[p. 13]
IV
Dit is het antwoordapparaat van uw dichter.
De dichter slaapt en kan u niet derhalve maar gelieve
hem in te spreken na de piep, vergeet uw naam niet.
Wees zachtmoedig in uw woord, hij kan u toch niet helpen.
Hij is u dank verschuldigd want hij warmt zijn voeten
aan uw eenzaamheid en dat hij trots is op de schoonheid
van uw tranen maar zijn harte blijft zo koud, zo koud...
U moet het allemaal maar zien als praten tegen weer
zo'n muur en in de weerklank dat uw dienaar soms iets hoort
van een betekenis, die gauw in tafeltjes van klei
gegrift, maar door een enkeling gekocht hier op de markt.
Klei, onleesbaar handschrift - dat is ander voedsel dan
de weelde in het westen en geen tempel meer waar aardse
geheimen branden als vroeger op het land aardappelloof.
O Wie, die soms door scheuren in de muur inzichtelijke
onzin kiert die stichtelijk al lang verjaard en daarom
ongepast maar ongestraft nog als nerveuze schoonheid
voor als we doodgaan en omdat we zo verdomd alleen
en soms als de grote adem van de liefde als een
moeder in de nacht over ons heen gebogen staat.
O Wie, strek uw handen naar ons woonerf uit, wij weten niets
in kletspraat bij een voortuin, in gemompel bij de open haard...
Zie het dus als praten wat uw dichter met u doet,
dat hij u los moet laten na een enkel woord en u de zin
moet zien te vinden als een straat, dat u een hoek omslaat,
in een nieuwe zin manieren vindt ter lering van uw dichter.
Hij slaapt en praat, dat is zijn hopeloos engagement,
de demokraat: hier komt de piep, u kunt een woordje tot hem richten.
(ademen, klik)