terug  begin  verderprepost

Bruin, C.C. de

Bruin, Cebus Cornelis (officieel Cebes Kornelis) de, *15 mei 1905 Nijkerk; † 9 oktober 1988 Leiden, neerlandicus die baanbrekend onderzoek verrichtte op het gebied van de Middelnederlandse bijbelvertalingen; als kerkhistoricus concentreerde hij zich op de geschiedenis van bijbel en vroomheid in de Middeleeuwen en de Reformatie.

 



illustratie

De Bruin bezocht het Stedelijk Gymnasium te Utrecht en begon aldaar in 1924 met zijn studie Nederlands, met als bijvak geschiedenis. Ondanks zijn grote belangstelling voor theologie koos hij niet voor die studierichting, omdat hij zich ongeschikt achtte voor het predikantschap. Als zijn leermeesters beschouwde hij C.G.N. de Vooys, A.G. van Hamel en G.W. Kernkamp. Bij De Vooys zou hij in 1934 promoveren. Na afsluiting van zijn studie, inclusief een jaar in Gent, werd hij leraar Nederlands. Van 1929 tot 1956 was hij werkzaam in het middelbaar onderwijs, eerst aan de Rijks-hbs te Oud-Beijerland (1929-1938), later aan het Marnix-Gymnasium en het Johannes Calvijn Lyceum te Rotterdam (1938-1956). Daarnaast doceerde hij van 1950-1970 aan de School voor Taal- en Letterkunde te Den Haag. Van 1956 tot 1975 was De Bruin hoogleraar aan de Leidse Theologische Faculteit, met als leeropdracht ‘geschiedenis van het christendom en van de leerstellingen van de christelijke godsdienst gedurende de middeleeuwen’. Deze benoeming betekende geen afscheid van de neerlandistiek. De Bruin gold in Leiden als ‘de meester van de twee studeerkamers’ en het is kenmerkend dat hij tot de meest gezaghebbende recensenten behoorde van zowel het Nederlands Archief voor Kerkgeschiedenis als het Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Hij was een geboren docent en een productief geleerde. In 1959 werd hij benoemd tot lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, en in 1976 werd hij buitenlands erelid van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde te Gent. In 1984 ontving hij de Prijs voor Meesterschap van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde voor zijn gehele wetenschappelijk oeuvre. Als persoon was hij bescheiden; zelf gewaagde hij van ‘een zekere geremdheid en neiging tot teruggetrokkenheid’.

Ontwikkeling en karakterisering

De Bruin promoveerde in 1934 op het eerste deel van zijn studie Middelnederlandse vertalingen van het Nieuwe Testament (1934-1935), een werk dat nog steeds als uitgangspunt dient voor onderzoek op dit terrein. Zijn aandacht voor de vertaaltechniek heeft vooral ten doel het auteurschap van de verschillende teksten te achterhalen. De bestudering van Nederlandse bijbelvertalingen is een constante in De Bruins wetenschappelijke leven geweest, evenals wat hij zelf eens noemde ‘het waterdragerswerk’ van het uitgeven van teksten. Als vrucht van zijn Leidse tijd verscheen het Corpus Sacrae Scripturae Neerlandicae Medii Aevi (1970-1984). Van de negentien delen die deze verzameling van Middelnederlandse bijbelteksten telt zijn er vijftien door De Bruin zelf bewerkt. Daarnaast wijdde hij onder meer een serie artikelen aan de ‘bijbelvertaler van 1360’.

Zijn grootste interesse ging uit naar het Luikse ‘Leven van Jezus’ (het Luikse Diatessaron), waarvan hij ook de stijl bewonderde. De nieuwtestamenticus Daniel Plooij en andere geleerden in binnen- en buitenland beschouwden deze evangeliënharmonie als een indirecte getuige van het oorspronkelijke Diatessaron van Tatianus (2e eeuw). Volgens Plooij zouden zelfs syricismen via het Latijn in het Luikse Diatessaron zijn terechtgekomen. De Bruin achtte dit te ver gezocht, en wenste de tekst allereerst te plaatsen in de eigen middeleeuwse context. De door Plooij c.s. als bijzonder beschouwde lezingen waren naar zijn mening deels ‘doodgewone Nederlandse woorden en wendingen’; deels waren zij te verklaren uit het feit dat gebruik gemaakt was van de Glossa Ordinaria. De Bruin verwees in dit verband naar de geglosseerde middeleeuwse evangeliënharmonieën. De monografie die De Bruin aan dit onderwerp wilde wijden, is echter niet tot stand gekomen.

De Bruins belangstelling voor bijbelvertalingen beperkte zich niet tot de Middeleeuwen. In De Statenbijbel en zijn voorgangers (1937), een boek dat hem landelijke bekendheid gaf, besprak hij ook de vroeg-reformatorische vertalingen.

Als hoogtepunt uit De Bruins oeuvre beschouwen velen zijn editie van De Middelnederlandse vertaling van ’De imitatione Christi‘ (Qui sequitur) van Thomas a Kempis in HS. Leiden, Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 339 (1954). Het werk was het resultaat van een regeringsopdracht. In de inleiding bestrijdt de Bruin op welsprekende wijze de argumenten die tegen het auteurschap van Thomas a Kempis zijn ingebracht. Hij keert zich in het bijzonder tegen J. van Ginneken s.j., die de stelling had verdedigd dat de Imitatio berustte op een in het Nederlands geschreven dagboek van Geert Grote.

Minder specifiek op Nederland gericht was De Bruins bewerking van deel II (Middeleeuwen) van de derde druk van het Handboek der Kerkgeschiedenis (1965), dat geruime tijd aan de theologische faculteiten in gebruik geweest is. Tot in zijn laatste levensjaren bleef De Bruin wetenschappeljk actief op de hem vertrouwde terreinen van bijbelvertalingen en Moderne Devotie.

Invloed

De Bruin stond in wetenschappelijke kring sedert het verschijnen van zijn dissertatie, en bij het grote publiek sedert zijn boek over de Statenbijbel, bekend als de kenner bij uitstek van de Nederlandse bijbelvertalingen. Er was geen herdenking op dit terrein, of De Bruin was er bij betrokken.

Men kende zijn naam ook doordat in het onderwijs gebruik werd gemaakt van zijn bloemlezing Middelnederlands geestelijk proza (1940), die door De Vooys was ingeleid. De Bruin verzorgde ook herziene edities van Verwijs' Bloemlezing uit de Middelnederlandse dichtkunst (de delen I-III verschenen in 1956-1958).

Het Corpus Sacrae Scripturae Neerlandicae Medii Aevi is nog steeds een onmisbare bron, al betreuren sommigen dat de editor de niet-bijbelse stof (de verhalen over Cyrus en Alexander bijvoorbeeld) heeft weggelaten. Wat de studie van het Luikse Diatessaron betreft, hebben A. den Hollander en U. Schmid in 1999 hernieuwde aandacht gevraagd voor De Bruins hypothesen (zie Queeste VI/2 (1999), p. 127-146.

 

J. Trapman
[13 augustus 2003]

Voornaamste geschriften

Middelnederlandse vertalingen van het Nieuwe Testament. Eerste gedeelte. (Diss. Utrecht 1934). Groningen, 1934.
Middelnederlandse vertalingen van het Nieuwe Testament. Groningen, 1935.
De Statenbijbel en zijn voorgangers. Leiden, 1937.
De Middelnederlandse vertaling van De Imitatione Christi (Qui sequitur) van Thomas a Kempis in hs. Leiden, Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 339.Uitgegeven, ingeleid en toegelicht. Leiden, 1954.
Handboek der Kerkgeschiedenis II: De Middeleeuwen. 's-Gravenhage, 1965.
Corpus Sacrae Scripturae Neerlandicae Medii Aevi. 19 delen, waarvan 15 bewerkt door C.C. de Bruin. Leiden, 1970-1984.
‘De Sermoenen van Niclaes Peeters’. In: Feestbundel, uitgegeven ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van het kerkhistorisch gezelschap S.S.S. Leiden, 1977, p. 7-49.

Belangrijkste secundaire literatuur

Bibliografie door A.V.N. van Woerden in Nederlands Archief voor Kerkgeschiedenis 69 (1989), p. 3-11 [niet opgenomen zijn korte artikelen in encyclopedieën en de talrijke recensies in o.a. Levende Talen, Nederlands Archief voor Kerkgeschiedenis, Nederlands Theologisch Tijdschrift,Neophilologus, De nieuwe taalgids, Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde]
[Conform de wens van De Bruin verschenen geen levensberichten vanwege de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde]
F.P. van Oostrom in Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 105 (1989), p. 1-2.
G.H.M. Posthumus Meyjes in Nederlands Archief voor Kerkgeschiedenis 89 (1989), p. 1-2.
F.P. van Oostrom: ‘De verzuiling voorbij? Middelnederlandse religieuze literatuur tussen affectie en distantie’. In: Literatuur 96-5 (1996), p. 264-265.
Voor de Prijs voor Meesterschap 1984 zie Jaarb. M.N.L. 1983-1984, Leiden, 1985, p. 182-198 (juryrapport, toespraak en dankwoord).
J. Trapman: ‘Cebus Cornelis de Bruin’. In: Biografisch Lexicon voor de Geschiedenis van het Nederlandse Protestantisme dl. 5. Kampen, 2001, p. 97-99.

Locatie archief

Geen De Bruin-achief bekend

Locatie brievencollecties

Onbekend

prepostterug  begin  verder