terug  begin  verderprepost
[p. 280]

Zeventiende hoofdstuk.

‘Je moet me niet kwalijk nemen, dat ik zoo kom binnenvallen, maar ik moet je man noodzakelijk spreken,’ zei juffrouw Clara, terwijl ze zenuwachtig haar bril aftrok, die besloeg van de warmte in Flora Coornvelt's pronkend-rijk gemeubelde huiskamer. Flora, die in haar hooggerugde stoel voor de groote, vierkante tafel zat en met de krant voor zich uitgespreid, heimelijk een uiltje knapte, keek verschrikt en ontstemd, ze vond zeven uur, vlak na tafel, geen uur voor bezoek, zelfs niet voor een lid van de familie.

‘Toon doet zijn dutje en dat heeft hij wél noodig,’ zei ze weinig vriendelijk. Ze wou er bijvoegen: ‘Je kunt beter op een ander uur terugkomen’; maar toen viel het haar op, hoe bleek en ontsteld haar nicht er uit zag. Ach, Clara maakte zich nog ziek en heelemaal van streek met al haar getob en gezorg voor arme menschen, natuurlijk kwam ze weer bedelen om ziekengeld of een extra kindertoeslag.

‘Kom je soms weer voor dat gezin van Bergkamp?’ vroeg ze terwijl ze moeizaam door haar rheumatiek opstond, om een stoel aan te schuiven en critisch en medelijdend keek ze naar het afgedragen, zwarte kapothoedje en de groenig-grijze ouderwetsche mantel, waarvan de voering, nu Clara hem terugsloeg, vol verstelde

[p. 281]

stukken bleek te zijn. En toch verzekerde Evert Immerzeel, die de nalatenschap van Professor David had geordend, dat Clara zeer behoorlijk zou kunnen leven, wanneer ze niet zoo dwaas was het grootste deel van haar vermogen aan liefdadigheid te spendeeren. Verleden jaar nog had ze een groot legaat van tante Keejetje gekregen, dat ze, tot ergernis van de familie, meteen tusschen ‘Armenzorg’ en ‘Hulp voor Onbehuisden’ verdeeld had!

‘Nee, nee, daarvoor kom ik niet,’ weerde Clara nerveus af en ze draaide de stalen bril tusschen haar zwartgaren handschoenen, waarvan de toppen gestopt waren. ‘Ik kom... ik wou spreken... ik ben zoo vreeselijk... vreeselijk ongerust over Joyce. Er schijnt iets te zijn... ongenoegen, moeilijkheden met de familie van Hein... waar ze, zooals je wel weet, sinds verleden najaar in huis is.’

‘Of ik dat wéét!’ zei Flora spits en hooghartig; haar oogen puilden van popelende nieuwsgierigheid. Wat wás Toon woedend geweest, toen hij hoorde, dat Clara die logeerpartij heelemaal buiten hem om bedisseld had. Hij en zijn broer in Engeland waren al jaren gebrouilleerd, sinds Hein bij zijn huwelijk met die rijke vrouw Engelsch burger was geworden, en steeds geweigerd had weer in de Hollandsche fabriek terug te komen, zooals zijn oude vader zoo vurig had gewenscht.

Het had geen pas gegeven, dat Clara, zonder er Toon als het hoofd van de familie in te kennen, op haar eigen houtje de relatie weer had aangeknoopt; Toon had er haar duchtig de les over gelezen. Bovendien vond Flora het indecent; al was het vele jaren geleden, iedereen wist, dat er een liefdeshistorie was geweest tusschen de eenige dochter van professor David en de zoon van Abraham Coornvelt; het gaf toch geen pas voor een

[p. 282]

ongetrouwde dame op haar oude dag zoo'n relatie nog eens aan te knoopen.

Doch toen Joyce in het begin opgetogen brieven aan Truus schreef, met lange verhalen over grootsche partijen en ruischende sleepjaponnen en een butler en een vergulde harp, was Flora's ergernis tot woede gestegen; een woede, die meest van al haar man gold, omdat hij die oude malle veete al niet lang vereffend had. Hun dochters Truus en Nancy waren er toch waarlijk nader toe geweest dan dat half vreemde kind, om van die Engelsche familie te profiteeren en eens een poos te logeeren in dat rijke huis.

Clara had een verfrommelde brief uit haar rokzak gediept en een tweede papier, dat zij, even verkreukt, voor zich op tafel legde, bleek een telegram... Weer begon Flora te popelen... Er scheen waarlijk iets van belang gebeurd te zijn!

‘Je schoonzuster, de vrouw van Hein, is een strijdster voor het vrouwenkiesrecht. De heele familie trouwens maakt zich daar druk mee en Joyce deed dapper mee, dat kon ik begrijpen, dat is niet anders te verwachten nietwaar, dat in deze tijden een jong meisje zich voor de vrouwenkiesrechtstrijd interesseert en bereid is er haar beste krachten aan te geven. Al kon ik die Engelsche propaganda met bazars, avondpartijen en muziekuitvoeringen niet billijken, ik heb haar rustig haar gang laten gaan.’

‘Nancy is hier lid van de Bond,’ zei Flora terwijl ze het spirituslicht onder haar zilveren theeketel aanstak en met haar zakdoek een spatje wegveegde van het smetteloos gepoetste metaal. ‘Ik ben er natuurlijk tegen; toen er laatst een lijst voor een vergadering rondging, heb ik achter mijn naam gezet: “komt stellig niet”; maar je volwassen dochters doen tegenwoordig zooals

[p. 283]

ze zelf willen nietwaar, en het vrouwenkiesrecht zit nu eenmaal in de lucht, de een maakt er de ander gek mee.’

‘De laatste tijd scheen Joyce er erg in op te gaan. Ze schreef over meetings, waar een geweldige geestdrift heerschte en over optochten met vaandels en banieren. Dan deed ze me sterk aan haar vader denken... die kon net zoo mateloos enthousiast zijn, toen hij jong was.’

‘En is nooit wijzer geworden,’ vulde Flora in gedachten aan, maar terwille van het bleeke, zorgvolle gezicht tegenover haar, sprak ze het niet uit.

‘Toen kreeg ik een brief, waarin ze schreef, dat ze zich bij de Suffragettes had aangesloten, dat was een heel andere vereeniging dan die waarvan Heins vrouw presidente is... aan tante en oom had ze dat nog niet verteld, die begrepen het mooie doel niet en waren er sterk tegen gekant. En pas in deze laatste brief stond, dat ze ook aan mij niet alles had durven schrijven, omdat ze bang was, dat ook ik er een verkeerd denkbeeld van zou hebben, omdat er allerlei leugens en scheeve voorstellingen over de daden der Suffragettes in omloop zijn...’

Flora had het vreemde woord eerst niet verstaan... nu Clara het de tweede maal noemde, begreep ze het pas en haar gezicht schoot er purperrood van.

‘Maar groote God... Clara... dat is iets verschrikkelijks! De Suffragettes... dat zijn een soort van manwijven, die met politieagenten vechten en steenen uit de straten breken om er ramen mee in te smijten. Ik heb er wel eens wat van in de krant gelezen en in Nancy's blaadje van de vrouwenkiesrechtbond staat ook wel eens wat, dat het een schande is, zooals die de naam van onze sekse door de modder slepen en de zaak voor de anderen in discrediet brengen...’

[p. 284]

Weer frutselden Clara's zwartgehandschoende handen nerveus aan de bril en moeizaam diepten ze naar de groote rouwgerande zakdoek om het glas te betten en haar roodbehuilde, zorgelijke oogen.

‘Ik heb er ook wel eens zoo iets over gelezen, maar ik geloof dat allemaal niet... Zooals Joyce erover schreef, over die toewijding en offervaardigheid... de groote strijd tegen het onrecht, een Kruistocht van de vrouwen... Ik kan best begrijpen, dat een jong, idealistisch meisje daar geestdriftig voor is... ik heb gedacht, hoe graag ik zelf daaraan had meegedaan, als ik nog jong was geweest...! Wat een geluk zou ik daarin gevonden hebben!’

‘Dat ontbrak er nog net aan!’ ditmaal hield Flora de overdenking niet terug en het klonk schril en fel; ze herinnerde zich best uit haar meisjestijd hoe de jongedames Coornvelt zóó van de nieuwe emancipatiezucht bezeten waren geweest, dat toen de heele stad er schande van sprak. Drie hadden zich als naaister gevestigd, omdat ze niet van de familie afhankelijk wilden zijn en de dochter van dokter Wijsman was van huis weggeloopen, omdat ze voor dokter wou studeeren! Zij, Flora, ging in die dagen al met Toon, ze wist nog best, hoe verontwaardigd hij erover placht te spreken, hoe hij haar beloven liet, dat zìj er zulke kuren nooit op na zou houden!

Haar man schoof juist op dat oogenblik de suitedeuren vaneen en knipperend tegen het licht, nog rood van zijn slaapje en met zijn grijze kuif slordig overeind drentelde hij op zijn sloffen naar binnen. ‘Waaraan zou jij meedoen als je nog jong was?’ herhaalde hij de laatste woorden van zijn nicht.

Maar toen zijn vrouw de reden van Clara's bezoek gewichtig begon te vertellen, trok zijn gezicht hard en stuursch. ‘Wat had je het kind ook naar die verdomde

[p. 285]

rijke boel te sturen?’ formuleerde hij tenslotte het verwijt, waaraan, naar hij wel wist, de logica ontbrak; maar Clara - dat wist hij ook - was niet gewikst genoeg hem daarop te vangen. Zij tobde op haar zorgelijke gedachten door, terwijl zijn vrouw over de theekop, die ze hem reikte, met ijverige mimiek ‘haar eigen schuld’ betoogde.

Juffrouw Clara trachtte zich tegen het verwijt te verdedigen. ‘Ik dacht dat Hein's vrouw en zijn dochters moderne vrouwen waren, dat ze hooge idealen dienden en haar beste krachten gaven aan werk voor de gemeenschap. Ik was overtuigd, dat Joyce daar de liefde en belangstelling voor sociaal werk zou krijgen, die haar hier ontbrak. Toen ze in het begin over al die pracht en luxe schreef, over al de bedienden en avondpartijen en mooie kleeren, heb ik me erg bezorgd gemaakt, maar de laatste tijd voelde ik, dat ze op de goede weg was...’

‘'t Is maar wat je de goede weg wilt noemen,’ zei Toon met zijn ruwe grappigheid, blazend over zijn thee. Hij dacht aan Bessie Trelawney, zooals hij haar jaren geleden, vóór de brouille met zijn broer, in haar prachtige Londensche huis had leeren kennen. Een mooie, donkere vrouw; een vrouw als een koningin, vroolijk en fleurig, maar een mannetjesputter, waarmee je beter kon eten dan vechten. Bij de herinnering verduwde hij een lachje onder zijn grijze snor. De goeie Hein, die een en al bewondering en vereering was, lag toen al voor een oortje thuis; zij nam de beslissingen of het om een whistpartijtje of om een nieuwe villa ging en beheerde zelf haar geweldig fortuin. Een Engelsche zakenkennis had hem later eens verzekerd, dat Bessie Trelawney alleen met die Hollandsche socialist was getrouwd, omdat hij niet als al haar andere

[p. 286]

aanbidders achter haar geld aanzat. Maar Clara, die altijd met haar hoofd in de wolken liep, had een verheven bondgenootschap uit dat malle huwelijk geborduurd.

‘De omgeving deugde niet voor Joyce,’ zei Clara met een ongewone heftigheid in haar anders zoo zachte stem. ‘Je kunt God niet dienen en de mammon tegelijkertijd. Dat heeft het kind gevoeld, al kon ze het misschien niet zoo onder woorden brengen. Daarom zal ik haar nooit verwijten, dat ze een andere weg zocht. Maar aan het eind van haar brief... daarvan ben ik zoo geschrokken... daarom kwam ik hierheen om jouw raad te vragen, Toon... schrijft ze, dat ze diezelfde dag met een groot aantal Suffragettes een aanval op het Parlement zou ondernemen, waarbij ze hoogstwaarschijnlijk zou worden gearresteerd en veroordeeld tot eenige weken of misschien máánden gevangenisstraf.’

‘Hè?!!’

‘Wàt zeg je?’

Toon en Flora schreeuwden het tegelijk, de een spottend ongeloovig en de ander schril van verbaasde ergernis.

‘Maar dat kàn toch niet!’ begon Flora snel en druk te praten, ‘dan moet je er toch dadelijk heen gaan, om dat te voorkomen, Clara, en haar terug halen... Dat zou toch uitlekken, dat zou bekend worden en een verschrikkelijk schandaal geven in de familie en in de heele stad.’

De tranen liepen langs juffrouw Clara's fijne, aristocratische gezicht. De schande - ze was genoeg het kind van haar vader, om dat als iets ontzettends te voelen dreigen.

‘Och, hou toch je mond,’ viel Toon grof over zijn vrouw's zenuwachtige stem heen. ‘Komt Clara bij jou

[p. 287]

om raad of bij mij?’ Hij legde zijn groote grove hand op de zwarte handschoenvingers. Al was Clara dikwijls lastig en koppig met haar eeuwig gebedel voor haar armen en zieken, hij had als àlle mannen in de familie, in zijn hart een verschrikkelijk groot respect voor haar.

‘Ik verwijt het mezelf zoo, Joyce is nog zoo jong,’ zei Clara snikkend. ‘Ik had alles beter moeten bedenken, haar vader wist óók nooit, wanneer zijn geestdrift over de schreef ging.’

‘Wat staat er in dat telegram?’ Boos en autoritair wees Flora naar het groen papier, dat onder de uitgespreide brief schuilging. Waarom vertelde Clara niet alles, ze waren nog lang niet aan het einde van de geschiedenis en er zou raad moeten geschaft... in het belang van hun aller goede naam.

‘Dat telegram is het onbegrijpelijke... dat maakt, dat ik het spoor heelemaal bijster ben.’

Toon graaide er naar, hij was nu plotseling even zenuwachtig als zijn vrouw en zij bestaarden het samen met de onbeheerschte opgewondenheid van menschen, die zelden iets beleven.

‘Please meet Joyce Hook of Holland Sundaymorning impossible to continue our hospitality. Henry.’

‘Dat telegram kwam gisterenavond.’

‘En de brief?’

‘Tegelijkertijd, maar die is eergisteren geschreven. De aanval op het Parlement zou diezelfde avond zijn. Ik heb de heele dag gehoopt, dat er nog nader bericht van Joyce zelf zou komen.’

‘Dan is mijn conclusie, dat Hein en zijn vrouw haar krankzinnige plan nog juist intijds hebben ontdekt en het haar, god zij dank, hebben kunnen beletten.’

‘Dus jij denkt, dat ze morgen kòmt met die boot?’

[p. 288]

‘Ik hoop het voor jou... en voor het kind zelf! Groote God... het is iets ontzettends... de gevangenis.’

‘Ontzettend voor ons allemaal....’ Flora zei het met haar kin in de ruches van haar halsboord. ‘Zulke dingen lekken altijd uit en Joyce zou er haar leven lang door gecompromitteerd zijn.’

Mijntje, het tweede meisje, klopte op dat oogenblik. ‘Daar is Neel van juffrouw Clara...’ Ze zag het roodontstelde gezicht van haar mevrouw en het beschreide van de bezoekster en weifelend gingen haar oogen van de een naar de ander.

Clara Coornvelt was opgerezen uit haar stoel, haar hand moest ze op de tafel steunen, zóó beefden haar knieën. De wildste veronderstellingen stormden door haar ontzette gedachten.

‘Er was wéér een telegram voor juffrouw Clara bezorgd en Neel dacht, dat er misschien haast...’

Toon was de gang al in. In de kamer hing de spanning van een groot gebeuren. Flora wenkte het meisje weg. Door haar felle, opgewonden denken gingen reeds de zinnen, waarmee ze het straks zou vertellen aan Nancy, aan Truus en morgen aan de Immerzeels. Ze genoot, het tintelde door haar heen; al stond haar gezicht diep meewarig en legde ze troostend haar hand op de vingers van haar nicht, die zoo zielig beefden.

Dat kleine nest van een Joyce in de gevangenis... Zij had nooit fiducie in dat kind gehad... met zúlke ouders! Het werd een drama, als de familie in geen jaren had beleefd! Met het geopende papier kwam Toon weer binnen, zijn gezicht stond norsch-ernstig.

‘Joyce disappeared on way to station left no address Cornfelt.’

Wijd open staarden Clara's oogen naar hem, alsof ze hem niet geloofde, alsof ze wachtte op méér.

[p. 289]

‘Heeft ze geld genoeg?’ vroeg hij. ‘Genoeg om haar reis naar hier te betalen? Of om daar in een hotel te gaan?’

Het hoofd met het schamele kapothoedje schudde aarzelend ontkennend.

‘Hoeveel stuurde je haar maandelijks?’

‘Een pond.’

‘God bewaar me, en het is de vier en twintigste!’

‘Ze had bijna geen geld noodig,’ verontschuldigde zich juffrouw Clara met plotselinge heftigheid, alsof dit er op het oogenblik op aan kwam. ‘Joyce heeft haar moeders neiging tot luxe... ik moest daar tegenin... ik vond, dat het genoeg...’

‘Zonder geld in een groote stad... een kind van negentien. Godverdomme... die hersenlooze zuinigheid van jullie vrouwen!’

‘Hè, Toon!’ Flora werd purper van verontwaardiging.

Maar hij lette niet op haar boosheid, hij ijsbeerde heen en weer door de kamer. In de trein, als hij op reis was voor de zaak, las hij wel eens Engelsche detectiveverhalen... Ze spookten door zijn hoofd...

‘Heeft ze kennissen daar? Een vriendin, waar ze onderdak zou kunnen vinden?’

‘Ze geeft een adres in haar brief!’ Met haar eene hand greep juffrouw Clara nerveus naar het verkreukeld briefpapier; haar andere duwde de bril scheef op haar neus. ‘Waar stond dat ook... het adres, waar ik naar haar zou kunnen informeeren en te weten komen hoelang ze in de gevangenis zou zijn...’

‘Wàs ze maar in de gevangenis... Veiliger dan op straat zonder geld en zonder vrienden.’

Maar dadelijk had hij spijt van zijn ruwheid. Zoo als dat smalle bleeke gezicht naar hem keek... zóó

[p. 290]

schuldig en wanhopig en toch hunkerend, als naar de eenige, die helpen kon. Clara was tenminste niet zuinig uit eigen belang. Zij spilde geen sommen aan opschik...

‘Headquarters of the W.S.P.U. Clement's Inn... W.C. 2...’ spelde Clara moeizaam.

Toon legde zijn hand op haar schouder. ‘Wij zullen dadelijk samen naar Londen gaan, Clara. Wij zullen haar wel vinden en mee naar huis brengen, die kwaje meid. Voor de nachtboot is het te laat, maar morgenochtend, over Vlissingen.’

Haar oogen schoten weer vol en hij kuchte en snoot luidruchtig zijn neus, om zich een houding te geven.

‘Dat is goed van je, Toon. Ik hoopte, dat je het zou voorstellen. Ik ben in geen twintig jaar buitenslands geweest.’

Flora zette met driftige bewegingen de theekoppen in elkaar. Merkwaardig, hoe Clara Coornvelt met dat stille, uitgestreken gezicht en die schuchtere manieren, altijd alles gedaan wist te krijgen wat ze wou. Zìj soebatte al jarenlang om een reisje naar Londen. Wanneer haar man, wat een enkele maal gebeurde, daar voor zaken heen ging, dàcht hij er niet over om haar mee te nemen en ook nu werd over die mogelijkheid zelfs niet gerept. Ze had wel kunnen huilen van jaloersche teleurstelling, ze was woedend op Toon, op Clara en meest van al op dat malle nest van een Joyce...

 

Maar toen ze anderhalf uur later in haar nachtjapon voor haar kaptafel zat en haar laatste papillot draaide, - elk haar leek te trekken, haar hoofd bonsde en ze voelde zich zoo zenuwachtig, dat ze zeker nog in geen uren zou kunnen slapen - hoorde ze de voordeurschel nog eens overgaan. De meiden waren lang naar bed en haar man naar de fabriek; er viel bij dat onverwachte

[p. 291]

reisplan natuurlijk nog allerlei voor hem te regelen. Ze schoof het slaapkamerraam omhoog en stak haar witbespikkeld hoofd naar buiten; weer stond het schamel figuurtje van haar nicht op de stoep, ze herkende het, grauw als een schimmetje in het vage licht van de straatlantaarn.

In haar roode ochtendjas repte Flora zich naar beneden en in de vestibule al hoorde ze het goede nieuws, dat de ander opgewonden en hakkelend van vreugde vertelde. Zoo juist was er weer een telegram bezorgd, nu van Joyce zelf. Ze was veilig - alles bleek in orde.

‘Laat eens lezen?’ vroeg haar nicht autoritair. Juffrouw Clara zei nooit een leugen. ‘Ik heb het thuis gelaten,’ bekende ze naar waarheid, maar gelukkig was de vestibule schemerdonker en kon Flora niet zien, hoe donkerrood haar bleeke gezicht werd. Er had gestaan: ‘Am safe and sound want to stay and help the Suffragettes.’

‘Dus nu hoeft Toon niet met je mee naar Londen,’ concludeerde Flora snel en triomfant; en haar nicht stemde aarzelig toe: ‘Nee, nee, dat hoeft niet.’

‘Logeert ze nu bij een andere familie? Een nette familie... heb je daar zekerheid van? Je mag toch heusch wel niet te luchthartig zijn na deze ervaring.’

‘Ik ga er overmorgen heen, ik wil me zelf van alles op de hoogte stellen.’ zei het kleine oude dametje nerveus. ‘Maar Toon hoeft zich niet te derangeeren, ik kan het best alleen. Er is nu immers geen sprake meer van, dat het kind verloren is en we haar moeten zoeken.’

‘Wat bèn ik er blij om,’ zei Flora en haar papillottenhoofd knikte met ongewone hartelijkheid, ‘je weet niet hoe dat plotselinge plan me bezwaarde; Toon heeft het op het oogenblik zoo druk, hij kan werkelijk geen dag

[p. 292]

vacantie nemen.’ En wat nog nooit was gebeurd... ze schrokken er allebei een beetje van... ze gaf haar nicht twee dikke klapzoenen, op allebei haar smalle ingevallen wangen.

En terwijl ze voor de vierde maal die avond over het stille en deftige Rapenburg liep, dacht juffrouw Clara Coornvelt, die altijd geneigd was het beste in de menschen te gelooven, dat haar nicht Flora, al was ze wat bazig en bedillerig, toch een ècht zorgvolle en toegewijde echtgenoote was.

prepostterug  begin  verder