terug  begin  verderprepost
[p. 15]

VI

 
Bij een stoplicht wijst de klignoteur naar links, de stad in
 
maar bij groen stuurt zijn hand hem weer omhoog de ringweg op,
 
het asfalt naar het noorden en al gauw de klinkerwegen
 
van het hart. Boven een sloot waarin de zon is weggelekt,
 
streelt hij het stroeve zilver van de leuning van de brug,
 
silhouetten voor het plakboek van de geest, hij weet: ons huis
 
is bijgespijkerd, doorgetrokken en opnieuw verbouwd
 
en Heimwee, ongenode gast, aan tafel niemand vindt
 
dan Herinnering - dat ze samen maar te drinken beginnen.
 
Toch laat ik hem maar gaan, arceer de schemering.
 
Hij klaksonneert, zijn ouders springen in de ramen.
 
Hij komt hier kort en graag, na tien minuten bijgepraat
 
vertelt zijn moeder na van de tv en van zijn zuster,
 
wat leuk, mompelt vader uit het oog van zijn depressie,
 
soms vertelt hij steeds dezelfde anekdote uit zijn jeugd.
 
Heimwee is in slaap gesukkeld en Herinnering
 
hinkt met een schoenendoos vol foto's door het dorp,
 
buitelt door de krullen in de werkplaats met een hamer.
 
Als zondagochtendlicht zijn ogen opensnijdt, springt
 
zijn hart het bed uit en verwondt zich in de tuin aan
 
geuren maar verwondt zich bij de sloot aan nieuwe huizen.
 
Als hij wegrijdt en gezwaaid verdwaalt hij in een nieuwe wijk.
 
De polder geurt en kleurt tussen de huizen maar
 
dan is hij midden in verkaveld land en ziet hij niet
 
het dorp dat hij herkent want dat hij hier als kind
 
wel speelde, wijst een bord hem nu de richting om te gaan.
 
 
 
In een stadje in de buurt gaat hij aan boord. Zon en wind,
 
het wist zijn ogen open. Stoomvaart is hier mogelijk,
 
verder weg de jongenswereld in ligt Indië,
 
een oude meester trekt als havenwand voorbij.
 
Als een galjoen komt hij langszij het Openluchtmuseum.
 
Hij loopt een straatje op van gele klinkers, wasgoed aan de lijn
 
als medeklinkers in een taal die openslaat tot ademnood,
 
zijn hoofd vergeten is wat aanwaait om de hoek:
 
de timmerwerkplaats, hij wordt een krul, een neus vol zaagsel,
 
de schuitenhelling waar de teer hem om de polsen brandt,
 
belandt de verfwinkel in zijn oog met duizend stippen.
 
Hij wordt een tuin waar spreeuwen bloeien in de bomen.
[p. 16]
 
Hij wordt een erf met rinkelende melkbussen wordt hij heelhuids
 
in het hooiland om het dorp weer voor een leven neergelegd,
 
een propellervliegtuig in een lucht van peroxyde - vrede?
 
Er slaat een klok. De gaper van het Kleine Noord steekt hier
 
zijn tong uit. Hij struikelt naar buiten en het hek valt dicht.
 
Hij draait zich om en triomfantelijk verscheurt hij
 
zijn entreebewijs en doet de snippers duivend dalen
 
op de krullen van Heimwee, die zijn ogen sluit.
 
Geen vrede maar hereniging van wat gescheiden blijft.
 
Herinnering is ingestapt en maakt zich op in het spiegeltje.
 
Hij rijdt nu verder, armer maar zo sterk in openhartigheid,
 
met holle maag maar zo kalm een gangetje door verkaveld land
 
en ziet niet meer dan er te zien is met verstand.
 
Verdomd dat hij mij met mijzelf verzoent, voor even.
 
De wind die om mijn oren slaat - het wordt een ademtocht
 
die hem doet leven, en wordt in regels afgelegd.
 
Ik ben hem al weer kwijt, mijn helikopter - ah, een file
 
in mijn hoofd, hij zal wel ergens afgeslagen zijn.
prepostterug  begin  verder