[p. 38]
XVII
Ik doorkruis de cirkels van de grachten naar het hart
waar ik in het bootje van mijn ziel, aan de oppervlakte
van het leven heen en weer woon en zoals ik in de klas
heen en weer loop door wat er achteraf te vertellen was.
Ajax, lekkere wijven en Natasja zegt: een basgitaar
en zulke lieve ogen in de sportschool gisteravond.
Ik haal de posters uit de ogen van de kids en daag
ze uit dit geringe lege lucifersdoosje stuk te slaan.
Geen weg naar huis, een losse tred, een plastic tasje aan m'n pols.
Geen jas, geen kraag, geen oogopslag, dus word ik steeds gerold.
Ik houd de pet van een agent vast die een man afrost.
Ik hoef geen fiets en geef de junk een gulden voor de dorst.
Nu ik deze straat neem, neem ik niet die steeg daar.
Een weg die niet verloren gaat, ik ben er niet en nooit geweest.
Als ik op mijn school werk, kan ik thuis geen woorden zweten.
Een hoofd dat boven water steekt maar leeft bij wat er zwemt.
Ik raap een fiets op en probeer een mopje op een lijster.
Een taxiploert mij klem rijdt, met de ketting om z'n nek dreigt.
Ik buig mijn hoofd en laat ze voor in winkels, van die wijven.
Ik sla de hamer in elkaar die mijn duim en niet de spijker.
Austin Healey, nieuwe lijn: de vulva van het nieuw design
vervoert mij maar liever loop ik onder in mijn eigen tijd.
Deze prachtige vrouw - de ander - stokt mij in m'n lijf
maar ik streel de leuning van deze brug om hier te zijn.
In een kerk demonstreer ik voor een dienstweigeraar.
Ik lees de krant en stuur een kaart naar Nicaragua.
Ik geef zijn hond een trap en bied de oude man een borrel aan.
Door het raampje van de Boeddha zie ik Marx in de regen staan.
Uit een dekschuit rookt een kolenvuur mij uit de diepte open:
zo rook het in het dorp. Ontheemde beelden kraken nu mijn hoofd
en gaan mij tot een rafelig maar ronder mens bewonen.
Relaxed maar dwars genoeg voor kunst laat ik mijn ogen stromen.
[p. 39]
Ik tel mijn vrienden niet, ik monster wie ik zie en vaar
met open ogen mee tot een van twee 'm drost. Is dat verraad.
Ik verveel me niet met kletspraat in een hoek van mijn verjaardag.
Ik luister waar ik ben en word met alle dingen later.
Kijk, de bijkrantredakteur die bij de deur staat voor een mythe.
Hij maakt een foto op zijn drievoet: ‘Simuleer nog eens verdriet,
jouw post-urbane wandel lijkt een trend en dat is nieuws
voor onze grote lege bladen. Geef me please een analyse.’
Mijn kamer in het kraakpand is de kachel veel te groot.
Ik heb een plastic tent gespannen waar ik in mijn stemming woon.
Ik word er 's morgens wakker als een schip dat net gedoopt is.
Als alles goed gaat wordt de boel nog volgend jaar gesloopt.
De zielsbeminde pijpt me tot ik klaarkom van mijn stuitje
tot mijn kruin en mijn hoofd, dat kraaiend kind, het duin afrolt
in de tijd, in haar krullen liggend blijft. In de ruiten meeuwen
klimmend in oktober. In de kamer als de zee de stad ruisend.