|
|
|
| |
| | | |
De zeven mannetjes
Op het pleintje van het dorp,
daar zitten op een bank van steen
en die praten voor zich heen
met een stem vol krakerigheid
toen waren de koeien vetter,
toen was de jeugd veel netter,
toen had je geen geschetter
(dat mocht niet van de pliesie),
je hoorde geen brommotoren
knalpotteren aan je oren,
toen waren de mensen deftig
en deden nooit haastig of heftig,
toen was de wereld nog rustig en goed
en als er een bruiloft was,
dan droeg je een hoge zijen hoed.
| | | |
Zo zitten ze de hele dag,
die zeven ouwe mannetjes,
daar op die bank van steen
en zeggen met een stem vol spijt:
Waar blijft de tijd? Waar blijft de tijd?
Maar wat kan je d'r aan doen?
|
|
|