Bio- en bibliografisch lexicon van de neerlandistiek


auteur: Karina van Dalen-Oskam, Ingrid Biesheuvel, Wim van Anrooij en Jan Noordegraaf


bron: Het Bio- en bibliografisch lexicon van de neerlandistiek werd speciaal opgezet voor digitale publicatie en verscheen niet eerder in druk.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Heule, Christiaen van

Heule, Christiaen van * ?; † ?, wiskundige / landmeter met belangstelling voor het Nederlands; heeft twee grammatica’s gepubliceerd.



illustratie

De auteur van twee belangrijke 17de-eeuwse grammatica’s is met veel biografische raadselen omgeven. Er zijn wel enige aanwijzingen dat hij uit de zuidelijke Nederlanden afkomstig was. Caron (1953) identificeerde hem met enige aarzeling als de vachtenploter (wolverwerker) Christiaen van Heule die werd aangeduid als “jongman van Delft” bij zijn ondertrouw op 17 juli 1623 met Anna de Beer in Leiden. Hij was kort daarvoor, op 26 juni 1623, poorter van de stad Leiden geworden. Deze Van Heule deed goede zaken in de lakenindustrie, want hij kon zijn vier zoons en vijf dochters bij hun huwelijk het flinke bedrag van 300 carolusguldens meegeven. Na het overlijden van zijn vrouw in 1653 hertrouwde hij een jaar later met de weduwe Christina van Buijtevest. Op 27 juli 1655 werd hij in de Pieterskerk te Leiden begraven. Dibbets (2003: 30, noot 9) betwijfelt echter of de vachtenploter Christiaen van Heule wel dezelfde persoon is als de grammaticus en wiskundige.

Wetenschappelijke ontwikkeling en karakterisering

Van Heule heeft twee zo geheten triviumgrammatica’s gepubliceerd: zijn Nederduytsche Grammatica ofte Spraeckonst (1625) en de Nederduytsche Spraeckunst ofte Tael beschrijvinghe (1633). Het zijn geen triviumgrammatica’s in de zin dat ze verschenen samen met werken op het gebied van de retorica en de dialectica (logica), net als de eerste gedrukte Nederlandse grammatica de Twe-spraack (1584). Wel zijn ze in opzet en indeling een echte triviumgrammatica met de vier onderdelen spelling, etymologie (= morfologie), prosodie en syntaxis. Het omvangrijkste onderdeel is, als gebruikelijk, de etymologie. Binnen deze afdeling behandelt Van Heule in 1625 negen woordsoorten verdeeld in veranderlijke (lidwoorden, naamwoorden, voornaamwoorden, werkwoorden en deelwoorden) en onveranderlijke (bijwoorden, voorzetsels, voegwoorden en tussenwerpsels). In zijn grammatica van 1625 onderscheidt hij ook zes naamvallen in puristische terminologie: noemer (nominatief), baerer (genitief), gever (datief), aenklager (accusatief), rouper (vocatief) en ofnemer (ablatief). In zijn latere grammatica van 1633 komt hij terug op deze ‘vreemde’ termen en beperkt hij het aantal in het Nederlands te onderscheiden naamvallen tot vier. Hij spreekt dan van het eerste, tweede, derde en vierde “geval” voor respectievelijk de nominatief, genitief, datief en accusatief.

De grammatica van 1633 laat een tweedeling in spraec-konst (spelling, prosodie en etymologie) en samenvouginge (syntaxis) zien. Ook onderscheidt Van Heule dan zes woordsoorten: de vier onveranderlijke woordsoorten zijn nu in de categorie helpwoorden samen gebracht. Het is niet het enige inhoudelijke verschil tussen de twee grammatica’s. Een ander, treffend voorbeeld heeft betrekking op het persoonlijk voornaamwoord du. Dit vertrouwelijkheidspronomen voor de 2e persoon enkelvoud, dat al aan het eind van de Middeleeuwen verouderd raakte, werd in de zestiende en zeventiende eeuw als niet-passend en boers beschouwd. In plaats van du diende men gij te gebruiken, het pronomen dat ook voor het meervoud en als beleefdheidsvorm in het enkelvoud werd gehanteerd. Van Heule wijst in zijn grammatica van 1625 du als verouderd af (dat klopt dus met de trend om du te verwerpen). Daarbij wordt aangetekend dat du niet meer gehanteerd kan worden, al betekent dit dat helaas een oorspronkelijk onderscheid enkelvoud (du) en meervoud (gij) is weggevallen. Met de vorm Gyly (gijlieden) wordt gepoogd dit gemis te herstellen. Acht jaar later blijkt Van Heules mening over du drastisch gewijzigd te zijn: hij vindt het onderscheid enkelvoud/ meervoud, dat in het Latijn bij de pronomina tu en vos is te vinden, zo belangrijk dat hij de vorm du weer vermeldt.

Uit zijn grammatica’s wordt duidelijk dat Van Heule een goed taalobservator was. Regionale verschillen ontgingen hem niet: hij constateerde in 1625 dat er in veel geschriften een uniformiteit werd gevonden, die afwezig was in het spreken en in lokale geschriften. Voorbeelden zijn de observaties over de e- en n- deletie en de diminutieven. De deletie is een Hollands verschijnsel: “Vraeg, Antwoort, Ik zeg, Ik heb, in de plaetse van Vraege, Antwoorde, Zegge, hebbe” en “Scheepe, Huyze, Stede, Lande, in de plaetse van Scheepen, Huyzen, etc., ende Loope, Blijve, Valle, voor Loopen, Blijven, Vallen”. Van Heules oordeel is duidelijk: “Deze verkortingen strijden tegens des spraekx natuyre [tegen de aard van de taal]”. De verlengende uitspraak in het Vlaamse “Loopene, Draegene, Komene, Werkene” is eveneens “buyten natuyr”. Bij de diminutieven signaleert Van Heule variatie: in Holland Het mannetje, Het wijfje, Het diertje, in Vlaanderen Het mannekjen, Het wijfkjen, Het dierkjen en in Brabant Het manneken, Het wijfken, Het dierken. Hij geeft de voorkeur aan de Brabantse vorm. Van Heule trachtte ook kunstmatige vormen en onderscheidingen in te voeren. Dat doet hij bijvoorbeeld door in de bestaande variatie bij de persoonlijke voornaamwoorden haer / hun / hen als objectsvorm (datief of accusatief meervoud), systeem aan te brengen: hun voor de datief, hen voor de accusatief. Ruim honderd jaar later propageert Balthasar Huydecoper diezelfde regel en na hem nog vele grammatici.

Invloed

Dibbets (2003) ziet Van Heule als “de voornaamste Nederlandse grammaticus van de zeventiende eeuw, die met zijn terminologie en zijn (…) uitgewerkte regels en systematiek een hechte grond heeft gevormd voor de Nederlandse spraakkunst van de achttiende eeuw”. Contemporaine auteurs van leerboekjes voor vreemde talen namen ook gegevens uit Van Heules grammatica’s over.

 

Marijke van der Wal
[januari 2010]

Belangrijkste secundaire literatuur

W.J.H. Caron: Inleiding bij de Triviumeditie van Christiaen van Heule (1625), De Nederduytsche grammatica ofte spraec-konst. Groningen, 1953. Zie www.dbnl.org
G.R.W. Dibbets: ‘Gebruyc en reden in De Nederduytsche spraec-konst (1633) van Christiaen van Heule’. In: Gramma 13 (1989), p. 33-56.
G.R.W. Dibbets: Christiaen van Heule “ijsbreker langs een allermoeijelijkst vaarwater”? Afscheidsrede. Nijmegen, 2003.
Marijke van der Wal: ‘De grammaticus en de schoolmeester: externe taalnormen en taalverandering'. In: Leidse mores. Aspecten van taalnormering, Cor van Bree & Ariane van Santen (eds), Leiden 1996, p. 13-29.

Locatie archief en brievencollecties

Niet bekend.