Ginneken, Jacobus Joannes Antonius van,* 21 april 1877 Oudenbosch; † 20 oktober 1945 Nijmegen, linguïst, letterkundige en katholiek voorman. Vooral werkzaam op het gebied van de psycholinguïstiek, taalsociologie en taalbiologie. De vruchten van zijn rijke priesterleven zullen wij hier niet behandelen. Wij beperken ons tot de linguïst Van Ginneken.

Zijn vader was bierbrouwer, zijn moeder een eenvoudige, maar vastberaden vrouw, die nadat haar echtgenoot dodelijk verongelukt was, de opvoeding van haar drie kinderen als haar voornaamste taak zag. Jacques was in haar ogen voorbestemd om de bierbrouwerij te zijner tijd over te nemen. Daarom kwam hij terecht op de handelsschool in Katwijk. Doordat hij zich evenwel geroepen voelde om priester te worden bezocht hij het r.k. gymnasium Sint Willibrord eveneens te Katwijk en studeerde daarna nog twee jaar aan het kleinseminarie te Culemborg om in 1905 in te treden bij de jezuïeten. Zijn noviciaat deed hij in Huize Mariëndaal te Grave en zijn filosofie van 1899 tot 1902 in het Berchmanscollege te Oudenbosch. Vanaf 1902 studeerde hij Nederlands in Leiden, waar hij in 1907 zijn doctoraat cum laude behaalde op het proefschrift Principes de linguistique psychologique met als promotor C.C. Uhlenbeck. Na die promotie deed hij zijn theologische studies aan het Collegium Maximum te Maastricht, waarna zijn priesterwijding in 1910 volgde. Overeenkomstig de onderwijstraditie van de jezuïeten werd hij leraar Nederlands aan het Canisiuscollege in Nijmegen. Over het onderwijs in het Nederlands schreef hij verschillende boeken, zoals Als ons moedertaalonderwijs nog ooit gezond wil worden (1917), Leergang der Nederlandsche taal met daarin De roman van een kleuter (1917) en De Regenboogkleuren van Nederlands taal (1917). Buiten die didactische werken bezorgde hij ook een groots opgezet Handboek der Nederlandsche taal. In 1916 wordt hij lid van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen. De beschouwingen in zijn Handboek over de taal van de joden waren er de directe aanleiding toe dat de gemeenteraad van Amsterdam in 1919 de voordracht van het curatorium van de universiteit van Amsterdam om Van Ginneken tot opvolger van Jan te Winkel te benoemen naast zich neerlegde. In 1923 werd hij aan de pas gestichte katholieke universiteit van Nijmegen hoogleraar in de Nederlandse taal- en letterkunde, de vergelijkende Indo-Germaanse taalwetenschap en het Sanskriet. Dat bleef hij, ondanks een voortdurend lijden aan de tuberculose, tot een hersenbloeding hem in 1945 fataal werd.
Van Ginneken is een man van uitersten geweest. Zelf noemde hij zich ‘Gods verwende kind’. In de ogen van anderen was hij een ‘teken van tegenspraak’ (Hagen), ‘legendarisch, grillig en kleurrijk’ (Rogier), en zijn optreden was voor sommigen ‘schitterend en schetterend’ (Gerard Brom). Uit zijn geschriften doemt het beeld op van een man met tintelende intuïties en bekoorlijke visies, met een brede belangstelling en visionaire blik. Maar, hij was ook een wetenschappelijke opportunist die meedeinde op het succes van een nieuw taalkundig paradigma en dat ook weer met de snelheid van het licht herriep of inruilde als het in zijn beschouwingen paste. Hij was niet bang zijn mening te herzien, kon fors uithalen naar anderen, maar was overgevoelig voor hun kritiek. Een wonderlijke wetenschappelijke nieuwsgierigheid zorgde ervoor dat hij alles wat hij wist tot een grote synthese wilde verbinden. Opmerkelijk daarbij was dat hij weliswaar wetenschappelijk nieuwsgierig was, maar feitelijk geen wetenschappelijke twijfel kende, waardoor hij al te vaak te speculatief en te snel was in zijn conclusies. Zijn leerling en latere opvolger, A. Weijnen, vertelde in een interview met P.C. Paardekooper zelfs dat hij onverantwoord omsprong met zijn materiaal en weer anderen getuigden dat hij de acribie van de filoloog miste. Desondanks was hij een veelzijdig geleerde die meeslepend kon vertellen en schrijven en die met een enkele penseelstreek de gecompliceerdste zaken raak wist te typeren. Op zijn werklust en productiviteit stond geen maat. Omstreeks 700 artikelen, besprekingen, boeken, brochures enz. liet hij ons na. In het debat was hij kinderlijk naïef, onstuimig, eigengereid, ongedurig en op het autoritaire af. God gebruikte hij bij herhaling als autoriteitsargument o.a. in het spellingdebat tegen de aanhangers van Kollewijn. Het wapen dat humor heet en dat tegenstellingen verzacht en oneffenheden glad strijkt, behoorde jammer genoeg niet tot zijn instrumentarium.
In 1904 verschijnt in de Leuvense Bijdragen een omvangrijk artikel van Van Ginneken, getiteld ‘Grondbeginselen der psychologische taalwetenschap’. Een Franse versie hiervan Principes de linguistique psychologique verdedigt hij in 1907 als zijn proefschrift, dat een grote synthese is van taalkunde en psychologie (Elffers, Hagen), maar dat volgens Van Haeringen ‘meer geprezen dan gelezen’ is. Uit dit proefschrift blijkt dat voor Van Ginneken de ideale taalwetenschap de contemporaine, psychologische en sociologische geschiedenis van de moedertaal is. Omwille van de duidelijkheid zij hier benadrukt dat algemene taalwetenschap ten tijde van Van Ginneken bijna synoniem was met taalpsychologie.
De ontwikkeling van de linguïst Van Ginneken loopt niet van de taalpsychologie naar de taalsociologie en vandaar naar de taalbiologie. De psychologie bleef voor hem de basis voor alle taalkundig onderzoek. In zijn proefschrift gebruikt hij in elk geval alle beschikbare benaderingen en niet alleen de voorstellings- en associatiepsychologie die het menselijk bewustzijn als onderzoeksobject hebben. Ook de pathologisch georiënteerde psychologie, de fysiologische psychologie met haar waarnemings- en geheugenexperimenten en de pragmatische en functionalistische richting in de psychologie maakt Van Ginneken tot zijn bondgenoten. De psychologie is voor hem leverancier voor verklaringen van taalfeiten. In zijn Principes is Van Ginneken op zoek naar een psychologisch fundament voor de leer van de woordsoorten. In het laatste deel van dat werk concentreert hij zich dan niet langer op de synchrone fundering van de taalcategorieën, maar op de verklaring van de diachrone veranderingsprocessen. Het vernieuwende hiervan is dat Van Ginneken voor de verklaring van de klankwetten zelf, en niet alleen voor de uitzonderingen daarop, een beroep deed op onbewuste psychische factoren naar analogie van de psychopathologie. Hoewel de Principes een indrukwekkende synthese zijn van taalkunde en psychologie, hoewel het boek hem in een klap wetenschappelijk ook internationaal vermaard maakte, hoewel het werk uitzonderlijk origineel is, heeft het geen school gemaakt.
Met de twee delen van zijn Handboek der Nederlandsche Taal (1913-1914) betreedt Van Ginneken het terrein van de taalsociologie, een onderdeel van de taalkunde dat onderzoekt, in de woorden van Van Ginneken, wat in mensen gebeurt als gevolg van hun onderlinge gezelschap, hun inwerking op elkaar, hun aaneensluiting tot groepen, hun onderlinge verhouding in zo'n groep en ten slotte de verhouding van die groepen tot elkaar. Deel I verscheen in 1913 en behandelt de dialecten en het Nederlands buiten het centrum van het taalgebied, maar ook de zogenaamde familietaalgroepen als kindertaal, studententaal, taal van vrouwen en van mannen en ook de taal van de bejaarden. In deel II (1914) komen dan aan de orde de vaktalen en de groepstalen. Van die laatste noemen wij: de taal van katholieken, protestanten en van joden, de taal van socialisten, van fascisten en van drankbestrijders enz.
Vanaf 1925 koppelde Van Ginneken de historische taalwetenschap aan de genetische wetenschap. Hij was ervan overtuigd dat de biologie van invloed was op de taalklanken. Ook erfelijkheid speelt een rol bij het produceren daarvan. De hoofdoorzaak van de spontane klankwetten moesten volgens hem in die erfelijkheid gezocht worden. Dat probeert hij te bewijzen in De oorzaken der taalverandering (vooral in de derde druk 1930) en in Ras en taal (1935). Bij dit alles ging Van Ginneken ervan uit dat ieder menselijk ras een verschillende articulatiebasis heeft. Allerlei parallelle verschijnselen tussen niet verwante talen en Nederlandse dialecten waarvoor nog nimmer een verklaring was gevonden, verklaarde hij nu in een keer met een substraattheorie. In de oertijd waren volgens hem Preslavische horden met hun eigen articulatiebasis op Nederlands grondgebied neergestreken. Het is hun articulatiebasis geweest die een stempel gedrukt heeft op de dialecten op de Veluwe, in de Betuwe, in Brabant en in Zuid-Limburg. In een uitvoerig artikel in Onze Taaltuin van 1934 schreef hij over de mouillering van bepaalde consonanten in een groep Nederlandse dialecten waarin hij concludeerde: ‘Het staat hiermee dus vast, dat de moulleering in onze Nederlandsche dialecten volkomen vergelijkbaar is ... met de mouilleering in de Slavische talen’.
Geen van zijn leerlingen heeft de voetstappen van Van Ginnekens preslavismetheorie gedrukt, zodat het paradigma feitelijk al geheel op zijn retour was toen Van Ginneken overleed.
En dan is er ook nog de dialectoloog Van Ginneken. Zelf noemde hij de dialectologie zijn jeugdliefde. Weijnen is niet mals in zijn kritiek op de bewonderde leermeester en veroordeelt diens taalgeografische methode die van volledig betrouwbare open taalkaarten onbetrouwbare isoglossekaarten of gesloten kaarten maakte. Als dialectoloog is Van Ginneken vooral stimulerend geweest voor zijn leerlingen door in 1932 samen met Overdiep het tijdschrift Onze Taaltuin op te richten en hun een eigen dialectologisch forum te bieden. Tot 1942, toen het werd opgeheven, verschenen hierin ook van zijn hand prachtige dialectologische opstellen en studies. Genoemd moet in het kader van de dialectologie ook worden Van Ginnekens kruistocht tegen de alfabetische ordening van het dialectwoordenboek, die hij als buitengewoon onpraktisch en onnatuurlijk ervoer. Hij was een groot bewonderaar van de woordveldtheorie van Jost Trier en had daardoor een absolute voorkeur voor een ideologische ordening. In deel 2 van het postuum verschenen Drie Waterlandse dialecten (1954) heeft hij de woordenschat dan ook ideologisch gerangschikt.
Ook op het terrein van de spelling van het Nederlands was Van Ginneken geen uitgebluste vulkaan. Hij heeft in twee spellingscommissies gezeten (1916 en 1932) en zich daarin niet onbetuigd gelaten. Aanvankelijk was hij voorstander van de vereenvoudigde spelling van Kollewijn, hetgeen al blijkt uit een stelling bij zijn proefschrift. In 1928, vlak na het eerste internationale congres van linguïsten in Den Haag, waar hij kennis maakte met de fonologie van Trubetzkoj en Jakobson, wordt hij een fel tegenstander van de Kollewijners. Hij spreekt zelf in dit verband van zijn bekering. In de Grondbeginselen van de schrijfwijze der Nederlandsche taal (1931) noemt hij de aanhangers van Kollewijn zelfs ‘domme ezels, niet waard geschopt en getrapt te worden’.
Zijn hele leven heeft Van Ginneken betoogd dat taal- en letterkunde een waren. Aan die letterkunde als onderdeel van zijn leeropdracht besteedde hij weinig tijd en als hij er dan al colleges in gaf, ging het meer over stilistiek dan over de literaire traditie. Hij doceerde over Vondel, Perk, Boutens en Kloos en vooral ook over de Imitatio Christi. Van dat laatste werk probeerde hij, dwars tegen de communis opinio in, aan te tonen dat Geert Grote de geestelijk vader van dat werk was.
Naar Jacques van Ginneken is geen prijs, leerstoel of instituut genoemd. Een standbeeld als voor Post en Rogier zat er voor hem in Nijmegen evenmin in. En geen werk van zijn hand is tot soortnaam geworden. Veertig jaar voerde hij het hoogste woord in het taalkundig debat, maar zijn gedachtegoed en werken zijn vergeten. De man van verleidelijke en gedurfde hypothesen die tot tegenspraak prikkelden, heeft velen geïnspireerd, maar niet tot navolging. Zijn leerlingen (Dols, Van de Holmberg-Bot, Mandos, Tans, Weijnen, Wils) prijzen hem om de vergezichten die hij hun liet zien en om de actualiteit van zijn kennis. Hij wist wat er internationaal gebeurde, waardoor zij altijd een voorsprong hadden. Maar dat weerhoudt Weijnen er in 1993 niet van op te merken: ‘Als je nu (...) om positieve blijvende bijdragen van Van Ginneken vraagt, dan is het vrij moeilijk om na zijn dissertatie iets te vinden’. En ook Van Haeringen is in dit verband ondubbelzinnig: Ondanks zijn grootse visie en eruditie, ondanks het feit dat hij een van de zeer groten is geweest in de taalwetenschap beheerste hij geen tijdvak en behoorde zijn werk niet tot de onmisbare geestelijke bagage van iedere taalkundige. Foolen en Noordegraaf zijn wat milder in hun oordeel wanneer zij betogen dat Van Ginneken het gezicht van de taalwetenschap in Nederland in de eerste helft van de 20ste eeuw mede bepaalde. Door de bank genomen is er grote bewondering voor wat hij presteerde en afkeuring om wat hij zich op bepaalde punten veroorloofde (Hagen). Van Ginneken heeft nog uitsluitend historische betekenis. Zijn werk is door de tijd ingehaald. Hij wordt niet meer geciteerd en monumenten heeft hij niet achtergelaten.
[P.G.J. van Sterkenburg
april 2006]
| Principes de linguistique psychologique. Parijs, Amsterdam en Leipzig, 1907. |
| Handboek der Nederlandsche taal I2, II. 's-Hertogenbosch, 1928; Nijmegen, Malmberg, 1913-1914. |
| De roman van een kleuter. Nijmegen, Malmberg, 1917. |
| De oorzaken der taalveranderingen. Derde omgewerkte druk. Amsterdam (Mededelingen Koninklijke Akademie van Wetenschappen, Afdeling Letterkunde, Deel 69, serie A, nr.1), 1930. |
| Ras en taal. Amsterdam, Noord-Hollandsche Uitgevers-Maatschappij (VKA, Lett. N.R. Deel XXXVI), 1935. |
| De studie der Nederlandsche streektalen. Amsterdam, Elsevier. (Hoekstenen onzer Volkskultuur, Derde Reeks, Deel I), 1943. |
| Haeringen, C.B., Jaarboek der Koninklijke Nederlandsche Akademie van Wetenschappen 1945-1946, blz. 221-230. |
| Weijnen, A.A., Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1946-1947, blz. 50-61, 1948. |
| Brom, Gerard, ‘Pater van Ginneken’; in: Roeping 31, 1955-1956, blz. 273-288. |
| Berns, Jan en P.C. Paardekooper, Ongepubliceerd interview met A.A. Weijnen. Instituut voor Nederlandse Lexicologie, Leiden 1993. |
| Elffers, Els, ‘Van Ginneken als psycho-syntheticus’; in: Foolen en Noordegraaf 1996, blz. 51-80. |
| Foolen, Ad, Jan Noordegraaf (Eds.), De taal is kennis van de ziel. Opstellen over Jac. Van Ginneken (1877-1945). Nodus Publikationen, Münster, 1996. |
| Stroom, Gerrold van der, ‘De taalbiologie van Jac. Van Ginneken’; in: Foolen en Noordegraaf 1996, blz.93-118. |
| Hagen, Toon, ‘Jacques van Ginneken; in: Nijmeegse Gezichten. Vijfenzeventig jaar Katholieke Universiteit, Nijmegen 1998, blz. 20-29. |
In het Archief van de Nederlandse Provincie der Jezuïeten archief@jezuieten.org bevindt zich een bijzondere collectie van 2,2 meter onder de titel ‘Jac. Van Ginneken, S.J., hoogleraar aan de katholieke universiteit Nijmegen, 1877-1945’. Har Brok ordende in de jaren zestig van de vorige eeuw het wetenschappelijk archief van Van Ginneken, dat berustte bij de Nijmeegse Centrale voor Dialect- en Naamkunde, vervolgens bij de vakgroep Algemene Taalwetenschap en Dialectologie van de Radboud Universiteit Nijmegen en thans bij het Meertens-instituut te Amsterdam. J. Renders bezorgde een verzameling-Van Ginneken met daarin bibliografische gegevens over de jaren 1937-1954 aan het Katholiek Documentatiecentrum te Nijmegen www.kdc.kun.nl.