Bio- en bibliografisch lexicon van de neerlandistiek


auteur: Karina van Dalen-Oskam, Ingrid Biesheuvel, Wim van Anrooij en Jan Noordegraaf


bron: Het Bio- en bibliografisch lexicon van de neerlandistiek werd speciaal opgezet voor digitale publicatie en verscheen niet eerder in druk.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Jonckbloet, Willem Joseph Andries

Jonckbloet, Willem Joseph Andries * 6 juli 1817 ’s Gravenhage; † 19 oktober 1885 Wiesbaden, letterkundige, eerste hoogleraar Nederlandse taal- en letterkunde, verzorgde de eerste volledige geschiedenis van de Nederlandse letterkunde en beijverde zich om de beoefening van de neerlandistiek een wetenschappelijk karakter te geven.



illustratie

Jonckbloets ouders, Johannes Jonckbloet en Susanna Diehl, waren beiden werkzaam aan het hof van koning Willem II. Hun zoon zou aanvankelijk zijn opleiding volgen aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda, die echter in 1830 in verband met de onlusten in België haar deuren had gesloten. In plaats daarvan bezocht hij vanaf 1831 het gymnasium in zijn geboortestad Den Haag. In 1835 werd hij ingeschreven als student aan de Leidse universiteit, waar hij zich toelegde op de bestudering van de Nederlandse taal- en letterkunde, en geschiedenis. Er wordt wel beweerd dat Jonckbloet model heeft gestaan voor Flanor, een van de studententypen uit het werk van Klikspaan (Kneppelhout). Hoewel Jonckbloet nooit de officiële examens aan de universiteit heeft afgelegd, werd hem in 1840 het doctoraat honoris causa aangeboden na de verdediging van zijn geschrift Specimen e literis neerlandicis, exhibens Ludovici de Velthem chronici, quod inscribitur Speculum Historiale, librum III. Van 1847 tot 1854 was Jonckbloet hoogleraar in de Nederlandse taal en geschiedenis aan het athenaeum te Deventer; van 1854 tot 1864 in Groningen, waar hij eveneens vaderlandse geschiedenis en bovendien esthetica doceerde. In 1864 onderbrak hij zijn wetenschappelijke carrière voor een functie als liberaal volksvertegenwoordiger namens het district Winschoten (tot 1877). Jonckbloet hield zich in de Tweede Kamer voornamelijk bezig met koloniale kwesties en zaken betreffende de regeling en wetgeving van het hoger onderwijs. In 1877 werd hij benoemd op de eerste leerstoel in de Nederlandse taal- en letterkunde aan de universiteit van Leiden, een functie die hij in 1883 om gezondheidsredenen moest neerleggen. Met zijn vrouw verhuisde hij naar Wiesbaden, waar hij in 1885 overleed en werd begraven. Het huwelijk bleef kinderloos.

Wetenschappelijke ontwikkeling en karakterisering

Een van de Latijnse stellingen die Jonckbloet bij zijn Specimen (zie boven) voegde, luidde dat er geen waarde gehecht mocht worden aan de uitspraak die Balthazar Huydecoper in 1772 deed: dat het, met uitzondering van Jan van Heelu, voldoende was van onze oude dichters slechts enkele fragmenten te bewaren. Dit idee zou de rode draad worden die door zijn wetenschappelijke leven zou gaan lopen, samen met zijn streven de (medio)neerlandistiek een meer professioneel karakter te geven. Bij dit laatste vormde zijn benoeming tot hoogleraar in de Nederlandse letterkunde te Leiden (187) een belangrijke mijlpaal. W.J.A. Jonckbloet werd in feite de grondlegger van het vak.

Vanaf 1843 was Jonckbloet, samen met o.a. M. de Vries, P.J. Vermeulen, P. Leendertz en J. Tideman betrokken bij de Vereeniging ter bevordering der oude Nederlandsche letterkunde. De leden van deze vereniging beijverden zich voor het verzorgen van uitgaven van belangrijke handschriften en oude drukwerken. Geheel in deze geest waren Jonckbloets eerste publicaties dan ook tekstedities: Huygens’ Cluys-werck en de Beatrijs (beide 1841), Dietsche Doctrinael (1842), Roman van Karel de Groote en zijne XII pairs (de Roman der Lorreinen, 1844), Dietsce Catoen (1845), Roman van Walewein (2 dln., 1846-1848) en de Roman van Lancelot (2 dln., 1846-1849). Zeven tekstedities in zes jaar, waaronder de editie van de vele verzen tellende Lancelot-compilatie, daarnaast een aantal boekbesprekingen waaronder ten minste één geruchtmakende (zie onder), getuigen van de enorme werkijver van Jonckbloet. Hierna achtte hij, getuige het voorwoord bij de editie van Beatrijs en Carel ende Elegast (1859), de tijd gekomen het editoriale werk over te laten aan anderen en legde hij zich toe op het schrijven van de geschiedenis der Nederlandse letterkunde. In de periode 1851-1855 waren al de drie delen Geschiedenis der Middennederlandsche dichtkunst verschenen; tussen 1868 en 1872 verscheen Jonckbloets grootste werk: Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde (2e omgewerkte druk 1873-74; 3e druk 1881-86, wederom omgewerkt en uitgebreid van twee naar zes delen).

De beide inaugurele redes die hij hield (Deventer, februari 1848, en Groningen, maart 1854) zijn duidelijke standpuntbepalingen. In zijn rede van 1848 fulmineerde Jonckbloet heftig tegen het onwetenschappelijke karakter van de studie der Nederlandse taal tot nu toe; hij spreekt onder andere van ‘oppervlakkig dilettantisme’; in 1854 pleitte hij voor een nieuwe, maar nu op wetenschappelijke wijze, bestudering van de bronnen. Het lijkt of zijn inspanningen uiteindelijk beloond werden: in zijn derde inaugurele rede, aan de Universiteit van Leiden, waar Jonckbloet vanaf 1877 de eerste leerstoel Nederlandse letterkunde zou bekleden, constateerde hij dat de studie van de Nederlandse taal- en letterkunde ‘met den stempel der wetenschap is geëikt’ en bevrijd ‘van het sollen der onwetenschappelijke liefhebbers’. Eerder nog dan in deze redes had Jonckbloet een nadrukkelijk standpunt ten aanzien van het vak ingenomen in zijn bespreking – over het algemeen beschouwd als vernietigend - van het Handboek (1845) van professor B.H. Lulofs, in De Gids van 1846. Voornaamste geschilpunt tussen de opvattingen van Lulofs en Jonckbloet blijken beider opvattingen over het tijdstip van aanvang van de Middelnederlandse letterkunde. Lulofs zocht dat tijdstip in de tweede helft van de dertiende eeuw (met Jacob van Maerlant), terwijl Jonckbloet die aanvang veel vroeger stelde, iets waaraan heden ten dage niet meer getwijfeld wordt.

Invloed

In zijn Geschiedschrijvers van onze letterkunde (1944) wijdde Gerard Brom een kleine dertig pagina’s aan Jonckbloet. Het stuk, dat overigens niet erg vriendelijk van toon is, opent met een zin die het belang van Jonckbloet in zijn tijd toch goed weergeeft: ‘Het werd hoog tijd, dat iemand de studie een wetenschappelijk karakter kwam geven.’ Jonckbloet heeft verder veel, en degelijk werk geleverd, waaruit zijn grote kennis van de bronnen, en in het bijzonder van het Oudfrans blijkt. Dat leverde hem ook in het buitenland aanzien op. Tijdgenoten hebben hem de vernietigende recensie van Lulofs’ boek verweten, maar moesten toch ook erkennen dat het stuk veel waars bevatte.

Hij werd de eerste die de neerlandistiek een complete literatuurgeschiedenis verschafte, waarbij hij de blik ook op omringende landen als Duitsland en Frankrijk richtte. Die literatuurgeschiedenis kent ook zijn gebreken: de geestelijke literatuur, en daarmee bij voorbeeld een groot schrijver als Ruusbroec, zoekt men er tevergeefs. Verder toonde Jonckbloet niet veel waardering voor didactische geschriften en geeft hij een vrij negatief beeld van Jacob van Maerlant. Toch blijft zijn vele malen herdrukte Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde een belangrijke vraagbaak, met name voor de ridderepiek, en zijn we voor een deel van de immense Lancelot-compilatie nog steeds aangewezen op Jonckbloets editie uit 1846-1849.

 

 

Ingrid Biesheuvel
[januari 2010]

Voornaamste geschriften

[met A.W. Kroon]: Letter- en geschiedkundige aanteekeningen op de rymkroniek van Jan van Heelu betreffende den slag van Woeringen, in het jaar 1288, nagelaten door wijlen Hendrik van Wyn. ’s Gravenhage, 1840.
[Recensie van] B.H. Lulofs: Handboek van den vroegsten bloei der Nederlandsche letterkunde, of Proeve uit Nederlandsche schriften der dertiende en veertiende eeuw. Met inleidingen, aanstipping over de spraakleer en den stijl van dien tijd, een klein woordenboek, enz. Groningen, 1845. In: De Gids 10 (1846), 1, p. 1-56.
Over wetenschappelijke beoefening der Nederlandsche taal. Deventer, 1848. Inaug. rede.
Over Middennederlandschen epischen versbouw. Amsterdam, 1849.
De beoefening van de geschiedenis des vaderlands in wezen en strekking. Groningen, 1854. Inaug. rede.
Guillaume d’Orange: chansons de geste de XIe et XIIe siècles. La Haye, 1854.
Vanden Vos Reinaerde. Groningen, 1856.
Het professoraat in de Nederlandsche taal en letterkunde. Groningen, 1877. Inaug. rede Leiden.

Belangrijkste secundaire literatuur

H.E. Moltzer: ‘Levensbericht van W.J.A. Jonckbloet’. In: Jaarboek van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen. Amsterdam, 1886, p. 1-70.
J. Tideman: De Vereeniging ter Bevordering der Oude Nederlandsche Letterkunde (1843-1850). ’s Gravenhage, 1895.
F.P. van Oostrom: ‘Jonckbloet. De grondlegger.’ In: Literatuur 6 (1989), p. 325-328.
F.P. van Oostrom: ‘Van toen en nu en straks. De studie van de Middelnederlandse letterkunde.’In: J.W. de Vries (red.), Eene bedenkelijke nieuwigheid. Twee eeuwen neerlandistiek. Hilversum, 1997, p. 54-68.
Ingrid Biesheuvel: ‘Strijder tegen dilettanten. Willem Joseph Andries Jonckbloet (1817-1885).’ In: Wim van Anrooij, Dini Hogenelst en Geert Warnar (red.), Der vaderen boek. Beoefenaren van de studie der Middelnederlandse letterkunde. Studies voor Frits van Oostrom ter gelegenheid van diens vijftigste verjaardag. Amsterdam, 2003, p. 49-60.

Locatie archief

In de universiteitsbibliotheek Leiden bevindt zich onder signatuur BPL 2076 een zestal mappen met o.a. toespraken, verhandelingen over taal- en letterkundige onderwerpen, Tweede-Kamerstukken en Staatscouranten, en talloze blijken van erelidmaatschappen in binnen- en buitenland Jonckbloet betreffende.

Locatie brievencollecties

Zie CEN