|
|
|
| |
Frings, T.
Frings, Theodor *23 juli 1886 Dülken; † 6 juni 1968 Leipzig, Duits filoloog (taalkundige,
literatuurgeleerde en tekstuitgever), die als germanist het Nederlands systematisch in zijn
studie betrok. Een van de belangrijkste beoefenaars van de taal- en literatuurwetenschap in de
twintigste eeuw.

Frings werd als oudste van vier kinderen geboren in een stadje dicht bij de Nederlandse grens
ten oosten van Roermond. Hij verloor al vroeg zijn vader, die boekbinder was. Hij bezocht de
Oberrealschule (een soort HAVO) in het nabije Mönchengladbach en moest aanvullende
examens afleggen om het voor de toegang tot de universiteit vereiste ‘Abitur’ te behalen.
Van 1906 tot 1911 studeerde hij te Marburg de vakken Duits, Engels en Frans, met een
onderbreking in het zomersemester 1907, waarin hij te Leipzig studeerde. Hij promoveerde in
1911 te Marburg bij Ferdinand Wrede met Studien zur Dialektgeographie des Niederrheins
zwischen Düsseldorf und Aachen, als boek verschenen in 1913. Hij was dan enige tijd leraar
in Bonn en er tegelijk assistent van Johannes Franck bij het Rheinisches Wörterbuch. In 1915
habiliteerde hij zich te Bonn met een studie Die rheinische Accentuierung, die het jaar daarop
als boek verscheen. In 1917 werd hij te Bonn tot extraordinarius benoemd en twee jaar later,
nadat hij een aanbod om in Freiburg opvolger van Friedrich Kluge te worden had afgewezen,
tot gewoon hoogleraar. Hij richtte samen met de historicus Hermann Aubin te Bonn het
Institut für geschichtliche Landeskunde der Rheinlande op en ontwikkelde er de z.g.
cultuurmorfologische methode, die in de taalkunde en andere geesteswetenschappen zeer
vruchtbaar zou worden. In 1927 aanvaardde hij het aanbod van een leerstoel met hoog
aanzien te Leipzig: die van Eduard Sievers, die na een interregnum van Friedrich Neumann
vrij was gekomen. Hier zou hij blijven werken tot aan zijn plotselinge dood, als productief
wetenschapper, als wetenschapsorganisator en als centrale figuur in een school van
dialectologen, historisch-taalkundigen, lexicografen en mediëvisten. In een bombardement op
Leipzig in de nacht van 3 op 4 december 1943 gingen de volledige verzameling van het door
hem gestichte Obersächsisches Wörterbuch, een collectie kaarten van Zuidnederlandse
dialecten met commentaren, de manuscripten van een volledig woordenboek, van een rijm- en
formulestudie van Veldekes Servatius, een taalanalyse van de fragmenten van dat werk
evenals een reeks studies over de taal van diens liederen verloren. Dat alles werd na de oorlog
opnieuw opgebouwd. In die tijd ging Frings belangrijke nieuwe functies in de organisatie van
het wetenschappelijk bedrijf in de DDR vervullen: in 1948 werd hij president van de
Sächsische Akademie der Wissenschaften te Leipzig en in 1952 directeur van het Institut für
deutsche Sprache und Literatur bij de Deutsche Akademie der Wissenschaften te Berlijn,
waarvan hij sinds 1946 lid was. Daar kon hij o.a. bereiken dat het Deutsches Wörterbuch van
Jacob en Wilhelm Grimm met succes werd afgesloten. Onder de vele eerbewijzen die Frings
ten deel vielen, vernoemen we slechts zijn drie eredoctoraten: van de universiteiten van
Amsterdam (1937), Gent (1962) en Leipzig zelf (1966). Frings was getrouwd met de
eveneens aan de Nederrijn opgegroeide Hedwig Schmitz, die hem slechts enkele maanden
overleefde. Ze hadden twee kinderen, een dochter, die jong stierf, en een zoon, die in de
Tweede Wereldoorlog in een onderzeeër omkwam.
| | Ontwikkeling en karakterisering
De activiteit van Frings als neerlandicus is niet te scheiden van zijn werk als germanist. Zijn
moedertaal was het dialect van het Nederrijnse Dülken in de Zuidnederfrankische strook die
de voortzetting van het Limburgs is. ‘Der Grundstock der Sprache Veldekes war auch die
Sprache meiner Mutter, meine Muttersprache. Hochdeutsch habe ich nicht ohne Mühe
gelernt.’ Die afkomst en de gelukkige keuze van Marburg als studielocatie hebben
grotendeels zijn wetenschappelijke ontwikkeling bepaald. In Marburg bevond zich de
belangrijkste Duitse dialectologische onderneming, de Sprachatlas des deutschen Reichs van
Georg Wenker en Ferdinand Wrede, bij wie hij over een dialectologisch onderwerp van zijn
geboortestreek kon promoveren, maar tegelijk ook al een inzicht kon verwerven in de
opbouw van het Duitse dialectologische landschap en in expansiologische methodes. In
Marburg doceerde ook Friedrich Vogt, die juist in Frings' studietijd een nieuwe uitgave van
het boek met de vroege Middelhoogduitse minnelyriek Des Minnesangs Frühling
voorbereidde, die in 1911 verscheen. Daarin staan de liederen van Veldeke voor het eerst in
een Oudlimburgse versie die gebaseerd is op de taal van de in de voorafgaande jaren ontdekte
oude Servatiusfragmenten.
De vroege Bonnse jaren brengen een toepassing van het in Marburg geleerde op het
Rijnland. Dit wordt als een door vernieuwingen vanuit het zuiden overspoelde
‘Aufbruchslandschaft’ herkend. In een meesterlijke vroege synthese (1919) wordt ook het
Limburgs daarbij betrokken. Intussen had Frings al een boekje Über die neuere flämische
Literatur (1918) gepubliceerd, dat echter een buitenbeentje in zijn oeuvre zou blijven, en samen met de
Vlaamse germanist Jozef Vandenheuvel, die als krijgsgevangene bij een Bonnse tuinder te
werk was gesteld, had hij in opdracht van de Preußische Akademie der Wissenschaften in
krijgsgevangenenkampen een reeks opnamen van Zuidnederlandse dialecten gemaakt. Ze
verschenen in 1921 in boekvorm.
De in Bonn ontwikkelde cultuurgeografische methode ziet een regio als een
dynamisch en gedifferentieerd geheel, dat zijn gestalte door invloeden van buiten en van
binnen ontvangt. Deze worden door de historicus blootgelegd. Zij manifesteren zich niet
alleen in de geografie van de dialecten, maar ook in die van allerhande uitingen van het
volksleven evenals in die van de regionaal gebonden hogere cultuur, die door de
kunsthistoricus zichtbaar kan worden gemaakt. Al deze disciplines zijn te integreren in een
‘Kulturraumforschung’, die de geografische kaart als belangrijk werkinstrument gebruikt.
Het hoogtepunt van de Bonnse activiteit op dit gebied is het boek Kulturströmungen und
Kulturprovinzen in den Rheinlanden van 1926 met de delen Geschichte (Aubin), Sprache
(Frings) en Volkskunde (Josef Müller). In Leipzig wordt de methode dan toegepast op een
cultuurlandschap dat op een totaal andere manier tot stand is gekomen, door migratie en
bevolkingsvermenging, ook met anderstalige groepen: Kulturräume und Kulturströmungen im
mitteldeutschen Osten van 1936 door Wolfgang Ebert, Rudolf Kötschke, Theodor Frings,
Käthe Gleißner, Gerhart Streitberg.
Dat Middelduitse oosten is het landschap van Luther dat als zodanig een belangrijke
rol gespeeld heeft in de wording van het Duits als cultuurtaal. Frings streefde wat dit punt
betreft een synthese na, maar moest om die te bereiken na voornamelijk de klankleer nu ook
intensief de woordenschat in zijn taalhistorisch-geografisch onderzoek betrekken. Zijn
bijzondere belangstelling ging daarbij (ook in samenwerking met de romanist Walther von
Wartburg) uit naar het Romaanse leengoed en het christelijke erfgoed (o.a. Germania
Romana, 1932 en Antike und Christentum an der Wiege der deutschen Sprache, 1949). Dat
zijn onderwerpen met een Europese dimensie, en zo worden ze ook behandeld, met een even
intensieve belangstelling voor het Nederlandse als voor het Duitse taalgebied. De gebalde
taalhistorische synthese, waarin het aandeel van de kaarten even belangrijk is als dat van de
tekst, verscheen in 1948: Grundlegung einer Geschichte der deutschen Sprache, en werd in
latere drukken nog bijgewerkt. De eigen positie van het Nederlands had hij vooraf in 1944 al
in een afzonderlijk boekje behandeld: Die Stellung der Niederlande im Aufbau des
Germanischen.
De laatste fase in Frings' taalkundig werk kreeg haar impulsen van de lectuur van
Hermann Teucherts boek Die Sprachreste der niederländischen Siedlungen des 12.
Jahrhunderts van 1944. Bedoeld zijn de voortzettingen van de Nederlandse koloniën in de
buurt van de Weser- en Elbemondingen en vooral in de mark Brandenburg en omgeving.
Frings publiceerde daarover in Niederdeutsche Mitteilungen 6 (1950), 28-53 een uitvoerige
recensie, die tot een aanzet van een eigen onderzoek uitgroeide. Zestien jaar later verscheen
dan een in samenwerking met Gotthard Lerchner geschreven boek waarin de
woordgeografische opbouw van het Nederlands-Nederduitse gebied in het grotere geheel van
het Germaans behandeld wordt. Die opbouw bestaat uit een aantal ‘Wortverbände’,
complexen van woorden met benaderend identieke verspreiding. Daarin vormt het
Nederlandse complex samen met het Oostnederduitse het uitgangspunt van de verdeling.
Uiteindelijk heeft Frings de verdere uitwerking van deze thematiek aan zijn leerling Lerchner
overgelaten. Wel heeft hij in deze periode samen met Elisabeth Karg-Gasterstädt nog een
aantal afleveringen van het door hem gestichte grote Althochdeutsches Wörterbuch verzorgd
en ander lexicografisch werk gestimuleerd, maar het grootste deel van zijn energie besteedde
hij nu toch aan de studie van middeleeuwse literatuur, vooral aan het werk van Hendrik van
Veldeke.
In de tijd vóór de Tweede Wereldoorlog zijn studies van zijn hand over middeleeuwse
letterkunde nog niet talrijk. Wel is Veldeke van het begin af (1919) vertegenwoordigd. Een
hier niet direct interesserende, maar belangrijke episode in Frings' mediëvistisch werk hebben
zijn bemoeienissen met de Europese heldenepiek gevormd. In zijn studie van Veldeke speelt
de geografische invalshoek, die in zijn zuiver taalkundig werk al zo dominant aanwezig is,
een even belangrijke rol. Dat betekent enerzijds dat diens werken in een Rijn-Maaslandse
traditie gesitueerd worden, waarover Frings trouwens heel wat heeft gepubliceerd, anderzijds
dat het hem erop aankwam, de overgeleverde Veldeke-teksten in hun oorspronkelijke
taalgestalte te herstellen. Die was een Limburgse literatuurtaal, die gezien werd als een
schakel uit de in elkaar overgaande dialectgebieden tussen de Schelde en de Main. Na een
reeks grotendeels mislukte pogingen van voorgangers zag Frings in de taalkundige analyse
van de fragmenten van een Limburgs Servatiushandschrift van omstreeks 1200, aangevuld
met zijn dialectologische en taalhistorische kennis van het Rijn- en Maasland, een solide basis
om het hele werk van de dichter kritisch opnieuw uit te geven. In 1940 verscheen een uitgave
van Des Minnesangs Frühling met de liederen van Veldeke in de taalvorm waarin Frings ze
gestoken had. Na de catastrofe van 1943 werd de taalkundige analyse van de
Servatiusfragmenten in samenwerking met Gabriele Schieb herschreven en in 1946
gepubliceerd. Beide geleerden bezorgden in 1947 een nieuwe uitgave van de liederen met een
uitvoerig commentaar. In 1956 volgde de Sente Servas en in 1964 de Eneide, een uitgave
waarvan Schieb ‘die Last der kritisch-technischen Bearbeitung’ gedragen heeft. En
tussendoor verschenen dertien genummerde Veldeke-studies, verder een boek Drei
Veldekestudien (1949) en nog een paar artikelen, waaronder een verweerschrift van Frings
tegen Jozef van Mierlo, die hun Veldeke-concept had aangevallen.
Het Veldekeprobleem was voor Frings vooral een taalprobleem. De liederen zijn
overgeleverd in Westopperduitse handschriften, maar bevatten duidelijke ‘Nederlandse’
residuen, de Servaas is overgeleverd in een laat vijftiende-eeuws Limburgs handschrift en
voor een klein deel in fragmenten van de heel oude Limburgse codex, de Eneasroman in
zeven min of meer volledige handschriften en fragmenten van nog andere, dat alles gespreid
over het hele Hoogduitse gebied. Wel weten we dat er een Limburgs-Nederrijnse oerversie
bestaan heeft. Frings heeft, niettegenstaande de overlevering dus zeer sterk divergeert,
onverstoorbaar vastgehouden aan zijn concept van een Veldeke die zijn volledig werk in een
Limburgse literatuurtaal heeft geschreven en het ook dank zij de hulp van Gabriele Schieb tot
een goed einde gebracht. Zijn taalkundige onverstoorbaarheid belette hem echter niet, ook
oog te hebben voor literairhistorische problemen, vooral die welke met Veldekes liedkunst te
maken hebben: haar inbedding in de Duits-Nederlandse en de Europese minnezang (waarbij
ook Hadewijch werd betrokken) en de ontwikkeling van de lyricus Veldeke zelf.
| | Invloed en evaluatie
De invloed van Frings op de studie van de dialecten en de taalgeschiedenis, ook buiten het
Duitse taalgebied, is groot geweest. Dat betreft in de eerste plaats de interpretatie van
taalkaarten. De expansiologische methode is door hem niet uitgevonden (zijn voorbeeld was
Wrede), maar ze is door hem op een briljante manier tot ontwikkeling gebracht. Bij ons zijn
Grootaers, Kloeke en Heeroma duidelijk aan hem schatplichtig. Ook zijn datering van het
totstandkomen van taallandschappen (hij benadrukt het belang van de latere middeleeuwse
territoria en staat afwijzend tegen de invloed van Germaanse stamgrenzen) heeft tot navolging
geleid. Dat geldt verder ook voor de cultuurmorfologische aanpak (de voorganger van het
Amsterdamse Meertens Instituut is in de jaren dertig tot vijftig uitgebouwd naar het model
van het Bonnse instituut). Het idee dat de geschiedenis van een taal vanuit zijn
dialectgeografie beschreven kan worden, heeft hij in de praktijk gebracht. Het heeft bij ons
ook herhaaldelijk tot navolging geleid, maar wel nooit tot een taalhistorisch handboek. Zijn
oorspronkelijke bijdrage tot de stratigrafie en de geografie van de leenwoordenschat heeft ook
als model gefungeerd (bij ons o.a. bij Weijnen). Vanuit Nederlands perspectief is verder van
groot belang de verspreiding van het inzicht dat taalhistorisch onderzoek zich niet door
betrekkelijk recente politieke grenzen mag laten ophouden. Dat geldt ook voor de studie van
de middeleeuwse letterkunde.
In de tweede helft van de twintigste eeuw is zijn invloed duidelijk geringer geworden.
Dat is gedeeltelijk het gevolg van verschuivingen van zwaartepunten in het onderzoek en van
theoretische en methodische vernieuwingen, die de latere Frings overigens ook niet meer
heeft geassimileerd. Maar daarnaast is er ook kritiek gekomen op zijn werkwijze en op
datgene wat hij als de resultaten ervan beschouwde: zijn vermeende verwaarlozing van het
historisch bronnenmateriaal (Frings heeft echter spoedig ingezien dat hij hier een achterstand
had in te halen en heeft zelfs nog bijgedragen aan de ontwikkeling van de methodiek van het
bronnenonderzoek) en zijn te recente dateringen van bepaalde verschijnselen. Zijn steeds
toenemende neiging om met forse hand grote lijnen te trekken maakt zijn stellingen minder
falsifieerbaar. Zijn Veldeke-reconstructies, kritische uitgaven met als doel, niet zozeer de
tekst van een archetype, maar wel het taalproduct van een dichter terug te winnen, worden de
laatste decennia meestal sceptisch beoordeeld, hoewel ze een hele reeks voorlopers hebben
gehad, die ze ongetwijfeld kwalitatief overtreffen. De huidige mediëvistiek houdt zich graag
zo precies mogelijk aan de overlevering van de teksten.
J. Goossens
[maart 2004]
| | Voornaamste geschriften
| Het volgende lijstje bevat slechts titels die uitsluitend of overwegend aan Nederlandse
onderwerpen zijn gewijd, en verder een paar titels van verzameld werk. |
| (met J. van Ginneken): ‘Zur Geschichte des Niederfränkischen in Limburg’. In: Zeitschrift für
deutsche Mundarten 1919, p. 97-208. |
| (met J. Vandenheuvel): Die südniederländischen Mundarten. Texte, Untersuchungen, Karten.
Teil I: Texte. Marburg, 1921. |
| Die Stellung der Niederlande im Aufbau des Germanischen. Halle (Saale), 1944. |
| Sprache und Geschichte I, II, III. Halle (Saale), 1956. |
| (met G. Lerchner): Niederländisch und Niederdeutsch. Aufbau und Gliederung des
Niederdeutschen. Berlin, 1966. |
| Beiträge zur Geschichte der deutschen Sprache und Literatur (Halle) 91 (1971) (met
verzamelde opstellen, een herdenkingsartikel door R. Grosse, de bibliografie vanaf 1956, een
lijst van de onderscheidingen van Frings en van elders verschenen herdenkingsartikelen). |
| | Belangrijkste secundaire literatuur
| De volledige bibliografie tot 1956 staat in: Fragen und Forschungen im Bereich und Umkreis
der germanischen Philologie. Festgabe für Theodor Frings zum 70. Geburtstag 23. Juli 1956.
Berlin, 1956, p. 399-427. Het vervolg in: Beiträge zur Geschichte der deutschen Sprache und
Literatur (Halle) 91 (1971), p. 239-249 en 558. |
| H. Aubin: ‘Gemeinsam Erstrebtes. Umrisse eines Rechenschaftsberichtes’. In: Rheinische
Vierteljahrsblätter 17 (1952), p. 305-331. |
| L. Grootaers: ‘Theodor Frings’. In: Orbis 5 (1956), p. 268-271. |
| J. Goossens: ‘Theodor Frings en de Nederlandse dialectologie’. In: Leuvense Bijdragen 57
(1968), Bijblad, p. 95-102. |
| H. Kolb: ‘Theodor Frings 23.7.1886-6.6.1968’. In: Jahrbuch für Internationale Germanistik 2
(1970), p. 179-202. |
| J. Erben: ‘Theodor Frings, 1886-1968’. In: Bonner Gelehrte. Beiträge zur Geschichte der
Wissenschaften in Bonn. Bonn, 1970, p. 113-119. |
| M. Zender: ‘Gedenkworte für Theodor Frings’. In: Rheinische Vierteljahrsblätter 34 (1970),
p. 1-8. |
| G. Schieb: ‘Theodor Frings, Dülken 23 juli 1886 - Leipzig 6 juni 1968’. In: Jaarboek van de
Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1970-1971, p. 44-53. |
| R. Grosse: ‘Theodor Frings (1886-1968)’. In: Namhafte Hochschullehrer der Karl-Marx-Universität Leipzig 3. Leipzig, 1983, p. 5-14. |
| H. Brinkmann: ‘Aufbruch in Bonn. Zum hundertsten Geburtstag von Theodor Frings’. In:
Rheinische Vierteljahrsblätter 50 (1986), p. X-XIX. |
| H. Malige-Klappenbach: ‘Theodor Frings 23.7.1886-6.6.1968. Zu seinem 100. Geburtstag’.
In: Rheinische Vierteljahrsblätter 50 (1986), p. XX-XXX. |
| | Locatie archief en brievencollecties
Archiv der Berlin-Brandeburgischen Akademie der Wissenschaften, Jägerstrasse 22-23,
D-10117 Berlin, http://archiv.bbaw.de (zoeken op archivbestaende en/of abtnachlaesse). Het archief omvat 23,8
strekkende meter en bevat onder meer een omvangrijke collectie overdrukken, en ook
correspondentie. Het is toegankelijk.
|
|