of ze het laatste restje van haar adem al verspild had en nóg waren de verlichte vensters van het indrukwekkende gebouw even ver en ongenaakbaar, als toen ze er door de kier van het lancaster gordijn naar spiedde. Maar het plein bleef leeg, het volk, dat gilde, joelde en juichte, stond ver weg tegen de uiterste huizenrijen gedrongen; nog waren de agenten niet te zien...

En dan werd het of haar bonzende, hamerende hart stilstond en zou springen in haar hijgende borst. Van terzij naderde het, als opgetooverd uit de grond... geweldig en vreeselijk als een helle-visioen: de groote, donkere paardenlijven, de daverende hoeven en de starre ruiters met de harde, grimmige gezichten... Nog waren zij ver weg... een eindeloosheid van leeg asfalt scheidde hen... en een seconde later waren zij al zoo dicht bij, dat het snuiven en brieschen in haar ooren drong. En nóg een seconde en zij hadden met een roekeloos snelle zwenking de drie vrouwen omsingeld. De dampende, zweetende paardenlijven drongen nader, genadeloos nader om haar in te sluiten; Joyce hoorde met een onbegrijpelijke gespannenheid elk klein geluid afzonderlijk: het tinkelen van de bitten, het knarsen van de zadels, het mompelend bevelen van de kerels, die hun groote, grove gezichten reeds voorover bogen. Zij drukte zich dichter tegen Jane aan, want aldoor nog was Jane's arm als een onwrikbare balk tegen haar schouders, nog aldoor joeg Jane vooruit, zij mompelde korte, felle woorden... waren het vloeken of flarden van een gebed? Nu duwde zij Joyce tegen een dier zwarte heete paardenlijven aan... en opeens kreeg het meisje een radelooze angst opgesloten te zijn en niet weg te kunnen, een dol-

[p. 243]

zinnige angst, die ze nog eens, juist zóó had doorleefd, ze wist niet meer waar... of wanneer... ze wist alleen, dat dit de dood was, die naderde. En dan, plotseling, liet Jane haar vrij, Jane's arm in de grijze blouse hief zich hoog door de lucht, een zilveren handvat fonkelde, er was het suizend, zwirrelend geluid van een geweldige zweepslag... dan een kreet als een gil van triomf. Het paard, dat zij geraakt had, deed een wilde sprong en begon woest te steigeren, de ruiter, die zijn evenwicht verloor, trachtte secondenlang vergeefs het verschrikte dier te overmeesteren.

Er was plotseling een bres in de onwrikbare wal van paardenlijven, er was een oogenblik van verwarring, waarop de geweldige kerels niet gerekend hadden; en tegelijk al had Jane, met ongelooflijke behendigheid haar twee partners door de bres heengeloodst. ‘Vooruit!’ hijgde haar bevelende stem tot Joyce, ‘nog maar honderd meter naar de Strangers Entrance! Run!’

Weer lag een wijd stuk vreemd-leeg, donker asfalt voor Joyce uitgestrekt, maar nu bleken de vensters van het parlementsgebouw plotseling vlakbij, en vlakbij de Strangers Entrance, die haar bij de voorbereiding voor deze aanval nauwkeurig was uitgeduid... Ze liep alleen, maar ze wist precies wat haar te doen viel, wanneer het haar gelukte het heiligdom binnen te dringen; reeds kon ze de hooge, blanke, corridor onderscheiden, er liepen slechts enkele suppoosten heen en weer... er heerschte zulk een sereene kalmte, of heel het wild en wreed tumult op het plein een booze droom was. Waren zij niet achter haar? Wist Jane, met haar zweep, hen het voortgaan te beletten? Nog hoorde ze het kloppende, dreigende geluid der hoeven niet. Of gebruikten die kerels al hun krachten om Jane te omsingelen en te overmeesteren?

[p. 244]

Ik heb een kans! drong het opeens in Joyce's bonzend hoofd, ik heb een prachtige kans om binnen te dringen, misschien ik alleen van al de Suffragettes...! Daar is de gang, daar de steenen trappen... daar is de glazen deur en daarachter zitten zij... daar moet ik mijn petitie binnen gooien en éénmaal ‘Votes for Women!’ schreeuwen... met alle adem, die er nog in mijn gloeiende, hijgende longen is... Eenmaal ‘Votes for Women!’ En dan mogen zij mij grijpen en wegsleuren en dan...

Ze rende al door de hooge vestibule, die ze nog precies kende van de vorige week, toen de Suffragettes er als gewone sight-seeërs een heimelijke repetitie hadden gehouden en Jane haar alles nauwkeurig had ingeprent. Nu vloog ze de treden op... ze struikelde, stootte haar knie, maar ze voelde de felle pijn nauwelijks. Daar was de glazen toegangsdeur al dicht in haar bereik... nog twintig meter en zij had hem bereikt... nog tien passen... ‘Votes for Women...! Votes for...’

Van alle kanten sprong het nader, tegen haar aan... over haar heen. Het was of wel duizend handen haar grepen, of wel duizend woedende, wreede en wilddreigende gezichten naar haar overbogen... Weer struikelde zij, maar een ruwe hand greep haar arm en weer joeg, als daareven tusschen de paardenlijven, felle radelooze angst in haar op... Als de woeste wiekslag van een geweldige, zwarte vogel sloeg die angst over haar oogen en zij voelde zich vallen... vallen en verzinken, terwijl er nergens een houvast was...

 

In een deftig gemeubeld vertrek zat ze op een breede, zachte rood-fluweelen bank en overal langs de vier muren stonden zulke banken en wijde stoelen; voor de vensters waren zware, donkere gordijnen dichtgeplooid. In het midden stond een ronde sofa en even vroeg ze zich af

[p. 245]

of ze in de wachtkamer van een station was. Iemand boog zich over haar heen en hield een glas tegen haar lippen, ze slikte gulzig en voelde de brandende, tintelende drank door haar keel glijden en tegelijk werd ze zich een felle pijn in haar linkerknie bewust en een zwaar dof gevoel in haar rechter schouder; ze wou met haar hand langs haar voorhoofd strijken, maar ze kon haar arm nauwelijks optillen, zoo zwaar was hij...

De man, die het glas had vastgehouden, trad opzij; hij droeg een jas met glimmende knoopen, ze had dadelijk begrepen, dat hij een agent was en haar gearresteerd had en naar de politiepost zou brengen... O, hoe verschrikkelijk verlangde ze opeens naar de rust en de veilige omsluiting van de gevangenis, wat was ze moe... zoo domp en geslagen moe, of ze nooit meer op zou kunnen staan van die zachte fluweelen bank...

Maar nu trad de agent opzij en ze zag, dat er op een afstand, achter in de zaal eenige heeren stonden, die gedempt met elkander praatten. Zij hadden hun handen in hun zakken en sigaretten of sigaren tusschen hun lippen, sommige van hen waren in avondkleeren. Zij keken naar haar, sterk geïnteresseerd, met een mengeling van afkeer, spot en belangstelling op hun onderzoekende gezichten... ze keken, zooals menschen kijken naar een vreemd en misschien gevaarlijk beest, dat juist is gevangen en onschadelijk gemaakt. En op hetzelfde oogenblik voelde zij, dat haar muts achterin haar nek hing, dat heur haar was losgeraakt en wild en slordig langs haar gezicht slierde en toen ze haar oogen neersloeg, zag ze hoe haar regenmantel van boven tot onder was doorgescheurd, terwijl van haar blauwe rok een groot flard afhing en haar eene mouw tot boven de elleboog verdwenen was.

En al die mannen staarden naar haar en zagen dat

[p. 246]

alles en fluisterden hun commentaren en Joyce voelde weer haar oude verschrikkelijke verlegenheid... het afschuwlijke besef volslagen belachelijk te zijn en zich niet te kunnen verbergen... genadeloos blootgesteld te zijn aan harde, spottende, minachtende oogen...

En twee van die oogen leken nader te komen, groenbruine, diepliggende oogen in een hardbelijnd, verweerd gezicht, dat scheen te zweven en weer te verdwijnen tusschen de andere. Ze kon er haar blik niet van weg houden en toch kon ze het niet duidelijk onderscheiden. Ze deed een wanhopige poging haar hand naar haar hoofd te brengen, te strijken over haar doffe voorhoofd en werkelijk, nu herkende ze dat eene gezicht tusschen de vele andere... Ze wist het opeens met een afschuwelijke vernederende ontsteltenis: de man, die daar tusschen zijn correcte, nieuwsgierige collega's stond, ver van haar weg, alsof ze een gevaarlijk of onrein beest was, dat men het veiligst op een afstand kon beschouwen... was Tom Cornfelt.

‘Bent u al fit om naar de politiepost te loopen?’ vroeg de agent, die het glas aan haar lippen had gebracht. Ze knikte en probeerde op te staan, maar wee en duizelig grepen haar handen naar steun, hulpeloos zakte ze weer op de bank, terwijl ze hoorde hoe een paar van de heeren lachten.

‘Nou, wacht dan nog maar een poosje,’ gaf hij barschgoedmoedig toe. ‘We kunnen vanavond op straat geen flauwvallen gebruiken.’

De toeschouwers - ze begreep nu dat het parlementsleden waren, die van haar vergeefsche overval hadden gehoord en nieuwsgierig spottend naar de gevangen Suffragette kwamen kijken - slenterden langzaam, pratend en grappen makend weg; zij bleken niet langer geïnteresseerd in het geval en de constable gelastte

[p. 247]

Joyce zich uit te strekken op de bank, opdat ze uitgerust zou zijn, wanneer hij haar over een half uur kwam halen. Ook hij en zijn collega verdwenen en in het verlaten vertrek viel een stilte, die het meisje als een weldoende, intens-begeerde ontspanning voelde. De politiemannen hadden haar gewaarschuwd geen poging tot ontvluchten te wagen, daar de gang vol suppoosten stond en ze had niet de minste neiging om het te probeeren. Ze voelde een koude, nijpende angst, wanneer ze aan het plein met de opdringende paarden en de joelende schreeuwende menschen terugdacht, het scheen een woeste, vreeselijke droom... alleen de pijn in haar knie en haar schouder waren werkelijkheid... ze sloot haar oogen en dacht aan de donkere, veilige cel op de politiepost als aan een verlossing.

 

En toen stond hij voor de bank, waarop ze zich had uitgestrekt. Zijn schaduw viel over haar heen en zij wist, dat híj het was, nog voor ze haar oogen opsloeg. Maar ze wist ook, met een plotselinge, tergende helderheid in haar moede, verslagen gedachten, dat hij daareven, in het bijzijn van zijn collega's, niet had willen weten, dat hij haar kende; dat hij zich voor haar schaamde en had gewacht om met haar te spreken tot al de anderen waren weggegaan. En met een bruuske beweging hief ze zich rechtop en terwijl ze zich de wilde, slierende haren uit het gezicht streek, trachtte ze hem moedig en uitdagend aan te zien.

‘Een plezierige avond gehad?’ vroeg hij op zijn schamperste toon, terwijl hij met de handen in de zakken van zijn dinner-jacket op haar neerkeek. ‘Geniet je nu van het superbe gevoel, dat je je nuttig hebt gemaakt voor de gemeenschap?’

O... wat zou ze hem een hooghartig en snijdend ant-

[p. 248]

woord willen geven...! Zoo'n antwoord als Jane altijd bereid hield, maar ze kon geen woord over haar bevende lippen krijgen, ze staarde voor zich uit, met neergeslagen oogen, als een dom, stout kind, dat een reprimande van de meester krijgt.

‘Hebben mijn ouders een vermoeden hiervan?’

‘Neen.’

‘Wat ben je dan van plan te doen? Je weet toch, dat je van de politiepost direct naar Holloway vervoerd wordt?’

‘Ik heb hun een brief geschreven en alles uitgelegd. Die krijgen ze morgen.’ Onder haar nog altijd neergeslagen oogen gluurde ze naar hem. Naar de diepe voor tusschen zijn wenkbrauwen, naar het booze licht in zijn oogen.

Waarom bleef hij daar staan? Waarom ging hij niet weg, zoodat ze haar doodmoede lichaam op de sofa uit kon strekken?

Toen zette hij zich naast haar, zoo dicht bij haar, dat ze de geur van lavendel en sigaretten weer rook en een stroom van herinneringen zich los maakte en door haar moede, half versufte brein begon te jagen. De eetkamer in tante Bessie's huis en de groote, zachte zakdoek waarmee hij haar tranen had gedroogd, en de taxicab waar ze haar hoofd tegen zijn schouder had gelegd en gelukkig was geweest, als nog nooit in haar leven. O!! Ze wou er niet aan denken... zij wist maar al te goed, hoe week en machteloos die herinnering haar maakte... ze had toen immers nog niet geweten wie hij was... dat ze hem moest minachten en haten. Waarom ook weer...? Och ja... omdat hij Evelyn Dawson wreed en slecht behandeld had... omdat hij een bekrompen, tirannieke man was, die zijn vrouw had willen beletten om een Suffragette te zijn en haar het kind had afgenomen,

[p. 249]

omdat hij de schandelijke, door mannen gemaakte wetten op zijn hand had.

‘En wat moet er nou van die hond worden?’ vroeg hij plotseling, terwijl hij zich voorover boog, om haar in het gezicht te zien.

Met groote oogen staarde ze naar hem. Dat was als een aanval in haar rug; ze kon zich wapenen en verweren tegen zijn spot, maar nu sprongen haar opeens de tranen uit de oogen en rolden langs haar brandende wangen in haar mondhoeken..., het hielp niet of ze er tegen vocht en slikte en knipperde... Haar zakdoek? Och, groote hemel, die, van alle dingen, had Rosa vergeten haar mee te geven... daar had hij de zijne al uit zijn zak gehaald... en daar veegde hij al met het zachte geurige linnen over haar natte en natuurlijk verschrikkelijk vuile gezicht...

‘Ik zal de hond wel bij mij thuis halen. Dan kan hij met mijn twee jachthonden in de kennel zijn. Anders zou hij hoogstwaarschijnlijk heimwee krijgen en doodgaan... Het dier schijnt verschrikkelijk aan jou gehecht te zijn.’

Zij kon alleen maar knikken, zoo week en ellendig voelde ze zich... en zoo wanhopig verlangend om even haar hoofd tegen zijn schouder te leggen. Zijn arm gleed om haar hals. En nu... o, ze vreesde èn hoopte het... nu zou hij haar naar zich toetrekken en kussen... en al haar wilskracht, al haar verzet vloeiden weg, als zand uit een gespleten zak. Hoe dikwijls had ze aan dat oogenblik teruggedacht en de wilde weelde ervan opnieuw beleefd en het beschaamd en vernederd verdrongen! Hoe zacht en dwingend waren zijn lippen geweest, hoe plagend en streelend was die groote, fijngepunte knevel, hoe zacht zijn stem, die toen zulke heerlijke, dwaze, vleiende dingen had gezegd.

[p. 250]

Maar waarom maakte hij daar plotseling zoo'n bruusk gebaar, trok zijn hand weg of hij gestoken was? Ze begreep het onmiddellijk met een vlijmende schaamte... hij had de dikke proppen watten over haar schouders gevoeld en het breede stuk karton, dat haar rug moest beschermen. Luid en hoonend lachte hij, terwijl hij een eind van haar wegschoof.

‘De wapenrusting van de Suffragette! Heb je misschien ook blikken platen over je schenen Joyce, en peper in je zak om in de oogen van je aanvallers te gooien? Heb je daarstraks op het plein gebeten en gekrabd, zooals dat hoort voor een echte “hooligan” of met een hoedenpen in de paardenlijven geprikt en de agenten hun haren uitgetrokken, terwijl ze probeerden je te arresteeren?’

‘Dat zijn gemeene lage leugens!’ barstte ze razend van woede en vernedering uit. ‘Lasterpraatjes uit de kranten, die door de regeering zijn omgekocht om alles wat de Suffragettes doen, te verdraaien of belachelijk te maken. Het is een groote nobele strijd, die wij vechten... en met geen andere dan eerlijke wapens!’

Hij was opgesprongen van de bank en op een vijandige afstand stond hij voor haar, met een bleek vertrokken gezicht, met zijn kaken in nerveuse woede op elkander geklemd.

‘Kind dat je bent! Dom, klein meisje, heb je nu nóg niet achter die poppenkast leeren kijken? Ben je er met al je Hollandsche nuchterheid nog altijd dupe van? Votes for Women! De strijd tegen de onderdrukking, hè? Een troep straatjongens, die met los kruit op een fort staan te schieten en denken, dat de bezetting wel bang zal worden van het lawaai, dat ze maken. Maar kind, begrijp jij dan nog altijd niet wat die strijd in de grond beteekent, wat daar allemaal onder zit aan

[p. 251]

jaloerschheid en haat van oude vrijsters, van al die onaantrekkelijke vrouwen, naar wie nooit een man gekeken heeft en die nu voor het eerst een kans zien om weg te komen uit de hoek, waar ze vertrapt hebben gezeten! Ach... wat kan een idealistisch kind als jij daar ook van begrijpen? Van al die geknauwde eerzucht, die verdrongen, verkrachte instincten, die verschrikkelijke jaloezie van de leelijken voor de anderen, die mooi en begeerd zijn... Van haar haat tegen de mannen, die hun versmaad hebben en op wie ze zich zouden willen wreken met honderd geraffineerde pijnigingen, wanneer ze werkelijk eens de macht kregen, die ze met zoo'n onschuldig woord “stemrecht” hebben genoemd! Macht... dat is immers waar in hoogste instantie haar heele nobele strijd om gaat...!’

‘Het is niet waar,’ trachtte ze zich nog eens te verweren, maar half fluisterend nu, want bang voor de sombere hevigheid van zijn woorden. ‘Het is een eerlijke strijd met een hoog doel... ik zou niet meedoen, als ik dat niet stellig wist...’

‘Och, wát weet jij! Wat weet en begrijp jij van het leven zooals het werkelijk is... onder de korst van fraaie leuzen en klinkende frazes uit de boeken. Weet jij wat van de strijd tusschen de seksen... die er altijd geweest is en altijd zal zijn... ook al zou het nog eens zoo ver komen, dat man en vrouw kwasi-gelijken zijn. Of misschien dan juist... want om macht draait tenslotte alles in de wereld, en om macht gaat het in ieder huwelijk, in iedere verhouding tusschen twee menschen. Pas als er om die macht gestreden moet, komen de diepste instincten los...’

Had hij dan toch gelijk met zijn vlijmende, cynische woorden? Was dit niet hetzelfde wat Jane Taylor op die eerste avond had gezegd... de oorlog van de seksen

[p. 252]

die tot het bittere einde uitgevochten moest? Maar nu zei Tom, dat er geen einde wás. Weer wreef ze met haar hand over haar voorhoofd, als om de nevels voor haar denken te verjagen...

‘De macht van elke vrouw schuilt in haar zwakheid, Joyce, in haar teederheid en haar afhankelijkheid. Een klein meisje, dat met een betraand gezichtje hulp vraagt om naar een verloren hond te zoeken, heeft honderdmaal meer macht over een man dan een furie, die er trotsch op is, dat ze met tien politieagenten heeft gevochten. Ik zal je een raad geven, my dear girl... een goede raad voor je je zelf heelemaal vergooit aan dat leger van hysterische dwazen: laat het aan je leelijke en onaantrekkelijke zusters over, om voor het kiesrecht te vechten. Gebruik jij maar de macht, die in die groote naïeve oogen van je is... en in dat zachte, ranke lichaam van je en in dat trotsche mondje, dat toch zoo duidelijk verlangt om gekust te worden... Begrijp je het? Als een vrouw die macht bezit, heeft ze geen kiesrecht noodig!’

Waarom zei hij dat alles? Was het een hulde of een beleediging? Waarom zei hij dat afschuwelijke en toch heerlijke, terwijl hij op die verre, koele afstand bleef staan... en toch wist, dat haar lichaam zacht en rank was en haar lippen zoo verschrikkelijk verlangden?

Er is geen liefkoozing in zijn oogen, zijn woorden zijn geen vleiende vraag, schamper monstert hij haar en hard en bitter heeft zijn stem geklonken. En toch... toch... wat hij daar zei... was dat niet de tooverspreuk tot alle heerlijkheden van het leven... de sleutel tot de wondere wereld, tot het geluk waarvan ze zooveel boeiende beschrijvingen heeft gelezen? Was ze dus niet zoo nietig en onaantrekkelijk als ze altijd vast gemeend had? Zou ook zij die wonderbaarlijke macht bezitten,

[p. 253]

waarom ze Gloria en Lady Priscilla en zooveel anderen zoo hevig heeft benijd...? Tom heeft het gezegd en zij voelde, dat hij het meende..., maar hij zei het niet met een verlangend gebaar en hij keek niet naar haar met een deemoedig hunkerende blik; hij staat voor haar met zijn handen onverschillig in zijn zakken en hij monstert haar, zooals daarstraks die anderen, zooals zij zoo vaak de oogen van mannen naar de Suffragettes heeft zien kijken, met een verachtende, hooghartige nieuwsgierigheid...

En opeens schiet haar het bloed heet in de wangen, ziet ze zichzelf zooals hij haar moet zien, met dat opgestopte, vormlooze lijf, met losse slierende haren, met gescheurde kleeren, afgezakte kousen en een bemodderd, bezweet gezicht. Is ze daarstraks moedig en trotsch geweest? Heeft ze gemeend, dat dit een groot en heerlijk gebeuren zou zijn? Maar ze heeft zich immers nog nooit zoo brandend beschaamd en afschuwelijk vernederd gevoeld... nooit zoo vurig verlangd met haar handen een gat te kunnen graven om erin te verdwijnen. En door haar wild zwervende gedachten dringt opeens de herinnering aan een half vergeten, lang geleden gehoord verhaal: van een vrouw, die naakt aan een schandpaal te kijk werd gesteld, omdat een man meende, dat ze haar vrouweneer bezoedeld had.

 

Dan wordt er geklopt, zacht en zeer nadrukkelijk en ofschoon Tom onmiddellijk ‘come in’ roept, gaat de deur pas vele seconden later open. De politieman steekt voorzichtig zijn hoofd naar binnen en op zijn boersche gezicht ligt merkbare verbazing, wanneer hij het parlementslid met zijn rug naar hem toe gewend, in aandachtige beschouwing van een tegen de wand bevestigd reglement verdiept ziet.

‘Ik moet de dame naar de politiepost vervoeren, Sir.

[p. 254]

Maar misschien wilt u mee gaan om een cautie te stellen, dan kan ze vanavond nog vrij...’

‘No thank you,’ valt Joyce hem hard en schril in de rede. En ook Tom zegt:

‘No thank you, constable,’ en dan zakelijk tot haar: ‘Ik zal morgen informeeren tot hoelang je veroordeeld bent en dan de hond halen om voor hem te zorgen.’

Moest ze ook die welwillendheid niet trots en schamper afslaan? Ach, maar het gaat om Lancelot... om het liefste wat ze in de wereld heeft en hoeveel beter is het dier bij Tom, met andere honden samen, dan bij die vreemde, onbekende menschen, naar wie Rosa beloofd heeft hem mee te nemen.

‘Thank you, Tom.’

‘Good night Sir.’

‘Good night.’

En terwijl zij de kamer doorloopt, met de agent vlak op haar hielen, staat Tom nog aldoor met zijn handen in de zakken voor dat reglement, met zijn smalle, lange rug hooghartig naar haar toegekeerd.

 

Buiten is het plein nog vol tumult. De laatste deputatie van Suffragettes is in haar aanval gestuit en aan alle kanten draven donkere gestalten van agenten met een weerstrevende, half gesleepte vrouwenfiguur tusschen zich in. Onbeweeglijk staat weer de starre rij van donkere paardenlijven tegen de hekken van het Parlementsgebouw. De wijzers op de verlichte toren van Big Ben melden dat het kwart over elven is. Maar het schijnt Joyce, dat er jaren zijn verloopen sinds ze daarstraks, met Jane Taylor's arm als een balk in haar rug over ditzelfde plein is gegaan... Dat ze toen nog een naïef en idealistisch meisje was en nu een vrouw, die door een bittere ervaring wijs is geworden.

prepostterug  begin  verder