terug  begin 
[p. 61]

Leila, het bloemenmeisje.

[p. 63]

Leila, het bloemenmeisje.

 
‘Leila lief! wat bleeke wangen
 
En wat aaklig doffe blik!
 
Zeg! wat laat ge 't hoofdje hangen?
 
Niemand hoort u hier, dan ik.
 
 
 
Ik, uw moeder, die zoo zelden
 
U in 't eenzaam hutje ziet,
 
Weet het immers hoe ze u kwelden,
 
Kent uw innig zielsverdriet.
[p. 64]
 
Leila! Leila! wilt gij weten
 
Of ik uwe smart doorgrond?
 
Hij verbrak den rozenketen
 
Van uw teeder minverbond.
 
 
 
Ha! mij woudt gij niet gelooven!
 
Toch voorspelde ik u teregt,
 
Hoe de snoode uw rust zoû rooven,
 
Die u trouw had toegezegd.
 
 
 
Met verraderlijke lonken,
 
Valsche en ijdle kozerij,
 
Wist hij 't argloos hart te ontvonken -
 
Zóó, zóó deed uw vader mij. -
 
 
 
En dan schenken ze ons sieraden,
 
En dan kozen, fleemen zij.
 
Later? - wee ons arm versmaden! -
 
Ja! zoo deed uw vader mij!’ -
[p. 65]
 
Schittrend van schoonheid, met vonkelende oogen,
 
Staat daar het meisje, het vaalbleek gelaat
 
Diep op den hijgenden boezem gebogen -
 
Anders geen trek die heur foltring verraadt.
 
 
 
‘Moeder! ô zwijg! zie uw taal is een logen,
 
Laster uw woorden - hij mint mij nog trouw,
 
Nimmer heeft Edmund zijn Leila bedrogen,
 
Bood hij zijn hand al een' andere vrouw.
 
 
 
“Zie, - sprak hij - Leila! 'k bemin u, en vurig,
 
Edmund is arm, en rijkdom en macht
 
Moeten verkregen, want ach! wispelturig,
 
Grillig is 't lot - dus een offer gebragt.
 
 
 
Daarom 'k zal huwen... Der rijke jonkvrouwe
 
Bied ik mijn hand slechts... Gij, gij hebt mijn hart!
 
Daarom, melieve! bewaar mij uw trouwe
 
En help mij dragen zoo plettrend een smart.”
[p. 66]
 
Leila! Leila! hij zal huwen,
 
En de gade, die hij kiest,
 
Zal u haten, zal u schuwen,
 
Tot gij zijne gunst verliest.
 
 
 
Zult gij haar zien, zalig, blijde,
 
Steeds gehuldigd en bemind,
 
Die minachtend, aan zijn zijde,
 
Op u neêrziet en uw kind?
 
 
 
Zult gij 't aanzien als zijn oogen,
 
Stralend eens van liefdegloed,
 
U ontwijken, en ge een logen
 
In zijn schuwen lach ontmoet?
 
 
 
Zult gij dulden dat zijn gade,
 
Eindlijk van uw recht bewust,
 
't Laatst gevoel voor de arm' versmade,
 
In zijn hart heeft uitgebluscht?
[p. 67]
 
Als ge uw kind door vreemde handen
 
Ziet ontvoeren, woest en wreed,
 
Over zee, naar verre landen,
 
Waar het u geen moeder heet?
 
 
 
Leila! zal uw trots dat dragen?
 
Zal geen helsche folterpijn,
 
Rustloos aan uw harte knagen,
 
Als dat eens uw lot zal zijn?
 
 
 
En dat zal 't! - men zal hem noemen,
 
Als een man van eedlen zin,
 
Onbekrompen mild hem roemen,
 
Want, wat zijt ge? - zijn slavin!’
 
 
 
‘Hoe! zijn slavin? Aan mijn blikken gekluisterd,
 
Heeft hij mij knielend Godinne genoemd,
 
Hebben zijn lippen van liefde gefluisterd,
 
Teeder bewondrend mijn schoonheid geroemd.’
[p. 68]
 
‘Ben ik niet schoon? - is de keten verbroken,
 
Die zoo almachtig zijn ziel hield geboeid?
 
Of - kwijnt de bloemknop, pas weeldrig ontloken,
 
Dien nog geen middag heeft tegengegloeid?
 
 
 
Nog ben ik machtig, nog kneed ik zijn harte,
 
Nog, nog beheersch ik zijn wil en zijn daân,
 
Mij, die wedijvrend de schoonste zelfs tarte,
 
Jaagt zulk een schrikbeeld geen huivring meer aan.’
 
 
 
‘Leila! trotsch, ondankbaar kind!
 
Wees mijn woord, mijn raad indachtig:
 
Hartstocht heeft uw oog verblind,
 
Schoonheid is onmachtig.
 
 
 
Want, melieve! er zijn er meer,
 
Schittrend door bekoorlijkheden;
 
Bloemen, eindloos lief en teêr,
 
Bloeijen voor zijn schreden.
[p. 69]
 
Kiest hij zich een schoone gâ,
 
Die zijn hart weet te bekoren,
 
Dan wacht u slechts ongena,
 
Dan zijt gij verloren.
 
 
 
Daarom vind de jonkvrouw uit,
 
Tracht uw dreigend lot te lezen;
 
Want het schoon der blanke bruid
 
Zal uw val eens wezen.’ -
 
 
 
Zoo sprak zij, die oude. Met nijpenden klaauw
 
Sloeg de ijverzucht Leila om 't harte,
 
Het klopte zoo hevig, haar pols werd zoo flaauw,
 
En toch bleef zij roerloos, als trof het haar naauw,
 
Want trots onderdrukte haar smarte.
 
 
 
Eu de oude bespiedde, in het harte verblijd,
 
In 't trillen der vaalbleeke trekken,
 
Den inwendig, gruwzaam verwoestenden strijd
 
Van hartstocht, verbittring, van hoogmoed en nijd,
 
Die 't grievende woord moest verwekken.
[p. 70]
 
Maar Leila verraadde door zucht noch gebaar,
 
De ontroering die 't harte deed schokken. -
 
‘Welligt maakt zijn ontrouw uw woorden wel waar -’
 
Zoo sprak zij en huppelde lagchend van daar,
 
En schudde heur raafzwarte lokken.
 
 
 
En de oude stond peinzend aan d' ingang der grot,
 
Wreef grijnzend de rimplende handen,
 
Vernoegd en tevreden, een glans van genot
 
Bezielde heur grimlach, vol tintlenden spot,
 
Terwijl zich heur trekken ontspanden.
 
 
 
‘Dat trof haar geweldig, toch hield zij zich goed.
 
Dat antwoord heeft mij niet bedrogen,
 
Ik ken en doorgrond toch dat heftig gemoed,
 
En weet wat een alles verterende gloed
 
Daar smeult - ook al liegen heur oogen.
 
 
 
Mijn werktuig - dat zijt gij - en toch ben ik fier,
 
Ja trotsch van uw moeder te heeten;
 
Wanneer gij daarheen zweeft met kunstloozen zwier
[p. 71]
 
In gang en in houding.... toch zijt gij mij dier....
 
Maar 'k moet - en ik zal dat vergeten. -
 
 
 
Wat, onschuld en liefde, wat schoonheid en jeugd!
 
Hij leeft nog, die me alles ontroofde,
 
Hij, rijk en geëerd om gehuichelde deugd,
 
Hij liet mij de ellende, en ontnam mij de vreugd,
 
Terwijl ik zijn eeden geloofde.
 
 
 
't Is dood wat daar eens in mijn binnenste sprak,
 
Van goedheid, van deugd, van vertrouwen,
 
Dat wijt ik dien éénen die 't harte mij brak,
 
En zóó in mijn ziele dien helgloed ontstak,
 
Welks flikkring hij eens zal aanschouwen!
 
 
 
Ha! toen hij mij wegzond, het kind van mijn schoot
 
Geprangd in mijn sidderende armen,
 
Ik die hem toch bijbleef bij dreigenden nood,
 
Toen ieder zijn walgelijk krankbed ontvlood,
 
Zou hij zich nog mijner erbarmen?! -
[p. 72]
 
Erbarmen... hij koos zich een schatrijke vrouw,
 
Wat gaf hij om 't lot eener zwarte?
 
Wat wist hij, bij 't schittrend vooruitzicht, van trouw,
 
Van 't woord, der slavinne gegeven? Wat zoû
 
't Hem deeren al brak ook heur harte?
 
 
 
En ik - Ha! ik zwoer toen, met vreeslijken eed:
 
Eens, ééns zal de ellendeling boeten
 
Voor wat hij zoo wreed, zoo laaghartig misdeed -
 
Voor wat ik verguisde, geminachte, leed -
 
Slechts wraak kon mijn leven verzoeten.
 
 
 
Ja! 'k haatte hem hevig, met doodlijken haat,
 
En die werd het doel van mijn leven;
 
Mijn binnenst ontsloot zich den geesten van 't kwaad,
 
En 't scheen of de hel op mijn rimplend gelaat
 
Het werk van heur naam had geschreven.
 
 
 
En Leila wies op... en ik wist, drop voor drop,
 
Haar ziele met haat te overstelpen,
 
Als daauw, die des morgens de groenende knop
[p. 73]
 
En indrinkt en opzuigt... Ja, 'k voedde haar op
 
Zoo als de hyena heur welpen.’
 
 
 
Bekoorlijke Leila! ijl voort, laat uw voet
 
De huivrende bloemkens niet raken!
 
Uw lokken zijn weeldrig, uw oog is vol gloed,
 
En niemand, wiens hand voor den val u behoedt,
 
Geen oog dat uw schreên mag bewaken!’

II.

 
‘Bloemen, jonkvrouw! schoone bloemen,
 
Geurende magnolia's,
 
Met loranthus zaamgevlochten,
 
Purperroode azalia's -
 
 
 
Bloemen voegen in uw lokken
 
Bij het sneeuwwit van uw huid,
 
Roos en myrthe staat het liefste
 
In het kroontje van de bruid.
[p. 74]
 
Lieve jonkvrouw! koop mijn bloemen,
 
Kies de fraaisten uit mijn mand,
 
Zie het lelietje der dalen
 
Van uw neevlig vaderland.
 
 
 
Zie het blaauw vergeet-mij-nietje,
 
Dat aan d' oever 't oog verrast,
 
Naast dien purpren reuzen-cactus,
 
Die op onze rotsen wast.
 
 
 
Zie, de bloemenpracht van 't Westen
 
Huwde ik aan de teelt van 't Noord,
 
Maar de lelie bloeide nimmer
 
Aan des woudstrooms ruwen boord.
 
 
 
Maar de middaggloed der zonne
 
Heeft de roos niet wit geblaakt,
 
Want mijn vingren hebben kunstig
 
Al die bloemen nagemaakt.’
[p. 75]

III.

 
Dus zong het bloemenmeisje - de sierelijke mand
 
Bood zij, bevallig nijgend, en wuivend met de hand,
 
Der jonkvrouw, die zoo kwijnend, met lusteloozen zin,
 
Daar neêrlag op de sopha, terwijl heur lijfslavin
 
Met rijkvergulde waaijers haar koeling tegenwoei,
 
Als lieve morgenzephirs, bij dartlend windgestoei.
 
Maar naast die bleeke jonkvrouw zat nog eene andere neêr,
 
Heur koontje droeg nog blosjes, heur tint was minder teêr,
 
Die was nog jong en dartel, vol lust en levensgloed,
 
Die had nog frisch in de aadren het spranklend Hollandsch bloed.
 
‘Zeg, Clara! - sprak de jonkvrouw; met smachtend, kwijnend oog,
 
En hief zoo mat, zoo vadzig, het blonde hoofd omhoog,
 
Wat dunkt u van die bloemen wel voor mijn bruidstooi? Zoû
 
Zulk kransje voegzaam wezen als ik met Edmund trouw?
 
Kom, kind! - dit gold het meisje - pak fluks uw bloemen uit,
 
Laat zien, voldoen die kransen als tooisel voor de bruid,
 
Die morgen reeds de gade van rijken Edmund wordt?’
 
- ‘De roos is als de schoonheid der jonkheid ras verdord,
 
Bekorelijke Jonkvrouw! maar deze welken nooit,
[p. 76]
 
Zie, hoe 't bevallig knopje zich uit die blaadren plooit.
 
Magnolia's zijn prachtvol, 't zijn kindren van de zon,
 
Die nooit uw neevlig Noorden zoo schittrend verwen kon;
 
Fleds, kleurloos schijnt die anjer, doodsch bij de kleurenpracht,
 
Waarmeê dees heerlijke iris u vonklend tegenlacht.
 
Aan al die fledsche bloemkens heb ik meer zorg besteed
 
Dan 'k aan de purpren kelken, den grootschen cactus deed:
 
Zoo ook behoeft het meisje, dat arm aan schoonheid is,
 
Den rijken tooi des opschiks, des sieraads pronkvernis. -’
 
‘Wel, kind! hoe wijs gesproken! doch spaar me uw lessen vrij.
 
Foei, Clara! hoe gij schatert? uw lagchen hindert mij,
 
Dat meisje, zoo vermetel, is wis een slavenkind,
 
Dat door bedrog en sluwheid het loon der schande wint,
 
En gij lacht om zulk ééne?’
 
‘Maar toch, Edith! ze is schoon.’
 
Sprak de andere en weêr klonk er iets spottends in heur toon,
 
‘Heur kleeding ook is sierlijk; het bonte hoofdsieraad,
 
Zoo los om 't hoofd gestrengeld, voegt bij dat lief gelaat,
 
Edith! ach, zie dat knaapje, dat heerlijk knaapje! zie,
 
Hoe blank dat open voorhoofd, wat schittrende oogen, die
 
Zoo schalksch ondeugend me aanzien, vol dartle jokkernij.
[p. 77]
 
Kom hier, aanvallig jongske! zie kier wat schoons! en gij,
 
Niet waar, gij zijt zijn zuster, hij heeft uw donker oog,
 
Dat eigen blanke voorhoofd, dien fijnen wenkbraauwboog -
 
En toch zijn blonde hairen, dat lachjen om den mond
 
Doen mij aan Edmund denken.
 
Wat kijkt gij driftig rond
 
Edith!’
 
‘Pak weg die vodden, en spoed u ijlings heen!
 
Uw bloemen en uw kransen zijn smaakloos en gemeen,
 
Gemeen, gelijk gij zelve mijn oog ondraaglijk zijt!’
 
En in heur fleds blaauwe oogen ontvonkte een straal van nijd,
 
Het vuur in Leila's blikken werd aaklig, fel en woest,
 
En had dat vreemd vermogen, waarvoor men huivren moest;
 
Zij zweeg, maar in den vuurblik, dien ze op de jonkvrouwsloeg,
 
Waarmeê ze lang haar aanzag, sprak toch verwijt genoeg -
 
Verwijt? neen, vreeslijk dreigend, sprak doodelijke haat
 
In 't fier gemoed van 't meisje, gewekt door zulk een smaad.
 
Heur houding werd zoo dreigend, zoo grimmig werd heur blik,
 
Dat zelfs de trotsche jonkvrouw inéénkromp van den schrik,
 
En zacht en angstig zeide: - ‘Dees bloemen kies ik niet,
 
‘Maar zoo ge morgen avond me een andren bloemkrans biedt,
[p. 78]
 
Van witte oranjebloesem, vraag 't dubble van den prijs,
 
En ik beloof u meer nog, als eerste gunstbewijs,
 
Mijn voorspraak in de kringen der grooten van de stad,
 
Waar altoos mijne meening den hoogsten bijval had.’
 
- ‘Gij zult gediend zijn, Jonkvrouw! en zeker naar uw zin;
 
Mijn groet - ô schoone dames!’ -
 
- ‘Hoor, Clara! die slavin’
 
Dus sprak Edith, maar fluistrend, als op den corridoor
 
't Geruisch des ligten voetstaps van 't meisje zich verloor. -
 
‘Zij heeft iets onheilspellends, iets dreigends in heur blik,
 
Dat mij het hart doet bonzen van ongekenden schrik.
 
Iets vreemds en geheimzinnigs omzweeft dat schepsel. 'k Beef,
 
Ach! of mijns bruigoms glimlach die bange vrees verdreef!’
 
- ‘Hoe nu, sprak Clara lagchend - mijn herte is niets bevreesd!
 
Buigt zulk een nietig wezen de veêrkracht van uw geest? -
 
Maar neen! 'k wil ernstig spreken. Uw hoogmoed heeft zijn loon,
 
Gij spreekt zoo trotsch minachtend op zulk een norschen toon,
 
Tot slaven en geringen, tot de armen, als of gij
 
Niet zijt van 't zelfde maaksel, het zelfde stof als zij!
 
Wat zegt voor 't oog des Eeuwgen de rang, dien 't lot ons geeft,
 
Wanneer geen warme liefde in onzen boezem lecft,
[p. 79]
 
Die in den slaaf zijn naaste, den armen broeder ziet,
 
In liefde tot hem neêrbuigt, hem hulp en bijstand biedt?
 
O, 'k heb het niet vergeten, hoe ginds in 't vaderland
 
De werkman ook geëerd wordt, en de allerlaagste stand
 
Geen smaad en geen verguizing, maar aller deernis vraagt.
 
En mij is 't of de schaamte me een blos op 't aanschijn jaagt,
 
Wanneer 'k u hoor bevelen op altoos wreevlen toon,
 
Hen tergen door verachting, hen, slechts aan smaad gewoon,
 
On billijk hen bedreigend met straffen, hard en wreed,
 
Alsof 't gevoel der menschheid niet bij hun klachten leed.
 
Edith! zijt gij dezelfde? Gij vroeger zacht en goed? -
 
De lucht verteerde uw blosjes, verpestte uw rein gemoed.’

IV.

 
‘Schielijk, moeder! wil mij even
 
Ietwat van uw druppels geven!
 
'k Meen dat sterk welriekend vocht,
 
Dat den glans geeft aan de kleuren,
 
Met den reuk van balsemgeuren,
 
Voor de kransen die ik vlocht.
[p. 80]
 
Dees van witte en roode rozen
 
Heb ik zelf voor haar gekozen,
 
Die zoo goed en vriendlijk was,
 
In wier zachte duivenoogen
 
Ik, voor 't eerste, mededoogen
 
‘En de reinste goedheid las.
 
 
 
Deze witte oranjebloesem
 
Sier den hooggewelfden boezem
 
Van die bleeke, trotsche bruid,
 
Ha! het kroontje voor heur lokken,
 
Van dien balsemgeur doortrokken,
 
Voegt wel bij die fledsche huid.
 
 
 
Edmund zal Edith nooit minnen,
 
Nooit zal zij zijn hart verwinnen,
 
Zij bezit geen schoon dat boeit!
 
Geen dier teedre aanminnigheden,
 
Die de hechtste keetnen smeden,
 
Voor het hart daardoor ontgloeid.
[p. 81]
 
Daarom noem mij vrij slavinne,
 
'k Blijf zijns harten koninginne!
 
Dat is alles wat ik wil -
 
Neen, het vuur van hàre kussen
 
Zal zijn gloed voor mij niet blusschen,
 
Want heur hart is trotsch en kil.
 
 
 
Bruidje, dat mij straks wou hoonen,
 
Ik zal mij uw meerdre toonen!
 
Buigen zult gij voor mijn magt,
 
Als ik hem weet te verteedren
 
En uw hoogmoed te verneedren,
 
Die mij nu zoo diep veracht!
 
 
 
Schielijk, moeder! mijn sieraden,
 
't Oostersch kleed, met gouden draden
 
Rijk doorweven,.... 't halssnoer - geef!
 
Ik zal dansen, 'k zal betoovren....
 
't Wispelturig hart heroovren....
 
Hem weêr boeijen!.... Ha! 'k herleef!
[p. 82]
 
Schielijk! Geef mij nu mijn kransen:
 
Op zijn bruiloft zal ik dansen,
 
En verruklijk wil ik zijn!
 
Aan mijn blikken zal hij hangen,
 
Tot de blos op hàre wangen
 
Wegsterft bij die zielepijn!’
 
 
 
Zoo sprak zij, de onzaalge! zij wist niet, helaas!
 
Hoe zondig heur vreugd was, hoe roekloos en dwaas
 
De kans, die heur hoogmoed ging wagen.
 
Wat wist zij, 't verwaarloosde kind der natuur,
 
Van de almacht des rijkdoms, die ligt in één uur
 
Het hart van zijn boei heeft ontslagen.
 
 
 
Zij wist niet wat blik haar beloerde, wat slang
 
De roos reeds vernielde, die bloeide op heur wang,
 
Wat adem haar woei ten verderven;
 
Wat gif men ging druplen in 't pijnlijkst der wond,
 
Wat vreeselijk doel aan heur doel zich verbond',
 
Wie 't gloeijende hart zoû doen sterven.
[p. 83]

V.

 
Welk een lichtzee stroomt ons tegen
 
In het duister van den nacht!
 
Wat geschater allerwegen!
 
Hoe men jubelt, joelt en lacht!
 
 
 
Hoe men opziet naar die zalen,
 
Waar de vensters, hel verlicht,
 
Uren ver in 't rond verhalen
 
Van het feest daar aangerigt.
 
 
 
O wat bloemen langs die wanden,
 
Bloemen op den grond gestrooid;
 
Spiegels met vergulde randen
 
Met festoenen opgetooid!
 
 
 
Gouden luchters, zilvren lampen,
 
Beeldengroepen, flonkerpracht,
 
Bloemengeuren, wierrookdampen,
 
Duizend glansen in den nacht!
[p. 84]
 
Welk een uitgekozen weelde
 
Spreidt die feestzaal hier ten toon!
 
Al wat ooit de zinnen streelde
 
Wordt den gasten aangeboôn.
 
 
 
Bruiloft viert men in die woning,
 
Schaatrend houdt de rijkdom feest,
 
En die pracht en praalvertooning
 
Heerscht bij 't huwlijksouter 't meest.
 
 
 
Om zijn hoogst geluk te vieren
 
Geeft de bruidegom 't festijn:
 
't Kostbaarst moest zijn woning sieren,
 
Zoû die harer waardig zijn.
 
 
 
En de scharen der genooden,
 
Uitgedoscht in 't prachtgewaad,
 
Hoe zij allen háár vergoden
 
Die daar aan zijn zijde staat!
[p. 85]
 
Haar, de schitrende uitverkoren
 
Van den rijken planterszoon,
 
Wie biedt haar geen lof? - te voren
 
Heette Edith by niemand schoon.
 
 
 
Zie, hoe vorstlijk aan zijn zijde,
 
In dat blaauw satijnen kleed,
 
- Och! dat niemand haar benijde! -
 
Zij daar statig henentreedt!
 
 
 
Hoe heur kwijnende oogen stralen
 
Als zij tot hem opziet! - Hij
 
Laat zijn blikken zoekend dwalen...
 
Zoekt hij de éénige aan zijn zij?
 
 
 
Hoor nu! wat liefelijk ruischende toonen
 
't Schittrend orkest noodt hen uit tot den dans,
 
Jonkers, volleerd in 't huld'gen der schoonen,
 
Zien nu hun wenschen met gunste bekroonen,
 
En aller oog straalt van dubbelen glans.
[p. 86]
 
Zie! hoe zij zweven, en zwaaijen, en zwieren,
 
Hoor! hoe schelklinkend die triplende maat;
 
Zie! hoe die paren in dwarlkringen gieren,
 
't Purper het bleekste gelaat komt vercieren,
 
Met een begoochelend schoon incarnaat.
 
 
 
Zie! - maar de bruid wordt gevoerd uit de reijen,
 
Naauwlijks begon zij den pijlsnellen wals,
 
Of zij vroeg Edmund haar heen te geleien
 
Waar zij in stilte zich af konde scheijen;
 
Want haar vermoeide het woelen des bals.
 
 
 
Ginds op de sopha, den danskring onttogen,
 
Heeft zij heur hand in de zijne geklemd,
 
Heeft zij heur hoofd op zijn schouder gebogen,
 
Zoekt zij zoo lang en zoo teêr in zijn oogen,
 
Wat hem het harte beknelt en ontstemt.
[p. 87]

VI.

 
Op de straat en op de stoep
 
Digte drommen, groep bij groep. -
 
Zaamgeschoold in't licht van boven,
 
Wordt men daar een dansend paar
 
Door het raamgordijn gewaar.
 
Hoe men, joelend opgestoven,
 
Hals en armen uitgerekt,
 
Klautrend zich naar boven trekt
 
Om van 't prachtvol feest der grooten,
 
Van die zaal voor 't volk gesloten,
 
Van hun kostbaar feestgewaad,
 
Van het vonklend hoofdsieraad
 
Dier zoo rijk gedoschte vrouwen
 
Iets, hoe luttel ook, te aanschouwen;
 
Op het ruischen der muzijk
 
Vloeit, uit buurt en achterwijk
 
Ras een bonte menigt' zamen
 
Onder de opgeschoven ramen
[p. 88]
 
En wie daar voorbij moet gaan,
 
Blijft een wijle luistrend staan.
 
 
 
Vol begeerte tuurt de jeugd,
 
Tintlende van zielsgeneugt,
 
Naar den wulpschen dans der paren,
 
Sneller jaagt hun 't bloed door de âren
 
Bij die wilde, dartle maat,
 
Die haar ketent aan de straat.
 
 
 
Wie daar gluurt met vonklende oogen
 
Naar die lichte vensterbogen,
 
Niemand die, zoo onverpoosd,
 
Moeite en ongemak zich troost
 
Om, bij 't golven der gordijnen
 
In de breede raamkozijnen,
 
't Paartje, dat zich ongezien,
 
Onbemerkt waant, te bespiên
 
Dan die vrouw, die na het staren
 
Eensklaps opvliegt en de scharen
 
Zoekend rondsluipt om te ontwaren,
[p. 89]
 
Wie er is en wie verschijnt,
 
Wie er uit den hoop verdwijnt.
 
Van die allen die daar stonden.
 
.................
 
.................
 
 
 
‘Leila! Ha! in 't end gevonden!’
 
Krijscht zij, heftig opgewonden,
 
En als in de ziel verheugd -
 
‘Meisjelief! nu hier gebleven:
 
Doet ook u die bruiloftsvreugd
 
't Vurig, driftig hartje beven?
 
Kom, uw jeugdig vaste blik
 
Ziet ligt verder hier dan ik,
 
Onderscheidt meer scherp en juister
 
In 't bedrieglijk schemerduister,
 
Die gestalten daar omhoog;
 
Zie dáár, in den vensterboog.
 
Zie die twee, zoo lief gebogen
 
Naar elkander, vurig, teêr,...
 
Zie! gestaâg zoekt hij heur oogen,
[p. 90]
 
Werpt zich aan heur voeten neêr.
 
Is het Edmund, die zijn schoone,
 
Rijke bruid zijn hulde biedt?
 
Maar hij raadt het zeker niet
 
Welk een blik hem thans bespiedt. -
 
Dat uw teêrheid hèm verschoone!
 
Maar, melieve, wie is zij
 
Die daar aanzweeft, schuldloos, blij,
 
Zoo eenvoudig, zoo lieftallig,
 
Uitgedoscht in 't zuiverst wit?
 
Zie! zij buigt zich - hoe bevallig -
 
Lagchend neder naast Edith?’
 
- ‘Dat is Clara, in wier oogen
 
Ik een ziel vol mededoogen,
 
Stille, kiesche goedheid las,
 
Clara, die me een engel was! -
 
Leila! hier! Kom schielijk nader!
 
Is die grijze heer heur vader?
 
- 'k Weet niets van diens naam noch stand....
 
Leila!’ - en zij greep heur hand -
 
‘Hàren naam toch moet gij weten?
[p. 91]
 
- Nooit zal dien mijn hart vergeten:
 
Clara Duclis.’ -
 
Doelloos strak
 
Staarde de oude voor zich henen.
 
De opgespallekte oogen schenen
 
Dof verglaasd - geen zucht verbrak
 
't Aaklig zwijgen van die vrouwen?
 
't Scheen als had die lichte zaal
 
Met heur vrolijkheid en praal
 
Beide een helgeest doen aanschouwen?
 
.................
 
.................
 
Maar gelach en blij gejoel
 
Klonk van boven, toen de paren,
 
Weêr ten dans zich zouden scharen,
 
En zich menglend in 't gewoel,
 
Zag men Clara, van die schoonen
 
Wel de schoonste. Dartle toonen
 
Klonken weêr door de avondlucht,
 
En, herlevend op 't gerucht,
 
Sprak weêr de oude, en ach! er trilde
[p. 92]
 
Iets zoo vreeslijks in heur stem:
 
‘'k Meende straks dat gij voor hem
 
Dansen wildet!’ 't Meisje rilde.
 
- ‘Ja, 'k zal dansen, moeder! geef
 
Dan uw drupplen voor mijn bloemen,
 
Deze krans zal 't bruidje roemen
 
Als de schoonste!.... Goed zoo.... 'k beef!...
 
Moeder!!... Ja, 'k zal dansen!!...

VII.

 
De deuren slaan open - wat fee zweeft daar in,
 
Zoo schoon als geen fabel kan malen?
 
Zoo schittrend en trotsch als een Oostervorstin,
 
Met oogen zoo zwart, waaruit schalleksche min
 
Of machtige hartstocht moet stralen?
 
 
 
Zij nijgt, - en blikt tartend de danszaal in 't rond,
 
En houdt aller blikken gekluisterd;
 
En 't spreekt uit den spotlach, die zweeft om heur mond,
[p. 93]
 
‘'t Is Leila, wier vuurblik de harten doorwondt
 
En 't schoon van de schoonsten verduistert.’
 
 
 
Nu windt zij den prachtvollen shawl om de leên,
 
Met gouddraad en paarlen doorweven,
 
En zwaait dien, in golvenden boog, om zich heen,
 
En toovert op eens weêr de slippen uitéén,
 
Die wolkend heur voorhoofd omzweven...
 
 
 
Zoo vangt zij een dans aan, die allen ontgloeit,
 
Een dans zoo als geen mocht aanschouwen,
 
Wanneer ze, als op vleugels, in draaikringen roeit
 
Of pijlsnel, als had zij met feeën gestoeid,
 
Terug ijlt om 't veld te behouën.
 
 
 
Heur dans is geen spel, neen! 't is kunst-ideaal,
 
Als nooit Bayadère bezielde;
 
Heur houding, gebaren, 't is 't gloeijend verhaal
 
- Geen stem zoo wegslepend, zoo schokkend geen taal -
 
Van 't hart dat de wanhoop vernielde.
[p. 94]
 
En als zij heur shawl als ten bloemkorf ontplooit,
 
En achtloos heur bloemen en kransen
 
Al lagchend in 't hair van de jonkvrouwen strooit
 
En zelve met bloemen den boezem zich tooit
 
Bij 't luchtige en sierlijke dansen
 
 
 
Dan spreekt zij, op roerend lieftalligen toon,
 
Van 't argeloos, zorgeloos leven
 
Der jublende kindsheid, aan 't leed ongewoon,
 
Van de aard', steeds in de oogen der onschuld zoo schoon,
 
Als droomen ons dartlend omzweven.
 
 
 
Zoo mist er geen enkle beweging heur doel,
 
Bezield zijn en houding en trekken;
 
En staat ze als een standbeeld zoo roerloos en koel,
 
Toch weten heur blikken, vol tintlend gevoel,
 
De hoogste bewondring te wekken.
 
 
 
Als waren heur voetjes bevleugeld, zoo snel,
 
Zweeft Leila de zaal op en neder;
 
Maar sierlijk, bevallig is 't kunstvolle spel,
[p. 95]
 
Al wordt ook het vuur in heur blikken te fel,
 
De blos op heur wang toch blijft teder.
 
 
 
De dans nu wordt dwarlend, en gierend en wild,
 
- Bewondering klimt tot vervoering -
 
Daar deinst zij, en wankelt, en siddert, en rilt....
 
De bloemkrans ontvalt aan heur hand, en die trilt,
 
En bleek is heur wang van ontroering.
 
 
 
Zoo staat zij aâmechtig voor de oogen der bruid,
 
- Die schittert van trots en van hope -
 
Terwijl zij, als droomend heur armen ontsluit,
 
Dan siddert als had ze op een adder gestuit,
 
En vlucht als de woud-antilopé.

VIII.

 
En luid gejuich en handgeklap,
 
En duizend bravoos stijgen,
 
En roemen 't zoo volheerlijk spel -
[p. 96]
 
Doch bruid en bruigom zwijgen.
 
Want, wie die tooveres niet kent,
 
Zij beiden kennen haar te wel;
 
Schoon geen heur naam durft noemen,
 
Noch zelfs heur gaven roemen.
 
Maar Clara Duclis, 't argloos kind,
 
Slechts door heur hart gedrongen,
 
Komt jublend toegesprongen,
 
En neemt de hand der danseres
 
En voert haar in den kring.
 
Er straalde geestdrift uit heur oogen,
 
Toen zij daar lagchend henenging,
 
En vroeg: ‘heb ik gelogen
 
Toen 'k zeide dat heur ziel,
 
Niet laag gezonken, niet gemeen,
 
Maar rijk begaafd moest wezen?
 
Heur voorhoofd deed mij lezen,
 
Wat u zoo onbegrijplijk scheen:
 
Dat uit die schitrend schoone leest
 
Hier de adel spreekt van hart en geest.’
 
Edith was bleek en koud als marmer,
[p. 97]
 
Zij voelde zich vernederd, armer
 
Dan 't uitgeworpen slavekind
 
Dat aller oogen had verblind