[p. 9]
I
Midden in een tochtje met de auto, in een file in een bos,
maakte ik mij los van mijzelf. Allemaal d'r uit, zei ik
- vrouw en kinderen, de tas met truien en de thermosfles -
en zette een leger zelf achter het stuur, sloeg de deur toe
(ik gaf hem eigenschappen mee maar geen manieren)
en zwaaide hem krampachtig na, wij namen wel de bus want
je stapt wel in maar daarmee stap je nog niet uit. Daar
gaat hij, door mij en zonder mij en slaat hij al een bijzin in.
Het wordt een zomeravond, hoge bermen langs de ringvaart.
Het veer met heimwee maakt zich los van de overkant.
Daarachter loopt een dichte bomenrij het land in en daarachter
ligt in zijn hoofd het dorp in zijn beschadigend verband.
Hij is er al te vaak geweest om iets te vinden maar
het was al op zijn rug gegroeid tot een onmerkbaar zware loze
maar genadevolle last die voor geen stad geschikt is.
Als van het veer de klep ratelend is neergelaten
voegt hij zich in het verkeer en draait ter stad de ringweg op
die hoog tegen het lege lijf der lucht silhouetteert.
‘Als ik deze afslag neem, ken ik nooit de andere.’
Ik ben zijn lot, ik neem het stuur en laat hem binnengaan
(o angst die tot het leven voert, laat ons niet ondergaan),
gracht na gracht, geen telefoon, Amerikanen, meeuwen.
Hij is mooi maar een vervalser maar mijn hartevanger
dus mijn troost in de manieren die hij ondervindelijk
en pijnlijk overwint op zoveel wijkend wenkend ideaal:
harteloos engagement, slimme onbevangenheid.