terug  begin  verderprepost

Brill, W.G.

Brill, Willem Gerard * 10 oktober 1811 Leiden; † 19 januari 1896 Utrecht, hoogleraar te Utrecht, taalkundige die enkele omvangrijke spraakkunsten schreef die in de negentiende eeuw als naslagwerk grote bekendheid genoten. Als hoogleraar vond hij de vaderlandse geschiedenis een belangrijker gebied dan de taalkunde.

 



illustratie

Brill werd geboren te Leiden, als oudste zoon van de bedrijfsleider van drukkerij Luchtmans. Willem Brill bezocht de Franse school en het Leids gymnasium. In 1828 schreef Brill zich aan de universiteit van Leiden in als student in de theologie. Na zijn proponentsexamen en na twee beroepen, die hij afwees, wendde Brill zich tot de studie van de letteren. Op 24 juni 1837 promoveerde hij op een dissertatie over Aristofanes.

In 1838 werd Brill docent voor Frans, Duits, Engels, Nederlands en Hebreeuws aan het Leidse gymnasium. Tijdens zijn leraarschap te Leiden verzorgde Brill ook colleges Duits aan de universiteit. Om zijn financiële zekerheid te vergroten vertrok hij naar Zutphen als docent voor moderne talen en geschiedenis aan het nieuwe Stedelijke Gymnasium.

Op 13 april 1859 werd Brill benoemd tot hoogleraar Nederlands en Vaderlandse Geschiedenis aan de universiteit van Utrecht als opvolger van Lodewijk Gerard Visscher (1797-1859). Brill doceerde een breed scala van vakken op het gebied van taal, letteren en geschiedenis aan relatief veel studenten, omdat deze vakken voor iedereen tot de propaedeuse behoorden. In zijn functie van hoogleraar werd Brill voorzitter van het Historisch Genootschap te Utrecht, dat belangrijke bronnen publiceerde.

Ontwikkeling en karakterisering

In 1838 publiceert Brill zijn eerste artikel in De Gids - over Goethe. Er zullen in De Gids nog vele artikelen volgen en Goethe zal tot het eind van zijn leven hem inspireren.

De eerste artikelen in De Gids (1838-1840) hebben in hoofdzaak literatuur en esthetiek als onderwerp. Latere stukken houden zich meer bezig met ethische beginselen en politiek-ideologische opvattingen. Er is moeilijk vat te krijgen op deze publicaties. Ter opening van zijn academische lessen als Leidse lector heeft hij zijn eerste Gids-artikel over Goethes Ifigenie voorgedragen. Hierin staat centraal Goethes poging persoonlijke gevoelens te onderdrukken bij het uitbeelden van het idee, de wezenskern van de objectieve wereld. In het tweede en derde artikel besteedt Brill aandacht aan de manier waarop die ideale wezenskern in de natuurlijke verschijnselen te ontdekken valt en gaat hij in op de relatie kunstenaar-werkelijkheid, c.q. natuur.

In Brills wereldbeeld is de natuur niet het verloren paradijs. De natuur is zinnelijk en vergankelijk. Maar de mens is het hoogste in de natuur: hij onderscheidt zich van alle levende wezens, omdat hij behalve zintuiglijk waarneemt, zich tegelijkertijd door de rede - het in ieder individu ingeplante goddelijke beginsel - bevrijdt van die natuur.

Aan Goethe ontleent Brill behalve de visie op kunst en natuur vooral de opvatting van de eeuwige ideeën als manifestaties. In het volle, vergankelijke leven kan door de mens het goddelijke gevat worden. Aan zijn Duitse voorbeelden Goethe en Herder ontleent Brill ook een heel praktisch-ethisch humaniteitsideaal.

Brill begint zich door zijn onderwijs in de talen ook bezig te houden met taal en taalwetenschap. Zo stelt hij een grammatica van het Nederlands samen, Hollandsche Spraakleer (1846), die onder licht gewijzigde titel en met interessante uitbreidingen en vervolgdelen tot 1881 herdrukt wordt; ook voor het lager onderwijs maakte hij een bewerking (1853). Min of meer ter inleiding op zijn grammaticale werken publiceert hij een brochure Over de taal (1844) en een artikel ‘Over den oorsprong der taal’ in De Gids (1851). Ook over het Frans en het Engels laat hij zijn licht schijnen: Kritische aanmerkingen over de Fransche Spraakkunst aan onderwijzers en examinatoren opgedragen (Leiden 1856) en Opmerkingen op het gebied der Engelsche Spraakkunst (Leiden 1858). In het Archief voor Nederlandsche taalkunde, het Nieuw Archief (1847-55) en in De Taalgids (1859-1867) publiceert hij ondertussen verschillende artikelen over taalkunde.

In Over de taal als het pand van 's menschen hoogen rang in de schepping en over het verband tusschen de meerdere of mindere intellectuële vatbaarheid eener natie, en de hoogere of lagere klasse, waartoe de taal, door haar gesproken behoort (1844) liet Brill zich voor zijn doen tamelijk theoretisch uit. Voor de visie op de taal is Herder zijn inspiratiebron: Abhandlung über den Ursprung der Sprache (1772).

De mens heeft de taal niet uitgevonden, noch is hem de taal rechtstreeks door God geschonken. Evenmin vormt het imiteren van natuurgeluiden of een emotionele ontlading de oorsprong van de menselijke taal. Brill legt de oorsprong in het denken. De mens is van nature in staat het wezen der dingen te ervaren. En dankzij zijn door God ingeplante natuur als redelijk wezen is de mens in staat dit wezen der dingen in taal weer te geven.

In 1846 verschijnt Brills Hollandsche spraakleer. Tijdens het schrijven van de spraakkunst met daarin de invloed van de nieuwe Duitse taalstudie, correspondeert Brill met Matthias de Vries. Op deze wijze maakt De Vries kennis met de resultaten van de historische en vergelijkende taalwetenschap. Voor Brill was een historisch verantwoorde spraakkunst voldoende: de systematiek van de historische-vergelijkende taalkunde was hem vreemd.

Theoretische aspecten stelt Brill in zijn spraakleer (1846) niet of slechts impliciet aan de orde. De opbouw van het werk is in grote mate gelijk aan die van een spraakkunst die sinds de Bataafse republiek als naslagwerk dienst deed, die van Pieter Weiland (1805). De woordsoorten krijgen bij Brill de meeste aandacht: dezelfde tien woordsoorten die vandaag de dag in de schoolgrammatica worden onderscheiden. Veel ruimte wordt besteed aan verbuiging en vervoeging. Karakteristiek voor Brill is zijn semantische analyse van het gebruik van de diverse woordsoorten en de functie van buigings-uitgangen (Brill 1863). Op basis van de woordsoorten komt Brill tot een beschrijving van allerlei syntactische verbindingen. Daarbij legt hij de nadruk op het werkwoord.

De morfologische aspecten van woorden zijn voor hem geen uiterlijke vormaspecten maar manifestaties van de innerlijke kracht van een woord. De Indo-Germaanse talen hebben het stadium bereikt dat de wezenlijke kracht van de woordklassen gedemonstreerd wordt dank zij een rijk en welgevormd systeem van buiging en vervoeging.

Aan de later aan de spraakkunsten toegevoegde Stijlleer (1866, 18802) is betrekkelijk weinig aandacht besteed. Deze stijlleer gaat over beeldspraak en retorica, maar evenzeer over literaire genres en tijdperken en de grote schrijvers uit de wereldliteratuur. Brill geeft in dit werk een synthese: zijn spraakkunstig werk stond in dienst van deze literair-esthetische benadering.

Vooral vanaf 1860 profileert Willem Brill zich als historicus. Redevoeringen over sociaal-cultuurhistorische onderwerpen, enkele Gids-artikelen en historische publicaties gaan hand in hand. Deze laatste studies brengt hij samen in Voorlezingen over de geschiedenis der Nederlanden (3 dln) die verschenen tussen 1861 en 1886. Later voegde hij hier nog een verzameling aan toe onder de titel: Betwiste bijzonderheden op het gebied der studie van de geschiedenis van ons land (1889). Brill moet nog plannen gehad hebben voor een grote wereldgeschiedenis waarvan alleen de eerste twee delen verschenen: een geschiedenis der volken in schetsen.

In Brills opstellen over vaderlandse geschiedenis is de zestiende en zeventiende eeuw met de opstand tegen Spanje een belangrijk thema. Niet het calvinisme is voor hem de kern van de opstand, maar de bedreigde gewetensvrijheid.

Doordrongen van het humaniteitsideaal heeft Brill zich geroepen gevoeld vanaf de katheder dit uit te dragen. We danken daaraan een grote hoeveelheid redevoeringen. Voor Brill moeten zij erg belangrijk geweest zijn: hij sprak zich uit tegenover leerlingen over wat hem ten diepste bezielde.

Invloed

De betekenis van Brill ligt niet op het terrein van de geschiedbeoefening, noch hebben zijn publicaties over literair-filosofische onderwerpen, hoe curieus, eigenzinnig of interessant, blijvende betekenis. De grootste invloed heeft Brill uitgeoefend via zijn spraakkunsten. Functioneerden zij als zodanig in de negentiende eeuw reeds als naslagwerk, betekenisvoller is de invloed die zijn spraakkunstig werk uitgeoefend heeft op de traditionele schoolgrammatica. Dankzij de bewerking door Van Dale van deze spraakkunsten beïnvloedt Brill indirect de manier waarop onderwijzers en leerlingen leren ontleden, een onderdeel van de schoolgrammatica dat omstreeks 1857-1860 in zwang kwam.

De wetenschappelijke ontwikkeling van de taalkunde heeft Brill echter niet diepgaand beïnvloed. Aan een strenge wetenschap heeft hij geen boodschap. Wijsheid gaat voor wetenschap. De feiten acht hij zonder ziel. Opsporen van details, kritische analyse van de werkelijkheid of van teksten is uiteindelijk zonder zin. Definities zijn overbodige scherpslijperij, methodische reflectie leidt ons af van de ware weg. Wetenschappelijke discussie kan leiden tot een onaangename confrontatie. De waarheid is gegeven, wij dienen haar slechts te erkennen.

De historisch-vergelijkende taalwetenschap heeft Brill daardoor niet op het hoogste niveau kunnen beoefenen. De theorievorming, de nadruk op de strenge wetten van de etymologie waren hem vreemd. De neo-grammatici zijn aan hem voorbijgegaan. Ook in de geschiedwetenschap ontbrak het hem aan methodische strengheid, aan concentratie op de details en het ontwikkelen van visie op basis van de uitkomsten van onderzoek.

 

L. van Driel
[februari 2004]

Voornaamste geschriften

‘Goethe's Faust, eene comedie’. In: De Gids 4, 1840, II, p. 477- 486.
‘Goethe uit het staatkundig oogpunt beschouwd’. In: De Gids 7, 1843, II, p. 653-662.
Over de taal, als het pand van 's menschen hoogen rang in de schepping, en over het verband tusschen de meerdere of mindere intellectuële vatbaarheid eener natie, en de hoogere of lagere klasse, waartoe de taal, door haar gesproken, behoort. Zutphen, 1844.
Hollandsche spraakleer. Leiden, 1846.
Hollandsche spraakleer ten gebruike bij inrichtingen van hooger onderwijs. Leiden, 1849.
Nederlandsche spraakleer ten gebruike bij inrichtingen van hooger onderwijs. Ie dl. Klankleer, woordvorming, aard en verbuiging der woorden. [2e uitg. Hollandsche spraakleer, 1849]. Leiden, 1854, 3e dr. Leiden, 1860; 4e dr. Leiden, 1871. IIe dl. Leer van den volzin (syntaxis). Leiden, 1852; 2e dr. Leiden, 1854; 3e dr. Leiden, 1863; 3e dr. Leiden, 1881.
Geestelijke nalatenschap van den Hoogleeraar W.G. Brill, (ed. P.D. Chantepie de la Saussaye). Leiden, 1896.

Belangrijkste secundaire literatuur

P.D. Chantepie de la Saussaye: ‘Levensbericht van Willem Gerard Brill’. In: Jaarboek van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen 1896. Amsterdam, 1897, p. 95-127. Ook in: P.D. Chantepie de la Saussaye: Portretten en Kritieken. Haarlem, 1909, p. 1-42.
Th. Druyven: ‘Samenspraak bij de Hollandsche Spraakleer. Over W.G. Brill en de samenwerking met M. de Vries bij de totstandkoming van de Hollandsche Spraakleer (1846)’. In: L. van Driel & J. Noordegraaf: Studies op het gebied van de geschiedenis van de taalkunde. Kloosterzande, 1982, p. 157-173.
M. de Groot: Het wereldbeeld van Willem Gerard Brill (1811-1896). Doc. scr. RU Utrecht 1982.
L. van Driel: ‘Willem Gerard Brill: tot dienstbare wetenschap geroepen’. In: L.J. Dorsman (red.), Beroep op wetenschap. Utrechtse geleerden tussen universiteit en samenleving 1850-1940. Utrecht 1999, p. 33-52.

Locatie archief en locatie brievencollecties

Niet bekend.

prepostterug  begin  verder