terug  begin  verderprepost

Baur, F.

Baur, Frank (Franciscus) * 20 april 1887 Vilvoorde; † 9 januari 1969 Waasmunster, dichter (onder pseudoniem Aran Burfs) en literatuurhistoricus die zich als neerlandicus concentreerde op de wetenschappelijk gefundeerde Gezelle-studie maar ook belangrijke bijdragen heeft geleverd op het gebied van het comparatisme en de algemene literatuurwetenschap.

 



illustratie

Baur groeide op als oudste zoon in een talrijk gezin. Hij volgde lager gemeentelijk onderwijs te Mechelen, Vilvoorde en Oostende. In Oostende voltooide hij in 1904 zijn middelbare studies, in de moderne afdeling van het atheneum. In die periode begon hij al gedichten te schrijven, die de invloed vertonen van Pol de Mont en van Guido Gezelle. Na enkele jaren in de katholieke journalistiek werkzaam te zijn geweest (in het weekblad Onze tijd en als parlementair redacteur in het Nieuws van de dag), behaalde hij via de Centrale Examencommissie het diploma oude humaniora, dat hem toegang verschafte tot de universitaire studie Germaanse talen. Hij legde het examen van de eerste kandidatuur aan de Katholieke Universiteit Leuven af in 1912, maar trad daarna in het Theologisch Seminarie te Mechelen in. Het instituut werd gesloten bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Baur vond tijdelijk werk als leraar middelbaar onderwijs, maar week in 1915 uit naar Nederland, waar hij tot de eerste studenten van C.G.N. de Vooys behoorde in Utrecht. Hij werd echter opgeroepen om zijn militaire dienst te doen en werd brancardier aan het IJzerfront.

Na de oorlog voltooide hij zijn studies Germaanse talen in Leuven. Vervolgens werd hij leraar aan het atheneum in Gent, waar hij ook een onderwijsopdracht kreeg aan de Rijksmiddelbare normaalschool. In 1927 werd hij belast met verschillende vakken Nederlandse letterkunde in de opleiding Germaanse talen van de Rijksuniversiteit Gent, een opdracht die nog werd uitgebreid met pedagogische vakken in het inmiddels opgerichte Hoger Opvoedkundig Instituut. Tijdens zijn Gents professoraat, dat werd afgesloten in 1957, groeide zijn reputatie als degelijke en veelzijdige wetenschapper, begiftigd met een pittige en snedige eruditie. Hij werd een geliefd lesgever en een gevierd spreker in brede kringen van toehoorders.

Baur werd lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde (sinds 1936 briefwisselend, vanaf 1939 tot zijn overlijden als werkend lid) en vervulde tussen 1946 en 1954 een parlementair mandaat als senator voor de CVP (christelijke volkspartij). Hij bleef ongehuwd.

Ontwikkeling en karakterisering

In 1909 al publiceerde de jonge journalist en dichter onder zijn pseudoniem Aran Burfs een uitvoerige studie over Onze dichters der ‘Heimat’. Proeve van dichterstudie, waarin hij een ‘gezonde Heimatkunst’ verdedigde als antidotum tegen het werk van de Nieuwe Gidsers, tegen het naturalisme en het symbolisme. De traditie van Gezelle zou volgens Baur worden voortgezet door René de Clercq en A. Rodenbach, aan wie hij in 1908 en 1909 ook korte studies wijdde. Kenmerkend voor deze vroege studies is niet alleen zijn uitgesproken voorkeur voor katholieke dichters maar ook een nadrukkelijk beleden Vlaamsgezindheid. Zijn vorming als neerlandicus, waarbij de colleges van De Vooys volgens zijn eigen getuigenis een belangrijke rol hebben gespeeld, zou zijn blik verbreden. Hij sloot zijn studies af in 1920 met een eindwerk over Het probleem der literatuurwetenschap, dat een aanzet vormt van ‘De literatuur, haar historiografie en methodes’, afgedrukt als algemene inleiding in het eerste deel van de Geschiedenis van de letterkunde der Nederlanden (1939), waarvan Baur de hoofdredacteur was. Dit opstel kan worden beschouwd als de vroegste inleiding in de algemene literatuurwetenschap in de Nederlanden.

Baurs wetenschappelijke bijdragen omvatten publicaties op het gebied van de moedertaaldidactiek en van het letterkundig comparatisme. Baanbrekend is vooral zijn werk op het gebied van de Gezelle-studie. Hij heeft een belangrijk aandeel gehad in het tot stand komen van de Jubileumuitgave van Guido Gezelle's volledige dichtwerken (1930-1935), waarvan hij verschillende delen verzorgde en waarin de correspondentie Gezelle-Van Oye is afgedrukt. In aansluiting daarbij bezorgde hij Uit Gezelle's leven en werk (1930), een dundrukeditie van de Dichtwerken (2 dln., 1938; met in de tweede, herziene druk, 1943, een synthetische inleiding), en nog twee andere dundrukedities: Proza en varia en Gelegenheidspoëzie (1950); in 1947 liet hij nog een bloemlezing uit de gedichten verschijnen, gerangschikt volgens thema's.

In veel van zijn Gezelle-opstellen toont Baur het belang aan van een nauwgezette studie van de chronologie van de verzen. Dit tekstgenetisch onderzoek vormt echter slechts een onderdeel van zijn ‘Gezelliana’, waarin ook vertalingen aan bod komen, evenals de vriendschap met Van Oye, die hij als ‘christelijke caritas’ interpreteerde, hiermee ingaande tegen de ‘heidense’ interpretatie van Gezelle's eros, voorgesteld door Urbain van de Voorde. Baurs belangstelling voor het biografisch onderzoek kwam verder nog tot uiting in een nieuwe studie over Albrecht Rodenbach. Het leven. De persoonlijkheid (1960), waarin hij een poging ondernam om het beeld van de ‘ideale jongeling’ te corrigeren aan de hand van onuitgegeven bronnenmateriaal. Baur combineerde een filologische acribie met een ‘intuïtief’ inlevingsvermogen en liet het biografische onderzoek samengaan met nauwgezette tekststudie.

Invloed

Door zijn legendarische welsprekendheid en door zijn superieure pedagogische kwaliteiten groeide Baur uit tot een succesrijk hoogleraar. Dezelfde kwaliteiten maakten hem ook tot een geliefd feestredenaar. Reeds in 1948 werd hem een tweedelig Hulde-album aangeboden. Ook in latere hulde-adressen werden zijn buitengewone verdiensten, ook als mens en als cultuurdrager in het licht gesteld. Het Kultureel Jaarboek 1966 van de Provincie Oost-Vlaanderen bracht onder de titel ‘scripta minora’ een keuze uit de opstellen uit zijn hoogleraarstijd, samen met een herdruk van ‘De literatuur, haar historiografie en methodes’. Het opstel gaat uit van een nog steeds actuele visie op de literatuurgeschiedenis, ingebed in haar cultuurhistorische context.

 

Anne Marie Musschoot
[15 oktober 2003]

Voornaamste geschriften

René de Clercq. Brussel, 1908.
Onze dichters der Heimat. Proeve van dichterstudie. Brussel, 1909 (onder pseudoniem Aran Burfs).
Uit Gezelle's leven en werk. Brussel-Leuven, 1930; Amsterdam, 1931.
‘Inleiding’. In: Geschiedenis van de letterkunde der Nederlanden. I. Antwerpen-'s-Hertogenbosch, 1939.
Albrecht Rodenbach. Het leven. De persoonlijkheid. Tielt-Den Haag, 1960.

Belangrijkste secundaire literatuur

Beknopte bibliografie in Album F. Baur (1948), Van Elslander 1985, Van Elslander 1987 en Van Elslander 1998.
A. van Elslander: ‘Frank Baur’. In: Nationaal Biografisch woordenboek XI (1985), p. 14-28.
A. van Elslander: ‘Prof.dr. Frank Baur (1887-1969). Zijn werkzaamheden in de Academie’. In: Verslagen en Mededelingen van de KANTL 1987, p. 216-225.
A. van Elslander: ‘Baur, Frank’. In: Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, 1998, p. 396-397.

Locatie archief

Het archief van Baur werd verspreid. Zijn omvangrijke bibliotheek werd aangekocht door de Facultés universitaires Notre Dame de la Paix te Namen.

Locatie brievencollectie

Van Baur is geen brievencollectie bekend.

prepostterug  begin  verder