Blommaert, Philip-Marie * 27 augustus 1808 Gent; † 14 augustus 1871 Gent, letterkundige die zich inzette voor de Vlaamse Beweging, over vaderlandse geschiedenis en literatuurhistorie publiceerde, veel oude teksten editeerde en actief was in diverse letterkundige en historische genootschappen in België en Nederland.

Na het atheneum studeerde jonkheer Philip-Marie Blommaert, net als zijn vader en grootvader, rechten. Hij huwde op drieëndertigjarige leeftijd een vrouw uit een rijke Gentse familie, Theresia Charlotte Massez. Zij kregen twee zonen: Karel Philip (1842) en Jean-Paul (1844). Hoewel Blommaert gepromoveerd was aan de rechtenfaculteit, zou hij nooit een juridisch beroep uitoefenen. Korte tijd had hij zitting in de provincieraad van Oost-Vlaanderen en in de gemeenteraad van Gent, maar politieke functies lagen de zachtmoedige studeerkamergeleerde slecht. Zijn adellijke afkomst en zijn financiële situatie maakten het voor hem mogelijk om zich zijn hele leven in te zetten voor de Vlaamse zaak en zich bezig te houden met zijn grote liefdes, de Nederlandstalige letteren en vaderlandse geschiedenis. In januari 1839 was hij samen met onder meer Serrure en De Saint-Genois betrokken bij de oprichting van een nieuw letterkundig genootschap te Gent: de Maetschappy der Vlaemsche bibliophilen, die het doel had om Vlaamse teksten uit de Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd uit te geven. Blommaert was vanaf de oprichting secretaris. Zijn naam verscheen daarna tevens op de ledenlijsten van soortgelijke genootschappen te Leuven, Brussel, Brugge, Duinkerken, Antwerpen, Leiden, Utrecht en zelfs Leeuwarden.
Blommaert voelt zich al vroeg betrokken bij de strijd van de Vlaamse Beweging voor de rechten van het Nederlands in België. Zijn eerste publicatie verschijnt niet lang na de afscheiding van Nederland: Aenmerkingen over de verwaerloozing der nederduitsche tael (1832), een pamflet waarin hij zijn beklag doet over de ondergeschikte rol van het Nederlands in het jonge België. Blommaerts betrokkenheid bij de Vlaamse Beweging gaat hierna verder. Samen met F.A. Snellaert neemt hij in 1840 het initiatief om een petitie in te dienen bij de regering. Wie dit ‘Petitionnement’ heeft geschreven, is nog altijd onderwerp van discussie, maar het is zeer wel mogelijk dat Blommaert degene is die de pen heeft gevoerd. De samenstellers pleiten voor het gebruik van het Nederlands naast het Frans bij bestuurlijke aangelegenheden, oprichting van een Vlaamse academie en een gelijkwaardige positie van het ‘Nederduits’ aan de universiteiten. Hoewel het petitionnement geen directe resultaten oplevert, geldt het als een belangrijk geschrift: voor het eerst is de Belgische regering ondubbelzinnig en rechtstreeks gevraagd om de positie van het Nederlands te verbeteren.
Blommaerts liefde voor de Vlaamse taal en cultuur gaat hand in hand met een grote historische belangstelling. Hij verdiept zich in de beschaving van de oude Germanen, omdat hij in de wijze waarop die overvleugeld dreigde te worden door de Romeinse cultuur een parallel ziet met de problemen van de volkstaal in de eigen tijd. Hij schrijft hervertellingen van mythen en sagen van onze voorouders (zoals de Edda en het Nevelingenlied) en publiceert onder meer over de oude Germaanse wetgeving, godsdienst en manier van begraven. Deze artikelen verwerkt hij later in het boek Aloude geschiedenis der Belgen of Nederduitschers (1849).
Maar Blommaerts hart ligt in de eerste plaats bij de Middeleeuwen, de bloeitijd van Vlaanderen. Daarbij heeft hij vooral aandacht voor zijn eigen stad: van zijn hand verschijnen onder meer een artikel over de Gentse gilden, een artikel over de inhuldiging van graaf Jan zonder Vrees in Gent in 1405, een artikel en een boekje over de oorlog die Gent in 1450-1453 tegen de hertog van Bourgondië voerde en twee boekjes over Gentse rederijkerskamers. Maar hij schrijft bijvoorbeeld ook over de kamers van retorica in Veurne en omgeving, Petrarca's reis naar de Nederlanden en de Spiegel historiael van Lodewijk van Velthem. Blommaert is echter vooral van betekenis geweest vanwege zijn tekstedities. Zijn eerste editie is die van vier teksten uit het handschrift-Van Hulthem (Theophilus, Vander zielen ende vanden lichame, Vander feesten een proper dinc en De maghet van Gend). Met J.F. Willems en de Duitse geleerde F.J. Mone behoort hij daarmee tot de eerste editeurs van teksten uit dit handschrift. Niet lang daarna verschijnt zijn driedelige Oudvlaemsche gedichten (1838-1851), waarin behalve Hulthem-teksten ook de eerste uitgaven te vinden zijn van enkele werken die nu tot de bekendste uit de Middelnederlandse literatuur behoren: Tprieel en Tpaerlement van Troyen van Segher Diengotgaf, de Borchgravinne van Vergi en de Reis van Sinte Brandaen, alsmede Tondalus' visioen en de Dietsche Lucidarius. Voorts geeft hij samen met Serrure de Kronyk van Vlaenderen van 580 tot 1467 en de Grimbergsche oorlog uit, publiceert hij het Leven van Sinte Amand en maakt hij een editie van Der vrouwen heimelykheid.
Al hebben de Middeleeuwen Blommaerts primaire interesse, hij houdt zich ook bezig met Vlaanderen tijdens de Spaanse overheersing. Hij geeft uit deze periode voornamelijk geschiedkundige werken uit, waarbij hij opnieuw een niet-aflatende voorkeur voor Gent heeft: de Vlaemsche kronijk (over Gent in de jaren 1566-1585), Het beclagh van Joncheer Jan van Hembyse (een Gentse politicus tussen 1577 en 1579) en de Incomste des princen van Oraengien binnen der stede van Ghendt 1577. Maar hij publiceert ook een zestiende-eeuws handschrift met Spaansgezinde teksten.
Hij schrijft daarnaast talrijke artikelen over nu vrijwel vergeten zeventiende-eeuwse Vlaamse dichters als Willem Caudron en Karel Baten. Verschillende van deze artikelen zal hij later verwerken in De nederduitsche schryvers van Gent (1861). Na dat boek zal hij nog meewerken aan Graf- en gedenkschriften der provincie Oost-Vlaanderen (1865-1866), samen met onder meer Jules de Saint-Genois en C.P. Serrure, en aan de Biographie nationale, het grote Franstalige biografische woordenboek van de Académie royale de Belgique.
Blommaerts zo bevlogen - en daarmee zelden objectief historiografische -geschiedkundige geschriften raakten al snel in de vergetelheid. Maar zijn tekstedities bleven lange tijd in gebruik. Dat neemt echter niet weg dat er al vanaf het eind van de negentiende eeuw veel kritiek op zijn uitgaven is: hij heeft woorden in de handschriften volkomen verkeerd gelezen, emendeert naar de smaak van latere generaties te weinig of onjuist en geeft met verkeerde interpunctie blijk van onvolledig begrip van de teksten. Desondanks was men gedurende meer dan een eeuw voor veel teksten aangewezen op Blommaerts edities. Pas nu in 1999 het gehele handschrift-Van Hulthem is uitgegeven, zijn nagenoeg alle door Blommaert gepubliceerde teksten beschikbaar in nieuwere edities. Slechts een heel enkele tekst (onder andere de Dietsche Lucidarius en de Grimbergsche oorlog) vormt daarop een uitzondering.
Nolanda Klunder
[17 september 2002]
| ‘Aenmerkingen over de verwaerloozing der nederduitsche tael’. In: Nederduitsche letteroefeningen 1834, p. 11-30. (Eerder afzonderlijk verschenen, 1832). |
| ‘Geschiedenis der nederduitsche dichtkunst in België’. In: Nederduitsche letteroefeningen 1834, p. 124-136. |
| Theophilus, Gedicht der XIVe eeuw, gevolgd door drie andere gedichten van het zelfde tydvak. Gent, 1836. |
| Oudvlaemsche gedichten der XIIe, XIIIe en XIVe eeuwen. Gent, 1838-1851. 3 dln. |
| Leven van Sinte Amand, Patroon der Nederlanden. Dichtstuk der XIVe eeuw. Gent, 1842-1843. 2 dln. (Maetschappy der Vlaemsche bibliophilen; 1e serie, 4). |
| Aloude geschiedenis der Belgen of Nederduitschers. Gent, 1849. |
| (met C.P. Serrure): De Grimbergsche oorlog, ridderdicht uit de XIVe eeuw. Gent, 1852-1854. 2 dln. (Maetschappy der Vlaemsche bibliophilen; 2e serie, 14). |
| De nederduitsche schryvers van Gent. Gent, 1861. |
| Voornaamste publicaties genoemd in Deschamps 1966 en Klunder 2003. |
| J. Deschamps: ‘Blommaert, jonkheer Philip Marie’. In: Nationaal biografisch woordenboek. Dl. 2. Brussel, 1966, p. 63-68. |
| D. Hermans: ‘Philip Marie Blommaert’. In: Twintig eeuwen Vlaanderen. Dl. 13: Vlaamse figuren. Hasselt, 1976, p. 299-302. |
| A. Deprez: ‘Blommaert, jonkheer Philip M.’. In: R. de Schryver, B. de Wever, G. Durnez [e.a.] (red.): Nieuwe encyclopedie van de Vlaamse Beweging. Dl. 1. [z.p.], (1998), p. 515-516. |
| L. Valcke: ‘Twee stille en rijke, adellijke Gentse flaminganten: Philippe Blommaert en Jules de Saint-Genois’. In: J. Art en L. François (red.): Docendo discimus. Liber amicorum Romain Van Eenoo. (Gent, 1999), p. 615-627. |
| N. Klunder: ‘Een “onverdroten werkman in den Vlaamschen wijngaard”: Philip-Marie Blommaert (1808-1871)’. In: Wim van Anrooij, Dini Hogenelst en Geert Warnar (red.): Der vaderen boek. Beoefenaren van de studie van de Middelnederlandse letterkunde. Amsterdam, 2003, p. 37-48. |
Geen archief bekend.
Een enkele brief bevindt zich in de Provinsjale en Buma Biblioteek fan Fryslân, in het Letterkundig Museum en in de collectie van de universiteit Utrecht. Ook in de Gentse universiteitsbibliotheek bevinden zich brieven (zie CEN).