terug  begin  verderprepost

Hoogstraten, D. van

Hoogstraten, David van * 14 maart 1658 Rotterdam; † 21 november 1724 Amsterdam, opsteller van een woordenlijst waarin hij het geslacht van zelfstandige naamwoorden wilde vastleggen, van een woordenboek Nederlands-Latijn en van een Nederlandse retorica; dichter en uitgever van poëzie; die uitgaven voorzag hij van levensberichten.

 



illustratie

Van Hoogstraten was medicus, opgeleid te Leiden, en aanvankelijk ook praktizerend te Dordrecht. Hij was de zoon van Hester de Koning (1628-1666) en François van Hoogstraten (1632-1696), uitgever, vertaler en dichter te Dordrecht en Rotterdam. De boekverkoper en schrijver Jan van Hoogstraten (1662-1738) was Davids broer. De broer van François was de schilder en schrijver Samuel van Hoogstraten (1627-1678). David huwde Maria van Nispen (1663-1708) op 24 maart 1685 te Dordrecht. Zij kregen negen kinderen van wie er vier de volwassenheid bereikten en slechts één David overleefde (Frans 1685-1721; Mattheus 1690-1722; Maria 1697-1722; Jacobus 1700-1756). David overleed in 1724 waarschijnlijk ten gevolge van een longontsteking, nadat hij op 13 november te water was geraakt.

Als dertiger vertrok Van Hoogstraten naar Amsterdam, wellicht ‘om zijn liefde voor de klassieke studiën te bevredigen’ (NNBW), waar hij van 1694 tot 1722 conrector van de Latijnse school was. Vanaf het midden van de jaren negentig legde hij zich in zijn publicaties meer en meer toe op de Nederlandse taal- en letterkunde.

In Dordrecht en Rotterdam raakte Van Hoogstraten onder anderen in contact met Heijmen Dullaert (1636-1684), Joannes Antonides van der Goes (1647-1684), Frans de Haes (1658-1690), Joachim Oudaen (1628-1692), Pieter Rabus (1660-1702) en Adriaen Verwer (1654/55-1717), in Amsterdam bovendien met Petrus Francius (1645-1704), François Halma (1653-1722), Arnold Moonen (1644-1711) en Joannes Vollenhove (1631-1708). Al deze figuren zijn actief geweest op het terrein van de Nederlandse taal- en/of letterkunde.

Ontwikkeling en karakterisering

Van Hoogstratens eerste publicaties zijn, na twee poëtische met Pieter Rabus (Rijmoeffeningen 1678 en Op de dood van de heere Joost van Vondel 1679), vooral medisch van aard; hij vertaalt ook Latijnse medische literatuur. Tussen 1685 en 1694 publiceert hij onder de titel Aentekeningen vertalingen van Hugo de Groots Annotationes op het Nieuwe Testament. Hij voegt er een levensbeschrijving van De Groot bij. Vertalen en editeren blijft hij zijn hele leven doen; een sprekend voorbeeld is Ezopische fabelen van Fedrus (1704), in een goede filologische traditie voorzien van overvloedige voetnoten. Aan het eind van zijn leven is hij redacteur van het Groot algemeen historisch, geografisch, genealogisch en oordeelkundig woordenboek (7 delen, 1725-1733).

Als dichter blijft Van Hoogstraten zijn hele leven werkzaam; in 1697 verschijnt een bundel Gedichten, de Latijnse poëzie (bijv. Carmina 1700) is uiteindelijk verzameld in de door Van Hoogstratens leerling Pieter Vlaming (1686-1734) uitgegeven Poëmata (1728). Veel gelegenheidsgedichten van en op Van Hoogstraten zijn gecatalogiseerd in het bestand Dutch Occasional Poetry. Naar het poëtisch werk van de Vondeliaan Van Hoogstraten is nauwelijks onderzoek gedaan, wel naar zijn prominente positie in de zogenaamde Poëtenoorlog, een Nederlandse verschijningsvorm van de Querelle des Anciens et des Modernes (zie Te Winkel en recenter Groenenboom-Draai).

Binnen de neerlandistiek heeft Van Hoogstraten zich vooral een plaats verworven als taalkundige. Via zijn in 1700 voor het eerst verschenen Aenmerkingen over de geslachten der zelfstandige naemwoorden, later getiteld Lyst der gebruikelykste zelfstandige naemwoorden, poogde hij de geslachten van de zelfstandige naamwoorden vast te leggen. Zijn methode was eenvoudig: in de werken van met name Vondel en Hooft zocht hij op welk geslacht zij een woord toekenden, vervolgens noteerde hij de woorden alfabetisch met geslachtsaanduiding en vindplaats. De taalkundige autoriteit komt volgens Van Hoogstraten toe aan de beste literaire auteurs, een opvatting die veel van zijn tijdgenoten deelden.

Behalve de woordenlijst heeft hij het Nederlands-Latijns woordenboek van Samuel Hannot (?-? (17e eeuw)) herzien en in 1704 uitgegeven. Ook daarin pleit hij voor het gezag van de in dit geval Latijnse schrijvers. Een jaar na zijn dood, in 1725, verscheen dankzij Vlaming een vermoedelijk reeds in de jaren negentig geschreven retorica, de eerste waarin de voorbeeldzinnen aan Nederlandse auteurs zijn ontleend. Vondel is de belangrijkste bron, maar ook uit Van der Goes is veel geput.

Ten slotte is Van Hoogstraten als editeur van belang in het ontstaan van de geschiedschrijving en canonvorming van de Nederlandse literatuur. Hij werkte mee aan uitgaven van Vondel en Hooft. In het tweede decennium van de achttiende eeuw bezorgde hij de poëzie van Joan van Broekhuizen (1649-1707), Oudaen, Van der Goes en Dullaert, uitgaven die steeds voorzien werden van een levensbeschrijving van de dichter.

In zijn voorredes bestempelt Van Hoogstraten de jeugd tot zijn voornaamste doelgroep. Zij diende taal- en letterkundige lessen te trekken uit zijn werken. Van Hoogstratens activiteiten overziend, kunnen we concluderen dat de conrector werkte aan een ‘didactisch program’ ter bevordering van de Nederlandse taalkunde, retorica en bovenal letterkunde (à la Vondel).

Invloed

In taalkundig opzicht heeft Van Hoogstraten zeker invloed gehad. De duidelijke en toegankelijke presentatie van zijn geslachtslijst (alfabetische rangschikking) zal daartoe bijgedragen hebben. Ook zal een rol gespeeld hebben dat het drie-genera-systeem reeds in verval was en dat daarom behoefte aan zo'n geslachtslijst bestond. Van Hoogstratens taalkundige werk wordt door achttiende-eeuwse taalkundigen als Moonen, Lambert ten Kate (1674-1731), Balthazar Huydeoper (1695-1778), Jan van Belle (ca. 1690-1754) en Kornelis Elzevier (1717-1761) geprezen en gebruikt; alleen Joannes Hilarides (1649-1725) levert stevige oppositie vanwege Van Hoogstratens Hollandse oriëntatie. Er verschijnen zes drukken van de Aenmerkingen (Lyst), waarvan de laatste twee bezorgd zijn door Adriaen Kluit (1735-1807). Willem Bilderdijk (1756-1831) vindt het een eeuw later nog nodig zich tegen Van Hoogstraten te verzetten.

De standaardisering van het geslacht door Van Hoogstraten is qua invloed vergelijkbaar met de standaardisering van de grammatica door Moonen; in de tweede helft van de achttiende eeuw verliest de geslachtslijst geleidelijk zijn toonaangevendheid. De canonisering van Vondel en Hooft als zowel taal- als letterkundig ijkpunt krijgt bij Van Hoogstraten (en andere achttiende-eeuwers als Moonen) zijn beslag.

 

Gijsbert Rutten
[17 september 2003]

Voornaamste geschriften

Aenmerkingen over de geslachten der zelfstandige naemwoorden. Amsterdam, 1700. (21710/11, 31723, 41733, 51759, 61783; vanaf 1723 getiteld Lyst der gebruikelykste zelfstandige naemwoorden, betekent door hunne geslachten; de vijfde en de zesde druk zijn uitgegeven door Adriaen Kluit).
Nieuw Woordenboek der Nederlantsche en Latynsche Tale. Amsterdam, 1704.
J. v. Broekhuizens gedichten. Ed. D. van Hoogstraten. Amsterdam, 1711.
Joachim Oudaans Poëzy. Ed. D. van Hoogstraten. Amsterdam, 1712.
J. Oudaans Aanmerkingen over Q. Horatius Flaccus Dichtkunst, op onze tyden en zeden gepast, door A. Pels. Ed. D. van Hoogstraten. Amsterdam, 1713.
Gedichten. Joannes Antonides van der Goes. Ed. Van Hoogstraten. Amsterdam, 1714.
H. Dullaerts Gedichten. Ed. D. van Hoogstraten. Amsterdam, 1719.
Beginselen of Kort Begrip der Rederykkunst. Amsterdam, 1725.

Belangrijkste secundaire literatuur

J. te Winkel: De Ontwikkelingsgang der Nederlandsche Letterkunde. Deel V. 2e druk. Utrecht - Leeuwarden, 1973, p. 90-108.
M.A. Schenkeveld-van der Dussen: ‘Maart-mei 1682: Joannes Vollenhove correspondeert met Geeraardt Brandt over diens Leven van Vondel. Het begin van de Nederlandse literatuurgeschiedschrijving’. In: Nederlandse Literatuur, een geschiedenis. Red. M.A. Schenkeveld-van der Dussen. Groningen, 1993, p. 298-302.
E. Groenenboom-Draai: De Rotterdamse woelreus. De Rotterdamsche Hermes (1720-'21) van Jacob Campo Weyerman: Cultuurhistorische verkenningen in een achttiende-eeuwse periodiek. Amsterdam - Atlanta, 1994, m.n. p. 177-187.
Voor rede vatbaar. Tien voorredes uit het grammaticale werk van Van Hoogstraten, Nylöe, Moonen, Sewel, Ten Kate, Huydecoper (1700-1730). Ed. R.J.G. de Bonth & G.R.W. Dibbets. Amsterdam - Münster, 1995.
G.R.W. Dibbets: ‘De strijd om het genus in de achttiende-eeuwse grammatica van het Nederlands’. In: Linguistics in the Low Countries: the Eighteenth Century. Red. R. de Bonth & J. Noordegraaf. Amsterdam - Münster, 1996, p. 57-90.

Locatie archief

Het familiearchief-Van Hoogstraten wordt in 2003 overgedragen aan het Nationaal Archief te Den Haag.

Locatie brieven

Brieven van en aan David van Hoogstraten zijn in de universiteitsbibliotheken van Amsterdam, Leiden en Utrecht en in de KB (zie CEN), alsmede in het Gemeentearchief Rotterdam en het familiearchief.

Lopend onderzoek

G.J. Rutten werkt aan de Katholieke Universiteit Nijmegen aan een proefschrift over David van Hoogstraten.

prepostterug  begin  verder