Helten, Willem Lodewijk van * 30 augustus 1849 Hedel; † 17 maart 1917 's-Gravenhage, historisch taalkundige, m.n. Vroegnieuwnederlands, Middelnederlands, Oudfries, Oudgermanistiek.

W.L. van Helten werd op 30 augustus 1849 te Hedel geboren. Hij bezocht gymnasia te Leiden en Rotterdam, begon in 1865 zijn academische studie te Leiden en sloot deze af met zijn promotie in 1871. Van 1870 tot 1882 was hij leraar Nederlands en geschiedenis, eerst aan de hbs in Tiel, later aan de hbs in Rotterdam en ten slotte aan het Erasmiaans Gymnasium aldaar. In 1882 werd Van Helten aan de Rijksuniversiteit Groningen benoemd tot hoogleraar Nederlandse taal- en letterkunde, een functie die hij tot 1911 vervulde, en tevens tot hoogleraar Beginselen van het Sanskriet, welke functie hij in 1889 beëindigde. In het academisch jaar 1893/1894 was hij rector magnificus der Rijksuniversiteit Groningen. In 1894 werd hij gekozen tot lid van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen.
Van Helten wordt geschetst als een geleerde met enorme werkkracht, een geliefd docent, doch een matig spreker. Hij was wars van elk streven naar populariteit en eerbetoon.
Om gezondheidsredenen werd Van Helten in 1911 eervol ontslag verleend. Hij vestigde zich te 's-Gravenhage, waar hij na een lange periode van geestelijk en lichamelijk lijden in de nacht van 16 op 17 maart 1917 overleed.
Van Helten is één van de grondleggers van de Nederlandse taalkunde op germanistische grondslag. Hij paste de methode van de vergelijkend-historische taalkunde zowel op de grammatica als op de woordenschat toe.
In de loop der jaren kreeg de algemene germaanse taalkunde een steeds belangrijker plaats in zijn werk. Hij had grote belangstelling voor het Oudwest- en het Oudoostfries, op welke gebieden hij diverse lexicologische bijdragen publiceerde.
Wij lichten Van Heltens werkwijze en materiaalbeoordeling toe aan de hand van twee studies die voor de Neerlandistiek het belangrijkst zijn.
Zijn Middelnederlandsche spraakkunst (nog herdrukt in 1973) berust op circa honderdvijftig bronnen. Als basis voor het Middelnederlands nam hij een westelijk Nederfrankisch aan. Bij ontstentenis van een directe voorloper relateerde hij veelvuldig de Middelnederlandse vormen aan het nauwverwante Oudgermaans, dat hij als de voorloper van het oostelijk Middelnederfrankisch beschouwde. Talloos zijn verder de aan het Middelnederlands verwante vormen die hij uit het Oudsaksisch, het Oud- en Middelhoogduits en het Gotisch aanhaalt.
Het Middelnederlands beschouwde Van Helten als een eenheid met slechts hier en daar regionale verscheidenheid op punten van ondergeschikt belang. Daarbij onderscheidde hij Brabants, Oostvlaams, Westvlaams, Hollands (in Holland, noordelijk Zeeland, Utrecht en westelijk en zuidwestelijk Gelderland) en Limburgs, dat hij als oostelijk Middelnederlands met uit aan Middelfrankisch ontleende elementen typeerde. Dit laatste tastte Van Heltens beeld van de oorspronkelijke zuiverheid van het Middelnederlands aan, evenals de ontlening aan het Fries en (via het Beierse hof) aan het Hoogduits in Holland.
Van Heltens eenheidsvisie op het Middelnederlands en zijn streven naar volledige materiaalbeschrijving en verankering van deze taalfase in de Germaanse taalfamilie brengen echter het bezwaar met zich mee, dat de auteur zijn werk overlaadt met reeksen citaten bij de grammaticale verschijnselen. Al vermeldt hij bij elk citaat consequent de bron, een nadere groepering van de Middelnederlandse citaten naar regio en periode zou wenselijk geweest zijn. Hij maakt bovendien geen systematisch onderscheid naar genres in schriftelijk taalgebruik en ook de (quasi) spreektaal van toneelwerk behandelt hij niet apart.
Vondel's taal : grammatica van het Nederlandsch der Zeventiende eeuw steunt op ruim vijftig grotere werken van deze dichter. Het ontbreken van een nadere indeling van het materiaal is hier minder bezwaarlijk, omdat de data van één dichter zijn. Bovendien maakt Van Helten bij Vondel onderscheid tussen de periode vóór 1625 en die erna. De auteur koos het werk van Vondel, omdat het hem blijkens het ‘Voorbericht’ te doen was ‘om een werkelijk bestaande, natuurlijke en ongekunstelde, maar tevens niet-platte taal, om het Hollandsch, dat reeds toen aanving het Nederlandsch te worden (...).’ Dit verklaart de ondertitel van zijn studie. Tegelijkertijd maakt deze uitspraak aannemelijk, dat Van Helten zijn werk op het terrein van het Middelnederlands en Vroegnieuwnederlands zag als het opvullen van leemtes in de beschrijving van de ontwikkelingsgang van taalvormen tot het beschaafde Nederlands van zijn dagen. De proefschriften op het terrein van het Zestiende-eeuws, die onder zijn leiding zijn ontstaan, dienen eenzelfde doel en gaan in navolging van Van Helten, gebaseerd op een ruim en veelsoortig bestand aan bronnen, uit van de premisse, dat het Zestiende-eeuws een eenheidstaal is.
De monografieën en artikelen van Van Helten verdienen voor onze kennis van de oudere taalfasen en voorstadia van het Nederlands en het Fries met ere genoemd te worden. Door gebruikmaking van de methode van de vergelijkend-historische taalkunde heeft hij Middelnederlandse, Vroegnieuwnederlandse en Modern Nederlandse taalverschijnselen met verwante verschijnselen in zustertalen in de Germaanse taalfamilie verbonden. Een prominent vertegenwoordiger van de latere generatie taalkundigen, C.G.N. de Vooys, heeft Van Heltens promovendi - en dus impliciet ook de promotor zelf - verweten, dat zij uitgingen van homogeniteit in het Zestiende-eeuws Nederlands en dat een beargumenteerde keuze voor de bronnen alsmede een onderscheid tussen overgeleverde vormen en levende taal ontbrak (De nieuwe taalgids 1 (1907), 134-140). Door de opkomst van het structuralisme in de taalkunde met zijn dominante aandacht voor synchroon onderzoek en zijn voorkeur voor het eigentijdse mondeling taalgebruik geraakte Van Heltens diachrone werk op basis van de vergelijkend-historische methode op de achtergrond.
Peter van Dongen
Arjan van Leuvensteijn
[februari 2006]
W.L. van Helten heeft veel gepubliceerd. Tot zijn bekendste tekstedities en taalkundige studies behoren de onderstaande werken:
| Proeven van woordverklaring. (Diss. Leiden). Rotterdam, 1871. |
| Anna Bijns, Refereinen. Naar de nalatenschap van A. Bogaers uitgegeven door W.L. v. H[elten]. Met verklarende woordenlijst, 2 dln. Rotterdam, 1875. |
| Vondel's taal. 2 dln. Rotterdam (Groningen), 1881 |
| Bijdrage tot een pragmatische geschiedenis der vaderlandsche taalstudie in Nederland. (Inaugurele rede). Groningen, 30 november 1882. |
| Over Middelnederlandschen versbouw. Groningen, 1884. |
| Van den Vos Reynaerde, uitgegeven door W.L. v. H[elten]. (Bibliotheek van middelnederlandsche letterkunde). Leiden, [1886/1887]. |
| Middelnederlandsche spraakkunst. Groningen, 1887. |
| Altostfriesische Grammatik. Leeuwarden, 1890. |
| Zur Lexicologie des Altwestfriesischen. (Verhandelingen der Kon. Akademie van Wetenschappen, Afd. Letterk. [N.R.], Deel I, no. 5). Amsterdam, 1896. |
| Die altostniederfränkischen Psalmenfragmente. 2dln. Groningen, 1902. |
| Zur Lexicologie des Altostfriesischen. (Verhandelingen der Kon. Akademie van Wetenschappen, Afd. Letterk. [N.R.], Deel IX). Amsterdam, 1907. |
| Het Jaarboek der Rijksuniversiteit te Groningen 1916-1917 (Groningen, Den Haag 1917) is de belangrijkste bron voor de kennis van het leven van W.L. van Helten. Hierin bevindt zich ook een bibliografie van Van Heltens publicaties. Daarnaast bevatten F.J. van den Branden & J.G. Frederiks, Biographisch woordenboek der Noord- en Zuidnederlandsche letterkunde (1888-1891), evenals K. ter Laan, Letterkundig woordenboek voor Noord en Zuid (1941) enkele biografische en bibliografische gegevens. |
Ons is geen archief bekend en evenmin beschikken wij over gegevens betreffende een brievencollectie.