Juffrouw Clara had op de boot het plan gemaakt, zich dadelijk, wanneer zij des Maandagsavonds in Londen aankwam naar Clement's Inn te laten brengen, het adres, dat Joyce haar gegeven had. En aan een grimmige roodneuzige cab-driver toonde zij zwijgend een papiertje, waarop zij de straat en het nummer met duidelijke letters geschreven had. Ze voelde een onmachtige en gestadige vrees voor de volkomen onverstaanbare taal van losgekauwde, driekwart ingeslikte woorden, waarmee kofferdragers en bootslieden haar hadden aangesproken en die in niets geleek op het Engelsch, dat ze lang geleden op haar kostschool geleerd had.
De tocht in de hansom-cab, die haar méér een dwaas vehikel uit een vastenavond-optocht dan een behoorlijk verkeersmiddel geleek, verergerde haar zenuwachtigheid, maar Clement's Inn, in het vroege avonduur rustig en vredig als een middeleeuwsch hofje, verzoende haar op slag met het groote, gonzende Londen, waarvan ze de roezende, wriemelende drukte met stijgende benauwenis had gadegeslagen.
Het geluk wilde, dat het hoofdkwartier der Suffragettes nog niet gesloten was en zij te woord werd gestaan door hetzelfde ‘tijdelijk bestuurslid’, dat die middag Joyce's verzoek om een betaalde functie had afgewezen.
‘Miss Joyce Cornfelt... een blond meisje...’ Maar natuurlijk kende men haar, ze was een der jongste leden van de partij en heel ijverig, ze had meegedaan met de ‘raid’ van vorige Donderdag en twee dagen in voorarrest gezeten, doch was daarna vrijgesproken. Natuurlijk had ze haar adres gegeven... ze hield verblijf bij een paar andere Suffragettes in een oud huis in Maple Street achter Tottenham Court Road.
‘Kent u de weg in Londen? Het is niet meer dan twintig minuten loopen. Door Aldwych en Kingsway naar Holborn, op de hoek van New Oxford Street en Tottenham Court Road oversteken en dan de zevende, neen de achtste zijstraat links... Good evening, Miss Cornfelt!’
Juffrouw Clara voelde de zweetdruppels op haar heete, vermoeide gezicht en onder het kapothoedje prikte de achterste hoedenpen, die haar de heele dag al zoo tergend gehinderd had. Ze bekende zich voor het eerst, dat ze Toon's begeleiding wat al te lichtvaardig had afgeslagen; ze had zich tot nu toe dapper voorgehouden, dat het rustiger en veel prettiger was om zonder zijn bedillerige, vermoeiende nabijheid te reizen; de tijd der vrouwelijke afhankelijkheid was eenmaal voorbij en zij moest evengoed als de jonge generatie in staat zijn zich zelf te helpen en door moeilijkheden heen te slaan. Ze bedwong een zucht en nam het valies van zwart zeildoek weer op, dat nog aan haar vader had behoord en altijd herinneringen wekte aan een Rijn-reisje, dat zij met haar ouders gemaakt had, toen zij dertig jaar oud was; en ze overdacht, dat het misschien toch wijzer was geweest de koetsier van het vreemdsoortige voertuig te laten wachten. Maar een rijtuig gebruiken, wanneer het doel te voet te bereiken viel, achtte ze een onverantwoordelijke verkwisting en ze trachtte zich moed
in te spreken met de overweging, dat de Londensche politieagenten, naar Joyce haar menigmaal had geschreven, zoo bizonder voorkomend en hulpvaardig waren.
Een jonge vrouw, in een elegant, wit zomertoilet, die juist het bureau wilde verlaten, bleef staan toen zij de naam Cornfelt hoorde. ‘Zoekt u Miss Joyce? Neen, in Maple Street zult u haar niet meer vinden, ze is op het oogenblik al op weg naar Holloway... de gevangenis, waarin een aantal van onze strijdsters zijn opgesloten en waarvoor wij vanavond een groote demonstratie houden.’
‘Och...!’ Juffrouw Clara zette het zware valies weer neer en besluiteloos keek ze eerst naar de eene vrouw, dan naar de andere. Er was iets in het jonge gezicht, dat haar onweerstaanbaar boeide, een rustige blijmoedigheid en tegelijk een sterke geestkracht; het was een energiek gezicht en toch had het iets innig vrouwelijks, iets meisjesachtig liefs.
En de aantrekking scheen wederkeerig, want Christabel Pankhurst's oogen werden zacht, toen ze bleven rusten op het brooze, nerveuze dametje met de fijne aristocratische trekken en de aangeboren distinctie in elk gebaar. Een type, dat zij zelden zag tusschen de honderden moedige, vastberaden, militante vrouwen, die dagelijks in en uit de kamers van het hoofdkwartier stapten; iemand om wie je het eerste oogenblik moest glimlachen, maar die je het volgende onweerstaanbaar imponeerde.
‘Ik sta op het punt zelf daarheen te gaan,’ zei ze, ‘er is nog een plaats in de open brougham, die voor vandaag door een van onze leden tot mijn beschikking werd gesteld, ik kan u meenemen wanneer u dat zoudt wenschen. Er is alle kans dat u Miss Cornfelt daar vindt en u bent dan tevens in de gelegenheid een
groote en interessante demonstratie te zien. U kunt dat valies hier wel laten en aanhalen, als u terugkomt.’
En zoo kwam het, dat juffrouw Clara Coornvelt, op de dag van haar aankomst in Londen, in plaats van uit te rusten in het ‘zindelijke, maar niet dure hotel’, waarvan Toon haar het adres gegeven had, tezamen met Christabel Pankhurst in een elegante equipage door de straten reed, zonder een oogenblik te beseffen, dat haar daarmee een groote en ongewone eer te beurt viel, waarom tallooze van haar seksegenooten haar vurig benijdden. Want de naam, waarmee haar begeleidster zich vluchtig voorstelde, had ze niet verstaan en over het feit, dat zoovele voorbijgangers de jonge vrouw in haar witte kleed herkenden, dat men haar ontelbare malen groette en telkens jonge en oude vrouwen naar haar wuifden, verwonderde ze zich niets; zij zelf, die haar leven lang in een Hollandsche provinciestad had gewoond, was van haar kinderjaren af gewend, dat vrijwel ieder, die haar tegenkwam, haar kende en goedendag zei.
Maar zij hervond na de lange, vermoeiende, zenuwsloopende dag een groote tevreden blijheid, haar moeheid en zorgen vielen van haar af, ze kreeg het stellige gevoel, dat ze onder de beste hoede was en haar, naast deze zelfbewuste en welbeheerschte begeleidster geen onheil meer kon geschieden. De weg was lang, de wagen op zijn gummi-bekleede wielen gleed zacht en bijna geruischloos door de windstille zomeravond en de acht rhythmisch kloppende paardenhoeven sloegen een tevreden muziek uit het gladde, houten plaveisel.
En Christabel Pankhurst, na een paar vragen omtrent de kiesrechtstrijd in Holland, die juffrouw Clara, dank zij de voortreffelijk gearticuleerde stem, uitstekend verstond en waarop ze tot haar eigen verbazing zelfs het moeilijk Engelsch ten antwoord vond, begon met het
nooit slapend instinct van de propagandiste te vertellen. Hoe haar moeder als jonge vrouw in Manchester al had gestreden tegen de schandelijke toestanden, die er onder de arbeidersbevolking heerschten, hoe rechtloos en hulpeloos toen nog het fabrieksvolk was, de vrouwen vooral, die door de groote fabrikanten genadeloos werden uitgebuit en hoe haar vader, een socialist, nimmer had geaarzeld om op de bres te staan voor zijn overtuiging, al was in die tijd socialisme nog bijna synoniem met landverraad. Toen was langzamerhand in haar moeder de zekerheid gegroeid, dat het de vrouwen moesten zijn, die de groote strijd tegen armoe en onrecht aanbonden en er nooit radicale verbeteringen konden komen, zoolang het de vrouwen ontzegd bleef, mee te werken aan de wetten van het land. En ze had haar drie dochters reeds als kleine meisjes geleerd, dat het haar dure plicht was, de wereld tot een beter verblijf te maken en géén vrouw doelloos en werkeloos mocht genieten van de voorrechten, waarin ze door haar geboorte geplaatst was.
Hoe vol belangstelling luisterde juffrouw Clara. Hoe stormden de oude, lang begraven herinneringen op eenmaal op haar toe! Dat was de tijd, waarin ook zij jong was geweest, toen een storm van nieuwe ideeën door de wereld joeg en ook zij het machtig verlangen naar daden had gevoeld, dat toen voor het eerst in de vrouwen ontwaakt was. De tijd, waarin zij samen met Hein Coornvelt haar leven had willen wijden aan de groote strijd tegen het onrecht; waarin Hein een socialist had durven zijn... Och, wat zou zij op haar beurt niet kunnen vertellen! Hoeveel armoe en onrecht er in die jaren nog in Holland hadden geheerscht; uitbuiterstactiek, kinderarbeid, wetteloosheid voor de vrouwen. Doch zoover kon ze haar vrees voor de vreemde taal
niet overwinnen, al vermocht ze de woorden van haar begeleidster merkwaardig goed en gemakkelijk begrijpen.
Zij zat heel stil en diep aandachtig te luisteren en haar zorgelijk doorvoorde gezichtje knikte begrijpend, toen zij hoorde, hoe uit de vreedzame vrouwenkiesrechtvereeniging der vorige decenniën een bond van militante strijdsters was ontstaan, omdat zij niet meer kònden wachten, omdat de nood te groot geworden was. De vrouwen hadden eindelijk haar geduld verloren onder de hoonende tegenstand, die spotte met haar diep-ernstige overtuigingen.
‘En sindsdien vragen wij niet meer, wij eischen. Wij eischen, als ons goed recht, wat hun bekrompen conservatisme ons onthouden wil, maar wat wij toch zullen verkrijgen. Het is een geliefkoosde stelregel van mijn moeder, dat men aan geen geknecht volk ooit de vrijheid heeft gegeven, het heeft die vrijheid altijd moeten bevechten. En wanneer wij opstand prediken voor de vrouwen in de arbeiderswijken, voor de rechtloozen en de onderdrukten, dan wijzen wij haar op de geschiedenis van dit, haar eigen land, waar nooit een winst op dom vooroordeel behaald werd zonder gewelddadig verzet tegen het gezag.’
Terwijl het rijtuig de stadsstraten verliet en zijn weg zocht door de halflandelijke wegen van een voorstad, klonken in juffrouw Clara's verbaasde ooren al de fiere, moedige leuzen van de Suffragettes. En zij, die haar leven lang niet onder de druk van conventie, deftigheid en familie-tirannie was uitgekomen, voelde zich op eenmaal in een wonderlijke, hooge vreugde van dat alles bevrijd, of ze bezig was een grauwe, starre cocon van zich af te strijken, om zoo dadelijk een paar bevende, gekreukte en aarzelige vleugels uit te slaan. Tòch nog uit te slaan, al was ze oud en al had ze van
al dit grootsche gebeuren nooit wat anders vernomen dan een zwakke echo... Ze had het niet kunnen begrijpen en zelfs afkeer gevoeld, wanneer ze ervan las in de kranten, in de brieven, die haar nichtje schreef. Maar Christabel Pankhurst sprak van de daden der Suffragettes met een rustige, trotsche tevredenheid zonder een zweem van vrouwelijke schaamte, zonder een woord van verontschuldiging voor wat toch zoo afschuwelijk onvrouwelijk scheen. Zij vertelde van gevechten met de politie even geanimeerd en geestdriftig als Clara's jonge nichtjes over tennis of schaatsenrijden, zij gaf details van het leven in de gevangenis, als gold het een verblijf in een merkwaardig, maar niet zeer comfortabel hotel en in de naderende overwinning geloofde ze met profetische overtuiging. Tenslotte sprak ze over Joyce, haar ijver en toewijding, die echter tot nu toe voortdurend waren gehandicapt door de tegenwerking van haar familie. Wat er twee dagen geleden in Bowstreet was voorgevallen, de theatrale en onware getuigenis van Bessie Trelawney, die een verbitterde tegenstandster van de Suffragettes was en een bekrompen, ijdele vrouw, moest een vreeselijke ervaring voor het jonge meisje zijn geweest. Al moest een Suffragette ongevoelig zijn voor persoonlijke vernedering, het was toch hartelijk te wenschen, dat het Miss Cornfelt wat gemakkelijker werd gemaakt haar tijd en krachten aan ‘the Cause’ te wijden.
Juffrouw Clara's vermoeide oogen glansden, haar handen in de nieuwe, zwartgaren handschoenen hield ze in stille verrukking in haar schoot gevouwen, maar op haar wangen brandden twee felroode plekken van opwinding en diepe vreugde. Want altijd in haar eentonig leven van ontzegging en resignatie, had ze God
gebeden, dat hij haar eenmaal een groote daad zou opleggen, dat zij eenmaal het evangelie van de vrouwen, waarin ze in haar jonge jaren zoo hartstochtelijk geloofd had, mee zou helpen prediken... En nu kreeg ze een kans... want ze kon Joyce helpen. Ze zou hier in Londen met haar gaan samenwonen, om voor haar te zorgen. Het zou niet gemakkelijk zijn op haar leeftijd, zich te gewennen aan het leven in een vreemd land, maar ze zou gesterkt worden door de overtuiging, dat ze meehielp... al was het nog zoo weinig, aan het grootste ideaal, waarvoor ooit gestreden was. En bovendien, hoorde ze niet de stellige verzekering, dat er altijd nog meer strijdsters noodig waren, dat oude vrouwen even nuttig konden zijn als jonge? De jeugd was gauw overtuigd, meegesleept door het nieuwe, maar de aanwezigheid van bezadigde, levenswijze vrouwen gaf kracht en aanzien aan de beweging.
Het rijtuig hield stil op een plein voor een hooge muur, waarachter zich een reeks gebouwen in donkerroode steen verhieven, die als een belaagd fort door zware, grimmige poorten van de buitenwereld waren afgesloten. Dadelijk werd het rijtuig omringd door een stoet van jonge vrouwen en meisjes, die juichten en riepen en vaantjes zwaaiden, en groote banieren met ‘Votes for Women!’ deden wapperen en die juffrouw Clara een ondraaglijke verlegenheid gaven. Een naam schalde door de stille avondlucht:... ‘Christabel... Christabel Pankhurst!’
Nu verstond ze het en nu eerst begreep ze, wie haar jonge energieke begeleidster was. Met dwepende geestdrift had Joyce over haar geschreven: ‘Christabel Pankhurst was in het wit en mooi en fier als Jeanne d'Arc en als ze spreekt, heb je een gevoel of je van
de aarde wordt opgetild... een gevoel, dat te groot en te machtig is, om te kunnen begrijpen.’
Juffrouw Clara hàd het niet begrepen, toen ze de geschreven woorden las... ze had het beangstigend overdreven gevonden... ze had er nooit iets van durven vertellen, wanneer Flora of Dorothee naar Joyce's ervaringen in Londen vroegen. Maar nu begreep ze het... nu ze Christabel had leeren kennen en die haar meevoerde naar een oudere dame in een zwart zijden mantel en met een lief moederlijk gezicht.
Ze zei: ‘Moeder, dit is Miss Cornfelt uit Holland.’ En toen voegde ze er bij, wat Clara tot haar sterfdag niet vergat en wat, naar ze meende, over haar verder leven besliste: ‘Ze was altijd een Suffragette, maar tot vandaag heeft ze het niet geweten.’