terug  begin  verderprepost

Jager, A. de

Jager, Arie de * 10 april 1806 Delfshaven; † 26 april 1877 Rotterdam, onderwijzer, later leraar hbs te Rotterdam; taal- en letterkundige. Belangrijk figuur in de onderwijswereld tussen 1835 en 1870. Hij gaf leiding aan enkele tijdschriften voor taalkunde en onderwijs.

 



illustratie

Arie de Jager was de zoon van een schoenmaker die het schoolgeld voor zijn zoon alleen met hulp van familie kon opbrengen. Daardoor kon De Jager - een generatiegenoot van L.A. te Winkel en M. de Vries - een goede school bezoeken en zich voorbereiden op een opleiding voor het lager onderwijs: eerst was hij kwekeling (sinds 1820) en nadat hij in 1824 zijn derde rang had behaald, werkte hij als secondant op het onderwijsinstituut van P. Görlitz, waar hij zelf school was gegaan. Nadat De Jager de gebruikelijke diploma's voor het lager onderwijs had behaald, begon hij een eigen school te Vlaardingen (1831 -1832) die hem een matig bestaan mogelijk maakte. Daarna werd hij benoemd aan een gemeenteschool te Rotterdam als hoofdonderwijzer, een school die hij omvormde tot een Franse school.

Zijn belangrijke positie in de onderwijswereld van Rotterdam en omstreken komt tot uiting in zijn werkzaamheid aan een ‘vormschool’, een soort opleiding voor onderwijzers, waar hij feitelijk van 1862 tot 1865 als directeur optrad. In zijn woonplaats verkeerde hij in een kring van dichters.

De Jager is buitengewoon productief geweest: ruim 275 publicaties heeft hij op zijn naam als we zijn krantenstukken meetellen. Hij correspondeerde met honderden personen in de toenmalige republiek der letteren. Genootschappen en verenigingen zochten hem als lid, op de Taal- en letterkundige congressen ontbrak hij zelden.

De Jager schreef letterkundige beschouwingen en verzorgde uitgaven van verschillende schrijvers, maar zijn grootste belangstelling ging uit naar de taalkunde. Op 24 mei 1850 werd hem voor zijn taalkundig werk door de Universiteit van Groningen waar Matthias de Vries hoogleraar was, een eredoctoraat verleend. In 1865 (reeds zestig jaar oud) werd hij benoemd tot leraar aan de Rijks-hbs te Rotterdam, waar hij werkte tot zijn pensionering in 1873.

Na zijn overlijden schreef de Nieuwe Rotterdamsche Courant (29 april 1877) dat Rotterdam ‘een harer geleerdste en tevens een harer geachtste ingezetenen’ verloren had.

Ontwikkeling en karakterisering

Als jongeman schreef De Jager gelegenheidsgedichten en vertaalde hij uit het Frans. In 1820 - veertien jaar oud - kreeg hij Bilderdijks Taal- en dichtkunstige verscheidenheden onder ogen die zijn belangstelling voor de studie van de moedertaal wekte. Zijn verdere leven bleef hij de dichter Bilderdijk bewonderen en hield hij een zwak voor de taalkundige Bilderdijk.

In de jaren twintig begon De Jager over taalkunde te publiceren, aanvankelijk in de vorm van reacties op anderen, op basis van zijn kennis van Weiland, Siegenbeek en vooral Bilderdijk met wie hij correspondeerde.

Het is aanvankelijk vooral de spelling die De Jager bezighoudt. Een tweede prijs behaalde hij in 1827 met een verhandeling voor de Koninklijke Maatschappij van Vaderlandsche taal- en letterkunde ‘Eendragt en Vaderlandsliefde’ te Brugge. De opdracht vroeg een overzicht van de ‘verhandelingen over de Nederduitsche Spel- en Spraakkunst van de Heeren Siegenbeek en Weiland, vergeleken met de Nederlandsche Spraakleer en verdere Taalkundige Schriften van den zeer geleerden Heer Mr. W. Bilderdijk’.

In zijn Vlaardingse tijd als schoolhouder met weinig leerlingen begon De Jager materiaal te verzamelen voor zijn eerste grote publicatie: Proeve over de werkwoorden van herhaling en during. Uit vele teksten noteerde hij frequentatieven (dartelen, keuvelen, zwijmelen, e.d.) en voorzien van de betekenisomschrijving en de afleiding maakte De Jager van dat materiaal een naslagwerk (1832).

Ondertussen was hij druk doende met het voorbereiden van een tijdschrift. Dat wordt het Taalkundig Magazijn, dat vanaf 1835 tot 1842 verschijnt. Zowel de jonge Matthias de Vries als L.A. te Winkel publiceerden in dit tijdschrift hun eerste artikel.

In 1837 bracht De Jager een Taalkundige handleiding tot de Staten-overzetting des Bijbels uit die vooral gericht is op de verklaring van woorden en uitdrukkingen. Naast enkele kleinere opstellen over de betekenis van woorden en over spellingskwesties richtte De Jagers aandacht zich vervolgens op een nieuw op te richten tijdschrift. In 1847 verscheen het Archief voor Nederlandsche Taalkunde. Het bleef tot 1854 bestaan en De Jager vond min of meer dezelfde medewerkers als voor het eerdere blad.

De Jager bezorgde een uitgave van Cats' Gedichten (1843-1854) in drie delen en van de taalkundige werken van prof. Lulofs (1857-1877). Tegen Beets schreef hij Tollens' dichterrang gehandhaafd (1859). De onderwerpen geven zijn smaak en voorkeur aan.

Na het Archief zal De Jager zich sterk maken voor De Taalgids waarvan hij de redactie voerde met L.A. te Winkel. De Taalgids was dankzij de laatste en de bijdragen van veel academisch opgeleide taalkundigen het belangrijkste taalkundige tijdschrift van de negentiende eeuw. De Jager kon de nieuwe taalkunde niet volgen en de theoretische kwesties die Te Winkel aan de orde stelde, leidden tot een breuk.

Wat de spelling betreft is De Jagers positie interessant: de in zijn tijd meest gangbare spelling is die volgens Siegenbeek, maar De Jager wijzigt deze op verschillende punten volgens de opvatting van Bilderdijk, in een bekroonde verhandeling uit 1839. Als in het begin van de jaren zestig door De Vries en Te Winkel een nieuw spellingssysteem wordt ontworpen ten behoeve van het Woordenboek der Nederlandsche Taal heeft hij grote moeite dit te aanvaarden. Het duurde tot 1867 voor hij in een brochure onder de titel Mijne toetreding tot de spelling tot het Woordenboek der Nederlandsche Taal overstag ging. Overigens gebeurde dit niet op wetenschappelijk gronden, maar omdat hij als adviseur van het Bijbelgenootschap ertoe genoopt werd.

Ook met het WNT, waaraan hij niet medewerkte, had De Jager een moeilijke verhouding en zijn besprekingen van verschillende afleveringen zijn kritisch. De omvang en lexicografische basis gingen hem veel te ver.

Toen De Jager ambteloos burger was, zette hij zich weer aan de uitbreiding van zijn verzameling frequentatieven. Dat leidde tot een mooi Woordenboek van Frequentatieven.

Invloed

De Jager is een belangrijke figuur in het taalonderwijs en de taalkunde van het midden van de negentiende eeuw. Toch moeten we zijn betekenis niet overschatten, ondanks de grote hoeveelheid en diversiteit van publicaties. Bij de dood van zijn vriend Van Dale karakteriseerde hij hem zonder negatieve betekenis als ‘een degelijk en ijverig onderwijzer’, een typering die ook voor De Jager zelf geldt.

Jan te Winkel, die zijn levensbericht voor de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde schreef, karakteriseert hem als de ‘uitstekendsten der oudere taalgeleerden’. Dat is ook in wetenschappelijk opzicht juist. De Jager was geen academicus en hoewel hij zich vermoedelijk wel verdiepte in het Gotisch, heeft hij de historische taalwetenschap niet grondig beoefend, laat staan de importantie gezien van taalvergelijking en theorievorming. Vergeleken met De Vries is hij een liefhebber van de oude stempel, vergeleken met Te Winkel is hij oppervlakkig en beperkt.

Hij correspondeerde met iedereen, besteedde meer tijd aan netwerken en congressen dan aan taalkundig onderzoek en zijn wetenschappelijk werk bestrijkt weliswaar een breed spectrum maar bevat geen enkele originele gedachte omtrent de moderne taalwetenschap. Hij verzamelde feiten en was meer geïnteresseerd in taalonderwijs dan taalwetenschap. In historiografisch perspectief vormt zijn werk de schakel tussen de oudere taalvorsers (Siegenbeek, Clarisse, Ypey, Lulofs) en de jongere, methodisch opgeleide taalkundigen (De Vries, Verwijs e.a.).

Zijn betekenis voor de taalkunde in Nederland ligt in de eerste plaats in de rol die hij speelde met de tijdschriften waaraan hij leiding gaf. In de tweede plaats blijven zijn publicaties interessant voor het verzamelde materiaal en voor de contemporaine verhoudingen. Ten slotte is zijn correspondentie van groot belang.

 

Lo van Driel
[maart 2004]

Voornaamste geschriften

Een groot aantal, belangrijke korte artikelen in de tijdschriften waarvan hij redacteur was: Taalkundig Magazijn (Rotterdam 1835-1842), Archief voor Nederlandsche Taalkunde (Rotterdam 1847-1854), Nieuw Archief voor Nederlandsche Taalkunde (Amsterdam 1855) en De Taalgids (1859 - 1867 (?)).
Proeve over de werkwoorden van herhaling en during in de Nederduitsche taal. Rotterdam, 1832.
Taalkundige handleiding tot de Staten-overzetting des Bijbels, bevattende eene verklaring der verouderde of min verstaanbare woorden en spreekwijzen in die overzetting voorkomende. Rotterdam, 1837.
Alphabetische lijst van woorden en spreekwijzen, taalkundig opgehelderd in de werken van Mr. W. Bilderdijk. Rotterdam, 1839.
Verscheidenheden uit het gebied der Nederduitsche taalkunde. Deventer, 1844.
Proeve over de invloed van Bilderdijk's dichtwerken op onze taal, ten aanzien van het vormen van oude woorden en spreekwijzen. Leiden, 1847.
Latere verscheidenheden uit het gebied der Nederlandsche taalkunde. Amsterdam, 1855.
Bezwaren tegen de spelregeling voor het woordenboek der Nederlandsche taal. Deventer, 1865.
Mijne toetreding tot de spelling van het woordenboek der Nederlandsche taal. Deventer, 1866.
Taalkundig handboekje of alphabetische lijst van alle Nederlandsche woorden, die wegens spelling of taalkundig gebruik aan eenige bedenking onderhevig zijn. Deventer, 1867.
Woordenboek der frequentatieven in het Nederlandsch. (2 dln.) Gouda, 1875-1878.

Belangrijkste secundaire literatuur

Te Winkel 1880 geeft een uitgebreide bibliografie die in combinatie met wat Meeldijk 1984 noemt een goed beeld van zijn werk geeft.
W. van Helten in: Nederlandsche Spectator 1877, p. 194.
J. te Winkel in: Levensberichten MNL 1880, p. 139.
E. Meeldijk: ‘Dr. Arie de Jager, onderwijzer en taalgeleerde’. In: Rotterdams jaarboekje 1984, p. 237-286.

Locatie archief

Geen archief bekend

Locatie brievencollecties

De minuten van brieven van Arie de Jager in een brievenboek (1823-1839) in Gemeentearchief Rotterdam (sign. Hss. verz. Rotterdam 656) en twee boeken (1839-1877) in UB Leiden (sign. Ltk 1622).

prepostterug  begin  verder