
In een tijd waarin de Slavernij een vraagpunt is geworden, waarover men dagelijks nieuwe theoriën hoort ontwikkelen, maar dat tot dus verre nog altijd onbeslist is gebleven; zal de verschijning van een werkje als dit wel geene bevreemding verwekken; evenwel is het juist de populariteit van het onderwerp, die mij vreezen doet, mijne ‘Schaduwbeelden’ soms in een verkeerd licht te zien gesteld. Het is daarom dat ik den lezer eene korte op-
heldering vermeen schuldig te zijn, ten einde hem in staat te stellen, onpartijdig mijn arbeid te ontvangen.
Om oprecht te zijn, moet ik erkennen dat het werk van Dr. van Hoëvell: ‘Slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet,’ mij dermate trof, dat ik mij opgewekt gevoelde, daaruit de stof te kiezen voor een eenigzins uitgebreid dichtstuk; na rijper nadenken echter bekoelde die geestdrift, en ik zette mijn ontwerp in zoo verre niet dóór, als ik, in de drie stukken, meer den algemeenen zedelijken toestand der slavernij, dan wel die toestanden, die ons in genoemd werk worden beschreven, tot den grondslag mijner fictiën heb gelegd; want fictiën zijn het; al zal men in Leila eene bekende figuur terugvinden, de intrigue is toch geheel van mijne vinding.
Is het de taak van den romanschrijver, in de werkelijkheid in te grijpen, en door aanschouwelijkheid en waarheid van voorstelling der Maatschappij als het ware den spiegel voor te houden, waarin zij haar beeld herkennen moet, terwijl de invloed zijns geestes bezielend en hervormend op tijdgenoot en nakomelingschap werken blijft, den dichter zal het genoeg zijn, de beelden, die hem omgeven, in zich op te nemen, en den indruk, dien toestanden, of beginselen of zaken, in één woord het leven, dat hij rondom zich werkend ziet, in zijn gemoed achterlieten, in de harten van anderen over te storten of te doen herleven.
Men ontvangt dan, in deze Tafereelen uit den tegenwoordigen toestand van een deel der lijdende
menschheid gekozen, geen dichterlijk ingekleed betoog omtrent een vraagstuk dat buiten mijn bestek ligt, maar de eenvoudige uitvloeisels van een machtigen invloed, machtig omdat de verdrukking der menschheid dien gaf.
Mocht het mij gelukken de sympathie onzer landgenooten voor de goede zaak levendig te houden, ik achtte mijn arbeid meer dan beloond.
Dec. 1857.