|
|
|
| |
Asselbergs, W.J.M.A.
Asselbergs, Willem Jan Marie Anton * 2 januari 1903 Bergen op
Zoom; † 27 juli 1968 Nijmegen, literatuurhistoricus, hoogleraar
Nederlandse en Algemene Letterkunde, als dichter en essayist bekend onder de
naam Anton van Duinkerken.

Willem Asselbergs was de oudste zoon van een Brabantse
bierbrouwer. Op negenjarige leeftijd ging hij naar de Franstalige kostschool van
fraters, de Ruwenberg, in Sint-Michielsgestel. Van zijn 12de tot zijn
24ste heeft hij het klein- en het grootseminarie van het Bisdom
Breda doorlopen, waar hij zich een degelijke kennis van de Latijnse en Franse
letterkunde, van theologie en filosofie heeft eigengemaakt In 1923 begon hij
gedichten te publiceren in het zuidelijk-katholieke tijdschrift Roeping.
Toen hem dit door de leiding van het seminarie verboden werd, koos hij, niet
zonder innerlijke strijd, voor de literatuur, verliet het seminarie en ging
Nederlands studeren aan de R.K. Leergangen in Tilburg. Vanaf 1927 tot 1952 is
hij verbonden geweest aan het dagblad De Tijd, waarin hij in het begin
voornamelijk Franse, later vooral Nederlandse boeken besprak. Op verzoek van
Jan Engelman werd hij redacteur van het meer noordelijk-katholieke tijdschrift
van de jongere generatie, De Gemeenschap. In 1937 verleende de
universiteit van Leuven de pas 34-jarige Van Duinkerken een eredoctoraat in de
Nederlandse Letteren op grond van de forse bloemlezing Dichters uit de tijd
der Contra-reformatie (1932), met een uitvoerige historische beschouwing
vooraf. In 1940 werd hij aan de Leidse
universiteit buitengewoon hoogleraar in de Vondelwetenschappen. Vanwege zijn principieel anti-fascistische
houding heeft hij gedurende de Tweede Wereldoorlog driekwart jaar moeten
doorbrengen in het gijzelaarskamp in Sint-Michielsgestel. De Jan van
Eijck-academie in Maastricht benoemde Asselbergs in 1948 tot hoogleraar
cultuurgeschiedenis. Vooral zijn magnum opus op het gebied van de
wetenschappelijke beoefening van de Nederlandse letterkunde: Het tijdperk
der vernieuwing van de Noordnederlandse Letterkunde (1880-1905), het
zogenaamde Negende deel, verschenen in 1951, leidde tot zijn benoeming
tot hoogleraar Nederlandse en Algemene letterkunde aan de universiteit van
Nijmegen. Deze functie heeft hij vervuld tot aan zijn dood in 1968.
| | Wetenschappelijke ontwikkeling en karakterisering
Het is onmogelijk de literatuurhistoricus W.J.M.A. Asselbergs
volkomen los te zien van de essayist en dichter Anton van Duinkerken. In
dezelfde tijd dat hij zijn eerste verzen publiceerde, was hij op zoek naar de
zin van de geschiedenis en naar een helder begrip van ‘literatuurgeschiedenis’.
Hij bestudeerde daartoe de ideeën van Albert Verwey en Dirk Coster. Vooral
door zijn persoonlijke contacten met deze laatste rijpten Asselbergs'
opvattingen over literatuurgeschiedenis als geschiedenis van de menselijke
geest en menselijke relaties. Evenals Coster kan men Asselbergs
christen-humanist noemen, maar bij Asselbergs is dit humanisme van zuiver
katholieke snit. Bezig zijn met literatuurgeschiedenis had z.i. geen zin als
het geen zoeken inhield naar de mens en de menselijke waardigheid. Studies op
het terrein van de letterkundige geschiedenis, of ze nu gaan over dichters uit
de contrareformatie, over figuren van het ‘Tweede plan’ of over de Tachtigers,
leidt Asselbergs in met nauwkeurige biografische gegevens en met het schetsen
van de maatschappelijke context waarin het letterkundige werk ontstaan is,
alvorens over te gaan tot de bespreking van de ontwikkelde ideeën of
waarden. Diezelfde werkwijze ziet men terug in zijn literair-kritisch werk in
kranten en tijdschriften. Uiteindelijk zoekt hij ook in zijn recensies de ziel
van de schrijver achter diens boek. Er is echter een groot verschil tussen zijn
boekbesprekingen in De Tijd en die in literaire bladen, als De
Gids - waarvan hij de eerste katholieke redacteur was - en De
Gemeenschap. Hij is zich er zeer van bewust in het katholieke dagblad te
schrijven voor minder geoefende lezers. Daarom beoordeelt hij boeken volgens
morele, zelfs katholieke maatstaven. In de literaire periodieken legt hij meer
kunstzinnige, literaire criteria aan. Dezelfde discrepantie doet zich voor
tussen zijn benadering van literatuur in zijn driedelige Bloemlezing uit de
katholieke poëzie (waarvan het bovengenoemde deel over de
Contra-reformatie er een is) en zijn zgn. Negende deel. Asselbergs
hanteerde bij de samenstelling van de bloemlezing, zoals uit recent onderzoek
zonneklaar is, noch wetenschappelijke, noch kunstzinnige, maar zuiver
ideologische, in zijn geval katholieke principes. Dus rijpe en groene
schrijvers werden, mits katholiek, tot poëet verklaard. Van Duinkerken
bezondigde zich bovendien aan een ‘annexatiestrategie’ waarbij diverse dichters
ten onrechte ingelijfd werden in de moederkerk Overigens had Menno ter Braak
dat al bij de verschijning van het derde deel, Dichters der emancipatie
(1939), geconstateerd.
Niet onder zijn literair pseudoniem, maar onder eigen naam en
titel, prof. dr. W.J.M.A. Asselbergs, verschijnt in 1951 het ‘Negende
deel’. De vlotte leesbaarheid ervan verraadt de bedreven journalist.
Bijzonder subtiel en raak zijn de schrijversportretten. Asselbergs expliciteert
hierin zijn uitgangspunt, dat de geschiedenis der letteren een wetenschap van
feiten is alvorens een wetenschap van waarden te worden. Tien
jaar eerder (in: Het Tweede Plan) had hij er al op gewezen, dat ze zeker
niet minder een wetenschap van waarden dan een van vormen is, al
is zij in beginsel als iedere historische wetenschap gegrond op het onderzoek
van feiten. Dat Asselbergs aandacht voor de vorm eveneens van
belang achtte is niet verwonderlijk bij iemand die in zijn gulzig genoten
humaniora-opleiding zo goed op de hoogte geraakt was van de klassieke wetten
der retorica en poëtica en zich daar ook met groot gemak van bediende in
zijn alom geprezen redevoeringen. Hij heeft aan diverse aspecten van literaire
vormbeheersing ook afzonderlijke studies gewijd. Uitstekende voorbeelden
daarvan zijn te vinden in zijn Nijmeegse colleges (1967).
Mag dit alles volgens hem belangrijk zijn voor de
wetenschappelijke beoefening van de letterkundige geschiedenis, Asselbergs zou
Van Duinkerken niet zijn als hij er niet evenzeer op gewezen had dat data -
zowel in de conventionele als in de moderne betekenis van dit woord -
alléén niet volstaan om toenadering tot poëzie te
verkrijgen. ‘Die is slechts hem vergund die tussen de beelden van de dichter de
zinne-beelden waarneemt en zijn roep naar het mysterie der dingen verstaat’
(Ascese der schoonheid, 1941).
Met zijn beschouwing van literatuur als allereerst een wetenschap
van feiten stond Asselbergs in de historiografische traditie van Jan te Winkel,
die overigens i.t.t. Asselbergs geen man van analyse en synthese was, maar
voornamelijk een feitenverzamelaar. Asselbergs toont veel minder affiniteit met
G. Kalff voor wie de esthetische waarde van literair werk - een subjectiever
criterium - voorop stond. Voor Asselbergs was literatuurgeschiedenis
geesteswetenschap, voor Kalff kunstgeschiedenis. De Groningse school van
Overdiep en Van Es, die stilistische criteria het hoogste goed achtte, was
Asselbergs vreemd. Zijn grote bloemlezing staat, katholiek ideologisch als zij
is, nog in de traditie van Gerard Brom, die hij zou opvolgen als hoogleraar in
Nijmegen. Maar in het Negende Deel toont Asselbergs zich aan deze
beperkte visie totaal ontstegen. Tegen Broms neiging tot stellingname
vóóraf lijkt hij zich zelfs af te zetten in zijn inaugurele rede
van 1952 als hij zijn studenten voorhoudt dat voorwaarde om de letteren te
kunnen bestuderen allereerst begrip is en niet oordeel.
Eenmaal hoogleraar in Nijmegen manifesteert Asselbergs zich,
behalve in zijn Brabantse Herinneringen (1964), louter als wetenschapper
en wel in korte, doorwrochte opstellen, de al genoemde Nijmeegse
colleges, stuk voor stuk getuigend van gedegen kennis over zeer diverse
onderwerpen.
| | Invloed
Het uitgaan van feiten, van teksten als concrete gegevens, eerder
dan van de ideeën van de dag, leidde ertoe, dat Asselbergs zijn leerlingen
bij voorkeur liet promoveren op degelijk geannoteerde tekstuitgaven. Volgens
hem bewees je daar het nageslacht groter dienst mee dan met theoretische
beschouwingen over literaire problemen, tijdgebonden als deze zijn. Veel
dissertaties zijn uitgaven van werk van dichters uit de contrareformatie en/of
dichters van Het Tweede Plan, gesitueerd in een brede cultuurhistorische
context. Meer dan zijn tijdgenoten/geschiedschrijvers heeft hij oog gehad voor
de Doorwerking van nieuwe letterkundige begrippen in bijvoorbeeld
toneel, literatuuronderwijs, journalistiek en streekliteratuur. Hij besluit
zelfs zijn Negende deel met een paragraaf gewijd aan
‘beroepsorganisatie’ van letterkundigen. Door zijn brede belangstelling en
maatschappelijk engagement was zijn invloed temidden van zijn tijdgenoten in
allerlei gremia aanzienlijk. Dit neemt echter niet weg dat hij nu als
literatuur-historicus, maar ook als dichter, goeddeels vergeten lijkt, ware het
niet dat hij juist de afgelopen jaren diverse malen onderwerp van historisch
onderzoek geweest is. En nu, in 2003, heeft zijn honderdste geboortedag in het
zuiden van het land geleid tot symposia en essays.
Nel Rogier
3 december 2003
| | Voornaamste geschriften
| Verzamelde gedichten. Utrecht, [1957]. |
| Verzamelde geschriften. 3 delen. Utrecht, 1962. |
| Festoenen voor een kerkportaal. Leuven,1966. |
| De stijl van Elkerlijk. Zwolle, 1968. |
| | Belangrijkste secundaire literatuur
| Levensberichten MNL: http://www.leidenuniv.nl/host/mnl/mnl/levens/68-69/asselbergs.htm |
| J.C. Brandt Corstius: ‘Herdenking van Willem J.M.A. Asselbergs.’ In:
Jaarboek der KNAW 1968-1969, p. 248-254. |
| André Roes: Een schaduw die verschuift. Baarn,
1984. |
| Kees Fens: ‘Asselbergs. De schrijver’. In: Literatuur jrg.6
(1989) p. 354-357. |
| Michel van der Plas: Daarom, mijnheer, noem ik mij
katholiek. Biografie van AvD. Amsterdam-Tielt, 2000. |
| Mariëlle Polman: De keerzijde van het leven. AvD als
literatuurcriticus bij De Tijd (1927-1952). Nijmegen, 2000. |
| Mathijs Sanders: ‘Monument of grafzerk? AvD als bloemlezer van
katholieke poëzie’. In: Mariëlle Polman (red.): Anton van
Duinkerken. Tilburg, 2003 (Zuidelijk Historisch Contact), p.131-144. |
| Charles van Leeuwen: ‘Een heerlijk en onuitputtelijk vakgebied.
AvD als geleerde’. In: Mariëlle Polman (red.): Anton van
Duinkerken. Tilburg, 2003 (Zuidelijk Historisch Contact), p.147-165. |
| | Locatie archief en brievencollecties
Letterkundig Museum in Den Haag.
|
|