terug  begin  verderprepost

Huydecoper, B.

Huydecoper, Balthazar * 10 april 1695 Amsterdam; † 23 september 1778 Amsterdam, taalgeleerde die in de achttiende eeuw door zijn Proeve van Taal- en Dichtkunde groot gezag genoot. Hij was de eerste die een uitgebreide en degelijke kennis had van het Middelnederlands.

 



illustratie

Huydecoper was een telg uit een invloedrijk, kunstminnend Amsterdams regentengeslacht. Na de Latijnse school en vermoedelijk het Athenaeum Illustre in zijn geboortestad te hebben doorlopen, heeft hij rechten gestudeerd aan de universiteit van Utrecht.

Na zijn studie was hij van 1723 tot 1732 regent van het Burgerweeshuis in Amsterdam. Als zodanig was hij eveneens belast met het bestuur van de Amsterdamse schouwburg. In 1732 werd hij aangesteld als schout en dijkgraaf van Texel en als baljuw van Eierland. Deze functies bekleedde hij tot 1769. In 1740 vervulde hij in Amsterdam nog het ambt van schepen en het daaropvolgende jaar het ambt van commissaris voor huwelijkse zaken.

In 1766 trad Huydecoper op verzoek van Frans van Lelyveld en Henric van Wijn toe tot de pas opgerichte Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden. Hij werd direct benoemd als lid van de commissie taalkunde, maar twee jaar later liet hij weten dat hij zich vanwege zijn toenemende zwakte niet meer in staat acht een actieve rol binnen de Maatschappij te vervullen. Wel wordt in het eerste deel van de Werken van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde (1772) Huydecopers Brief wegens den Ablativus Absolutus opgenomen.

Ontwikkeling en karakterisering

Met de Proeve van Taal- en Dichtkunde; in vrijmoedige aanmerkingen op Vondels vertaalde Herscheppingen van Ovidius (1730; voortaan Proeve) trad Huydecoper voor het eerst voor het voetlicht als criticus op het terrein van de taalkunde en de dichtkunst. Eerder al had hij van zich doen spreken als scheppend kunstenaar. Van zijn hand waren Latijnse en Nederlandse gedichten verschenen, drie oorspronkelijke treurspelen in Frans-classicistische trant, een vertaling van een Frans toneelstuk van Corneille, een polemisch geschrift met de titel Corneille verdedigd (1720) en een vertaling in proza van de Hekeldichten en Brieven van Q. Horatius Flaccus (1726). Uit de voorredes tot de genoemde werken blijkt dat Huydecoper al op jonge leeftijd groot belang hechtte aan een correct gebruik van het Nederlands.

De Proeve bevat aantekeningen over de Nederlandse taal en de dichtkunst die Huydecoper heeft opgetekend toen hij een nieuwe editie van Vondels vertaling van Ovidius' Metamorphosen aan het voorbereiden was. In tegenstelling tot echte Nederlandse grammatica's die in het eerste decennium van de achttiende eeuw verschenen, is de Proeve te bestempelen als een poëtica in de vorm van een taalkundig en letterkundig commentaar. Huydecoper behandelt díe aspecten van het Nederlands waarover in taalkundige geschriften of in het taalgebruik onenigheid en/of onduidelijkheid bestond. Daarnaast stelt hij fouten aan de orde die Vondel naar de mening van Huydecoper had begaan tegen de taal en de dichtkunst. Hij meende namelijk dat het aanwijzen van enkele fouten in het werk van bekende auteurs meer effect sorteert dan het voorschrijven van een groot aantal regels.

Bij het opstellen van taalregels beriep Huydecoper zich - evenals Adriaen Verwer die in 1707 een in het Latijn gestelde grammatica over het Nederlands publiceerde - veelvuldig op de vetustas, het verleden. Dit hangt samen met zijn inzicht over taalverandering. Voor Huydecoper stond taalverandering namelijk gelijk aan taalverbastering. Hij was van mening dat de ‘gronden’ of de natura van het Nederlands enerzijds en het taalgebruik anderzijds uit elkaar waren gegroeid. Volgens hem had de inval van de Spanjaarden tegen het eind van de zestiende eeuw ertoe geleid dat de verbastering in de moedertaal haar intrede had gedaan. Als gevolg hiervan wordt het zuiverste Nederlands volgens Huydecoper gevonden bij auteurs uit de middeleeuwen; deze zogeheten Ouden bevinden zich immers het dichtst bij de oorsprong van het Nederlands en het verst van het bedorven taalgebruik. Was bij de Ouden de zuiverste vorm van het Nederlands te vinden, het sierlijkste Nederlands kon men aantreffen in de geschriften van de Nieuwen; bij hen blijkt welke woorden en uitdrukkingen door belangrijke schrijvers, zoals Vondel en Hooft, welbewust zijn uitgezocht en welke door het gewone volk worden gebruikt.

Het - geschreven - taalgebruik van Ouden en Nieuwen vormde samen met de rede, de ratio, de criteria waardoor Huydecoper zich met name heeft laten leiden om de juistheid van een door hem geformuleerde taalregel te bewijzen. Als de voorbeelden uit het taalgebruik van Ouden en Nieuwen overeenkwamen met de eisen die de logica aan de moedertaal stelde, dan behoefde er volgens Huydecoper niet te worden getwijfeld aan de juistheid van die regel. Bestond er een discrepantie tussen het taalgebruik enerzijds en de rede anderzijds, dan geeft hij doorgaans de voorkeur aan de rede.

Na het verschijnen van de Proeve heeft Huydecoper zich onder andere beziggehouden met het uitgeven van de correspondentie van P.C. Hooft, verschenen in 1738 (2e druk, 1750). Ook voltooit hij in die tijd een 590 bladzijden tellend Middelnederlands woordenboek, dat echter nooit in druk is verschenen. Voor dat woordenboek excerpeerde hij een groot aantal belangrijke middeleeuwse manuscripten die hij had weten te verwerven, zoals Walewein, Ferguut, Der Ystorien Bloeme, Esopet en Floris ende Blancefloer. In het Huydecoperarchief berusten trouwens talrijke andere woordenlijsten die blijk geven van Huydecopers lexicografische belangstelling.

Een groot deel van deze woordverzamelingen zal Huydecoper hebben aangelegd met het oog op de door hem in drie delen bezorgde tekst-kritische editie van de Rijmkroniek van Melis Stoke (1772), waarop hij vanaf omstreeks 1751 het merendeel van zijn aandacht richtte. In tegenstelling tot eerdere bezorgers van de tekst (Janus Douza (1591 en 1620) en Kornelis van Alkemade (1699)) raadde hij niet naar de betekenis van woorden op grond van het zinsverband of de klank, maar gaf hij verklaringen die waren voorzien van de nodige bewijsplaatsen. Ook toonde hij in zijn Stoke-editie aan dat de rijmkroniek van Klaas Kolijn beslist geen oorspronkelijk Middelnederlandse tekst kon zijn, al duurde het tot in de negentiende eeuw voordat iedereen daarvan volledig overtuigd was.

Invloed

Zijn gezag als taalkundige ontleende Huydecoper aan de door hem gevolgde (inductieve) methode. Hij wilde niet alleen de taalfouten aanwijzen die in strijd waren met de volgens hem geldende regels van het Nederlands, maar ook aangeven waaróm hij bepaalde taalgebruiken afkeurde. Aan uitspraken over taalkunde (en dichtkunst) werd door Huydecoper alleen belang gehecht wanneer ze het resultaat waren van stevig gefundeerd onderzoek; zij moesten te allen tijde worden gestaafd met voorbeelden uit het taalgebruik.

De kracht van de Proeve zit niet alleen in de erin opgenomen theorie, maar ook in de toepassing van die kennis in de praktijk. In onzekerheid verkerende dichters en andere schrijvers doet Huydecoper een grote hoeveelheid praktische wenken en waarschuwingen aan de hand waarvan hij vond dat men er rekening mee moest houden. Talrijke auteurs hechtten grote waarde aan zijn goede smaak en oordeel en zonden hem daarom boeken en gedichten ter beoordeling toe.

Huydecopers Proeve werd druk bestudeerd door leden van de letterkundige genootschappen die vanaf het midden van de achttiende worden opgericht. Door Frans van Lelyveld wordt Huydecoper geroemd om de manier waarop hij de Nederlandse taalkunde beoefende en bestempeld als de leermeester van vele leden van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde. Hij was overigens degene die na Huydecopers dood in 1782 en 1784 het eerste respectievelijk het tweede deel van de herdruk van de Proeve uitgaf. Na Van Lelyvelds vroegtijdige dood voltooide Nicolaas Hinlópen het derde (1788) en het vierde (register)deel (1791).

Hoewel zijn opvatting van taalverbetering door sommigen werd bestreden, zijn de meeste taalkundigen voortgegaan op de door Huydecoper ingeslagen weg: kennis van de oude taal achtte men van het hoogste belang, met name voor het herstel van een regelmatige spelling en een juiste geslachtsonderscheiding, twee onderwerpen die hoog op de achttiende-eeuwse taalkundige agenda stonden. De belangstelling voor het Middelnederlands, die was ingegeven door het verlangen tot taalverbetering, is blijven bestaan totdat de historische taalwetenschap in de negentiende eeuw er een andere richting aan gaf.

Gedurende de negentiende eeuw is men doorgaans vol lof over Huydecopers Proeve en over zijn Melis-Stoke-editie: geprezen worden zijn belezenheid, zijn oordeel, zijn smaak, zijn taalkennis en zijn geleerdheid. Huydecoper wordt beschouwd als een van de grondleggers van een wetenschappelijke beoefening van de studie van de moedertaal. Hoewel hij zeker op sommige punten tirannieke trekjes vertoonde, voert het te ver hem een ‘taaldespoot uit de pruiketijd’ te noemen, zoals R.A. Kollewijn hem in 1906 typeerde. Huydecoper was ‘een taalkundig initiator’, die in de achttiende eeuw met zijn geschriften velen heeft geïnspireerd tot het bestuderen van de moedertaal.

 

Roland de Bonth
[november 2003]

Voornaamste geschriften

Proeve van Taal- en Dichtkunde; in Vrijmoedige Aanmerkingen op Vondels Vertaalde Herscheppingen van Ovidius, voorgesteld door B. Huydecoper. Amsterdam, 1730.
Rijmkronijk van Melis Stoke met Historie- Oudheid- en Taalkundige Aanmerkingen door Balthazar Huydecoper. [3 delen]. Leiden, 1772.
‘Brief van Balthazar Huydecoper, wegens den ablativus absolutus’. In: Werken van de Maetschappy der Nederlandsche Letterkunde te Leyden 1 (1772), p. 1-55.
Proeve van Taal- en Dichtkunde; in vrymoedige aanmerkingen op Vondels Vertaalde Herscheppingen van Ovidius; voorgesteld door B. Huydecoper. Tweede uitgave door F. van Lelyveld en N. Hinlópen. [4 delen]. Leiden, 1782, 1784, 1788, 1791.
H.A. Ett: ‘De briefwisseling Balthazar Huydecoper - Gerard Meerman en Huydecoper's onvoltooide voorrede tot de Rijmkroniek van Melis Stoke. Medegedeeld door H.A. Ett’. In: Bijdragen en mededelingen van het historische genootschap 66 (1948), p. 93-189.

Belangrijkste secundaire literatuur

Zie voor een beknopte, onvolledige bibliografie Van Schaik 1962: p.196-197.
H. de Buck: De studie van het Middelnederlandsch tot in het midden der negentiende eeuw. Groningen, Den Haag, 1931.
C.J.J. van Schaik: Balthazar Huydecoper; een taalkundig, letterkundig en geschiedkundig initiator. Assen, 1962.
J.A.M. Komen: ‘Huydecoper en de ablativus absolutus’. Een achttiende-eeuwse pennestrijd over de zogenaamde volstrekte derver of losse neemer. In: Gramma 15 (1991), p. 95-125.
R.J.G. de Bonth: De Aristarch van 't Y. De ‘grammatica’ uit Balthazar Huydecopers Proeve van Taal- en Dichtkunde (1730). Maastricht, 1998.

Locatie archief

Het persoonlijke archief van Balthazar Huydecoper maakt deel uit van het archief van de familie Huydecoper, dat zich bevindt in het Rijksarchief in de provincie Utrecht. Het archief is ontsloten door M.S. Polak: Inventaris van het archief van familie Huydecoper 1459-1956. Utrecht, 1987.

Locatie brievencollecties

Brieven die gericht zijn aan Balthazar Huydecoper bevinden zich in het Huydecoperarchief (zie boven); brieven die door hem zijn geschreven, zijn onder andere te vinden in de Koninklijke Bibliotheek en Museum Meermanno-Westreenianum, beide in Den Haag, en in de Universiteitsbibliotheken van Leiden en Amsterdam (UvA) (zie CEN).

prepostterug  begin  verder