terug  begin  verderprepost

Dale, J.H. van

Dale, Johan Hendrik van * 15 februari 1828 Sluis; † 19 mei 1872 Sluis, onderwijzer en stadsarchivaris te Sluis, vooral bekend als bewerker van het woordenboek dat sindsdien zijn naam draagt. Daarnaast publiceerde hij artikelen op het gebied van de Nederlandse taalkunde en over de geschiedenis van zijn stad en streek.

 



illustratie

Van Dale werd opgeleid tot onderwijzer op de in zijn tijd gebruikelijke wijze: als kwekeling aan de school van Sluis en via zelfstudie. Hij behaalde de 2e rang en o.a. het diploma voor Frans. Van 1851 was hij hulponderwijzer aan kleine scholen in zijn streek, in 1854 werd hij benoemd tot hoofdonderwijzer aan de openbare school te Sluis. In 1855 werd hij benoemd tot archivaris van zijn stad.

Ontwikkeling en karakterisering

Aanvankelijk beperken Van Dale's publicaties zich tot vragen en antwoorden in De Navorscher over folkloristische, taalkundige en historische onderwerpen. In enkele tijdschriften (Archief voor Nederlandsche Taalkunde) reageert hij met korte artikelen op publicaties van anderen over taalkundige onderwerpen.

In 1854 begint hij met zijn zwager en een collega een jaarboekje voor zijn streek. Daarin publiceert hij voor een groot publiek over de geschiedenis van West-Zeeuws-Vlaanderen en vooral Sluis. Met zijn boezemvriend ds. H. Q. Janssen (St. Anna ter Muiden), die vooral in kerkgeschiedenis geïnteresseerd is, zet de jonge hoofdonderwijzer een wetenschappelijk forum op voor het historische onderzoek van zijn streek: Bijdragen tot de oudheidkunde en geschiedenis inzonderheid van Zeeuwsch-Vlaanderen (Middelburg, 1856-1860, 1863; 6 dln.). Ook schrijft hij schoolboekjes voor Nederlandse taal, geschiedenis, aardrijkskunde en bijbelse geschiedenis.

Geleidelijk krijgt hij een zekere naam dankzij een constante stroom van niet al te lange artikelen (‘sprokkelingen’) in de tijdschrijften De Taalgids en de Taal- en letterbode. Daaruit spreekt grote interesse voor de studie van de Nederlandse taal en een brede kennis van de spraakkunst, de schoolgrammatica, het dialect van zijn streek en het Middelnederlands. Spellingskwesties en woordbetekenis zijn de hoofdonderwerpen; vooral Middelnederlandse woorden die hij aantreft in de stukken op het archief van zijn woonplaats zetten hem aan tot studie en publicaties. Enkele bronnenpublicaties van archivalia, waaronder een reglement voor de scheepvaart en de tollen op het Zwin, passen in dit kader.

In het begin van de jaren zestig bewerkt Van Dale de spraakkunst van W.G. Brill - een klassiek opgebouwd naslagwerk waarin klank- en vormleer centraal staan - tot een serie leerboeken voor de zinsontleding voor (aanstaande) onderwijzers. De behoefte aan zo'n methode was groot doordat de vernieuwing van het lager onderwijs het onderdeel ‘zinsontleding’ omvatte. Van Dale's leer- en handboeken volgen het werk van Brill op de voet, maar ze zijn origineel in de wijze waarop de klassieke syntaxis van het Nederlands (als een leer van de verbinding van woorden) vormgegeven wordt als een semantisch- syntactische analyse van de zin. In dat opzicht geeft Van Dale's bewerking richting aan de ontwikkeling van dit onderdeel van de schoolgrammatica.

Via zijn vriend Arie de Jager raakt Van Dale betrokken bij het herzien van een spellingsgids volgens de richtlijnen van M. de Vries en L.A. te Winkel, met wie hij correspondeert. Mede door zijn vele stukken over woorden en woordvormen ontwikkelt hij zich tot een ‘lexicograaf in spe’.

In 1867 krijgt Van Dale te horen dat de redactie van het Woordenboek der Nederlandsche Taal versterking zoekt. Een van de uitgevers, D.A. Thieme, onderhandelt met hem over een mogelijk vertrek naar Leiden. Onderdeel van het opgesteld contract is de afspraak dat Van Dale voor de uitgevers van het WNT in Leiden een door hen opgekocht woordenboek van I.M. Calisch & S.N. Calisch zal bewerken. Van Dale wenst zich voorlopig niet aan het WNT te verbinden en blijft in Sluis, maar zet zich wel aan de herziening van het woordenboek.

Terwijl hij in de jaren 1867- 1872 nog verschillende taalkundige artikelen schrijft, die niet wezenlijk van karakter, aanpak of inhoud veranderen, werkt hij aan wat zijn naam zal vestigen: zijn nieuwe woordenboek. Als hij in 1872 sterft aan de pokken, maakt een oud-leerling Jan Manhave, die hem reeds assisteerde, dit woordenboek af. Het is in 1874 volledig verkrijgbaar.

Tijdens de herziening van het woordenboek van Calisch & Calisch wordt op hem als archivaris van zijn stad door het gemeentebestuur een dringend beroep gedaan om in de vorm van een historische reconstructie van het middeleeuwse Sluis, argumenten te leveren ten gunste van het stadsbestuur in een conflict met de staat over het eigendom van de wallen en de domeingronden.

Invloed

De betekenis van Van Dale geldt drie gebieden: de regionale geschiedenis, de zinsontleding en zijn woordenboek. Recent onderzoek naar de wijze waarop hij de bewerking van een bestaand woordenboek heeft gerealiseerd, moet zijn betekenis als ‘grondlegger’ van Van Dale's woordenboek serieus relativeren. In veel opzichten conformeert hij zich aan zijn voorbeeld en de aanvullingen, heterogeen en onevenwichtig, berusten vooral op het WNT en enkele andere bronnen. Een zelfstandige, moderne lexicograaf was Van Dale niet. Een modern taalkundige met kennis van de historische taalwetenschap evenmin. In vergelijk met het lexicografisch werk van De Vries en Te Winkel is hij een degelijke en geleerde onderwijzer, maar is zijn aanpak weinig doordacht en amateuristisch.

Zijn reputatie berust sterk op de bewerkingen van zijn woordenboek die na 1900 zijn naam tot merknaam maakten.

 

Lo van Driel
[oktober 2003]

Voornaamste geschriften

‘Bijdrage tot de kennis der Kadzandsche taal in het 4de district der provincie Zeeland’. In: Magazijn van Nederlandsche Taalkunde 5 (1851), p. 211-215.
‘Zamenstellingen van gelijke, alleen van klank verwisselende, woorden’. In: Archief voor Nederlandsche Taalkunde 3 (1851-1852), p. 207-212.
Bijdragen tot de Oudheidkunde en de geschiedenis inzonderheid van Zeeuwsch-Vlaanderen I-VI (1856-1863).
‘Iets over de afleiding van het woord vierschaar’. In: De Taalgids 1 (1859), p. 38-40.
Zinsontleding. Een leerboek voor onderwijzers en kweekelingen. - 1e stukje; 3e stukje. Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1864.
Een blik op de vorming der stad Sluis en op den aanleg harer verstingwerken van 1382 en 1587. Middelburg, Altorffer, 1871.

Belangrijkste secundaire literatuur

Lo van Driel: Een leven in woorden. J.H. van Dale - schoolmeester - archivaris - taalkundige. Zutphen, 2003.
Hierin is nagenoeg alle literatuur opgenomen, alsmede alle bekende brieven met vindplaatsen.

prepostterug  begin  verder