|
|
|
| |
| | | |
Drie rode hobbelpaardjes
Drie rode hobbelpaardjes,
die sloegen aan het hobbelen,
aan 't hobbelen om het hardst.
Ze hobbelden door straten,
ze hobbelden door stegen,
ze hobbelden over pleinen
Ze hobbelden over hobbeltjes,
ze hobbelden over bobbeltjes,
ze hobbelden over knobbeltjes,
ze hobbelden over wei en strand,
ze hobbelden door het hele land.
Naar Utrecht en naar Sappemeer,
naar Valkenburg en Winterswijk,
naar Vlissingen en Wormerveer
En overal waar ze hobbelden,
daar stonden de mensen langs de kant
en riepen: ‘Hup, hup, hup!’
en zwaaiden met vlaggetjes in hun hand.
Maar toen begon het te regenen,
te regenen om het hardst.
De paardjes zeiden: ‘Wat is dit?’
en werden van rood verschrikkelijk wit -
en werden tot in hun manen nat,
zodat ze riepen: ‘Wat is dat?’
| | | |
En alle mensen liepen heen.
Toen zijn de paardjes doodalleen
maar weer naar huis gehobbeld.
Daar stonden ze dan in hun stal,
hun oude hobbelpaardenstal
en zuchtten: ‘Het is al te mal,
waar zijn we aan begonnen
en wie heeft nou gewonnen?’

|
|
|