terug  begin  verderprepost

Bolland, G.J.P.J.

Bolland, Gerardus Johannes Petrus Josephus *Groningen; 9 juni 1854 † Leiden 11 februari 1922, autodidact, taalkundige en geruchtmakend wijsgeer die bijzondere waardering voor de moedertaal had.

 



illustratie

Na een moeilijke jeugd waarin hij niet meer dan een lagere-schoolopleiding ontving, was Bolland in de jaren 1877-1879 werkzaam als onderwijzer te Katwijk aan Zee; hij stond daar vanwege zijn belangstelling voor het Sanskriet bekend als ‘meester Sansketans’. Na voor de hoofdakte L.O. gezakt te zijn - op het onderdeel Nederlandse taal - verbleef hij op instigatie van de Leidse hoogleraar Oudgermaans Pieter Jacob Cosijn (1840-1899) een jaar in Engeland om zich voor te bereiden op het examen voor de akte M.O. Engels, waarvoor hij in november 1880 met glans slaagde. Daartoe financieel in staat gesteld door een actie van Cosijn, die van Bollands capaciteiten hoge verwachtingen had, vertrok hij in december 1880 naar Duitsland om zich voor te bereiden op een taalkundige promotie. In Jena volgde hij onder meer colleges bij Berthold Delbrück (1842-1922) en Eduard Sievers (1850-1932).

Mede om financiële redenen opteerde Bolland eind januari 1881 voor een benoeming als leraar Engels en Duits in Batavia. In Indië begon hij zich op de filosofie toe te leggen. Mede door toedoen van zijn vroegere mentor Cosijn werd Bolland in maart 1896 tot hoogleraar in de bespiegelende wijsbegeerte te Leiden benoemd, waar hij al spoedig van zich deed spreken en grote aantallen leerlingen trok uit zeer verschillende kring. Hij wist de filosofie van Hegel in Nederland te doen herleven en heeft daarmee de belangstelling voor de wijsbegeerte in Nederland in belangrijke mate gestimuleerd. Zijn hantering van de Nederlandse taal is zeer karakteristiek; zijn ‘kameelzinnen’ en het ‘hollands-bollands’ in het algemeen werden door de linguïst-filosoof J.A. Dèr Mouw (1863-1919) scherp bekritiseerd.

Ontwikkeling en karakterisering

In 1879 publiceerde Bolland een artikel over het dialect van de stad Groningen in de Taalkundige Bijdragen, teneinde ‘der taalwetenschap in het algemeen, en den germanisten in het bijzonder’ een dienst te bewijzen. Daarmee gaf hij gehoor aan een oproep die een van de redacteuren van het blad, P.J. Cosijn, al in de Taal- en Letterbode van 1872 aan de Nederlandse onderwijzers gedaan had, om in geschrifte ‘van hunne kennis der volkstaal, zoo geordend mogelijk, [...] blijken te geven!’. Bij zijn vertrek in 1881 naar Indië betreurt hij het dat hij ‘gansch en al van den geesteskring der linguisten’ zal worden afgesneden; liever had hij de wetenschap gediend.

Eenmaal in Indië kreeg hij van Cosijn het advies de germanistiek maar op te geven en een ander arbeidsveld te kiezen, de studie der Indische talen; zijn kennis van het Germaans kon hij dan toepassen op het Javaans, Madurees etc. Nu heeft Bolland wel ‘iets’ aan Maleis gedaan, maar zich verder geconcentreerd op de klassieke talen en het Hebreeuws, zoals latere publicaties laten zien. In 1883 begint hij zich te richten op de filosofie. Zijn brief van 2 juli 1885 aan Cosijn is duidelijk wat betreft z'n wijsgerige interesses. Hij heeft, zo schrijft hij, veel Grieks en Latijn gelezen, de germanistiek enigszins bij weten te houden en heeft zelfs zin om weer naar dit vak terug te keren. Terloops liet hij weten Karl Brugmanns Grammatik en Hermann Pauls Principien ‘schoone werken’ te vinden. In de loop van 1893 stelde Bolland een geschrift over de Griekse klemtoon samen, dat enkele jaren later werd gepubliceerd in het tijdschrift Hellas; in 1897 verscheen het in uitgebreide versie separaat onder de titel Die althellenische Wortbetonung im Lichte der Geschichte. In dit werk is een grote hoeveelheid kennis neergeslagen op het gebied van de taalgeschiedenis en de vergelijkende taalwetenschap.

In de maanden december 1911 en januari 1912 trok professor Bolland door Vlaanderen om er te spreken over Het Nederlandsch als taal voor hoogere aangelegenheden des geestes. In een poging de ‘geliefde stamgenoten’ in hun taalstrijd een hart onder de riem te steken hield hij er een lange diatribe tegen het Frans. Het Nederlands was ‘[i]n het licht van de redelijke bezinning [...] zelfs de edelste van allen, de taal, welke, ofschoon de taal van een betrekkelijk klein volk, door de goddelijke Voorzienigheid voor het woord der wijsheid als bestemd schijnt!’. Bollands gedachten over het superieure Nederlands kunnen voor een belangrijk deel ook gezien worden als reprise van zestiende- en zeventiende-eeuws neerlandistisch gedachtegoed. Over de voortreffelijkheid van het Nederlands, ook voor wetenschappelijke doeleinden, vinden we opmerkingen onder meer bij de auteurs van de Twe-spraack (1584), in de Spreeckonst (1635) van Montanus, door wie ook het Frans bij gebrek aan echte ‘Menging’, de mogelijkheid om door samenstelling nieuwe woorden te maken, nadrukkelijk als een ‘Arme Spraec’ wordt getypeerd, en bij Simon Stevin, die zich goed rekenschap heeft gegeven van de ‘wonderlicke verborghen eygenschappen der Duytsche sprake’. De voortreffelijkheid van het Nederlands wordt ook door Bolland geadstrueerd met een verwijzing naar de productiviteit van diverse morfologische categorieën.

Inzake taalwaardering droeg Bolland in geschrifte en in brieven een duidelijke mening uit: het Frans en een hybride taal als het Engels waren niet geschikt om in te filosoferen; een Germaanse taal als het Nederlands was daarvoor beter geschikt. Deze overtuiging kwam hem op de nodige conflicten te staan, onder meer met de grondlegger van de significa, de Engelse Lady Victoria Welby (1837-1912). Hun door Frederik van Eeden geïnstigeerde briefwisseling was dan ook niet van lange duur.

Invloed

Men mag Bolland geen taalkundig dilettant noemen. Zijn mentor Cosijn had grote verwachtingen van hem en had hem graag als taalkundig collega gehad - ‘Hoe gaarne had ik U hier in Holland, het liefst in Leiden. Want van Uwe bemoeiingen in 't belang der wetenschap stelde ik mij de schoonste vruchten voor’ schreef hij hem op 17 september 1881. Was Bolland niet als filosoof, maar als linguïst naar Leiden gekomen, dan had hij een interessante rol kunnen spelen in de Nederlandse taalkunde rond de eeuwwisseling.

 

Jan Noordegraaf
[november 2003]

Voornaamste geschriften

‘Het dialect der stad Groningen (klankleer)’. In: Taalkundige Bijdragen 2 (1879), p. 278-301.
Die althellenische Wortbetonung im Lichte der Geschichte. Leiden, 1897. (Eerder gepubliceerd in Hellas. Organe de la société philhellénique d'Amsterdam 5 (1895), p. 195-251).
Het Nederlandsch als taal voor hoogere aangelegenheden des geestes. Brussel, 1912.

Belangrijkste secundaire literatuur

BWN 2, 44-47.
W.N.A. Klever: Jeugd en Indische jaren van G.J.P.J. Bolland. Amsterdam, 1969.
L.J.M. Bergmans: ‘Dutch as a language for the higher concerns of the mind. G.J.P.J. Bolland (1854-1922) and his critics’. In: F.J. Heyvaert & F. Steurs (eds), Worlds behind words. Festschrift F.G. Droste. Leuven, 1989, p. 307-316.
J. Noordegraaf: ‘Was Bolland taalgek?’. In: J.B. den Besten e.a. (red.): Vragende wijs. Festschrift L. Peeters. Amsterdam & Atlanta, 1990, p. 187-195. (Herdrukt in Oorsprong en ideaal. Opstellen over taalzoekers door Jan Noordegraaf. Münster, 1995, p. 121-133).
J. Noordegraaf: ‘Van Eeden, Bolland en Lady Welby’. In: Voortgang, jaarboek voor de neerlandistiek 12 (1991), p. 281-298.
W. Otterspeer: Bolland. Een biografie. Amsterdam, 1995.

Locatie archief

Archief Bolland, UB Leiden

zie verder Otterspeer 1995, p. 566.

Locatie brievencollecties

zie CEN; verder Otterspeer 1995

prepostterug  begin  verder