[p. 24]
XII
1 ouverture
Fiets tegen de muur, hij sleept het leven mee, bestormt
zijn eigen atelier, hij snijdt zijn kunst aan stukken, trekt
door een scheur de darmen uit de doeken, smeert ze uit
op pakpapier, een afwasborstel is penseel genoeg
voor woede. Bij klantenservice gaat hij als een beest
tekeer van twee tot drie. ‘Zijn kleuren zijn gewaagd.’
Midden in dit stripverhaal de bel, een telegram, verzamelaar.
‘Ik kom. Stop. Ga je ontdekken. Stop. Wil aktuele eeuwigheid.’
2 recitatief
Hij smijt zijn levende vriendin tegen de muur, hij roept:
ik denk wat mijn hand voelt, lul niet naar mijn hoofd.
Zij snibt:
kalmeer, je bent zo vals als mijn wimpers en je woede
is gewoon je eigen potje verf dat overkookt
.
Hij kalmeert en denkt: de rest is vormend licht dat noords
de dingen stil naar binnen brengt en dan gehard naar buiten.
Maar dat het nergens over gaat.
Schoonheid en een huis
,
dat is de kunst, de rest is leven, denken om een daad
.
3 duet
Hij gooit zijn kwast tegen de muur en pakt zijn fiets, hij roept:
ik ga de stad bewonen tot ik word gekraakt en trekt
het leven zelf bij mij in, de schaamte en de schade vallen
mij toe en dat ik daarmee samenval, met wat ik doe.
Onderduiker! Zen-boeddhist! Bewusteloos zal je bedoelen
.
Vitale machteloosheid ingewisseld voor het ziekenfonds
der ziel. Zit de moraal in het pakket. Word liever
heilssoldaat
. Ik zoek de luwte van de ziel niet maar
de wind die stormt en streelt want is de berg verdwenen
als het dal is dichtgesneeuwd. Het blauwvuur van de kunst verwarmt
ons maar niet de kunstenaar. Ik ga mijn wil verlaten
en dat ik word gewild.
Hij drost 'm, onze socialist!
Als een politikus ademt, liegt ie, staat hier op de muur.
Wie bij het vuur zit, stuurt de wolf op jacht
.
Ik ben geen jager dan per giro, goede manieren,
[p. 25]
wil niet leven buiten mij maar binnen in mijn leven zelf.
Je bent nerveus, je hebt geen ziel dan mij, ik ben je grond
,
graankorrel kom
. Ze ziet nog net zijn achterlicht de hoek om.
4 koor
Daar gaat hij om wat hij nu verlaat te zoeken in een stroom
van kletspraat en verveling. Zwaaien wij hem naar het leven
maar dat hij in zijn hoofd bezwerft als een nomade.
Ween Pictura, nu zijn hand zich warmt aan 's levens koudvuur.
Maar als hij hier terugkeert, als hij snakt naar ervaring:
ween vrouwen, om de liefde die verloren ging aan u.
Wereld ween, dat hij uw lot door het kleinst penseel verving.
5 da capo
Wat hier staat is uit de hand geschreven, niet bedoeld.
Ik zocht een atelier voor hem, een onderkomen, verf
voor zijn hand om weg te raken. Hij komt wel weer terug,
met de wereld in zijn bloed om met de deur op slot
en dan maar fietsen in zijn hoofd, om stroom te maken.