[p. 18]
VIII
Ik zie het huis, wij worden stiller, lopen langzamer.
De joviale makelaar begroet ons klubje op de stoep.
Het drentelt in de hal, het kleumt wat bij elkaar.
De wereld is te groot voor enkelhartigheid, de dood
loopt nu al door de straten denken wij en zoeken wij
een grote tafel in een grote keuken en een tuin.
Nu gaan we drempels en verstandigheden en benepen
zegeningen over, laten bange moeders staan en ik
die thuis in deze liefde en geen roepende meer hoeft te zijn
maar in de holte tussen zich en hier de anderen
ook glanzend als een zachte steen en met uitgestoken hand
een deur uit komt, de straat oversteekt, ik stap
in de genade van een lege kamer, lege ramen,
de wilde tuin met katten en waar onze kinderen
en wij en het beschadigend verband van onze dagen.
Boven loop ik aan bij D en zoen haar op d'r oor, klop aan
bij A en B en geef hond C een poot en ga beneden
helpen in de keuken of ik let niet op voor de tv.
E valt van de loperloze trap, een dikke enkel
maar het gaat wel maar we gaan maar na een joviale groet,
dragen E wat van de trap, de straat uit naar een stil café.
Jij mijn jongen was ook mee en huil je, was het huis te groot
voor jou alleen en sta je buiten met de overbodigheid
van een ongekend verdriet maar laat mij binnen even staan
bij mijn herinnering. Die middag gingen wij welluidend
en geestdriftig uit elkaar en bleven altijd bij elkaar.