Kate, Lambert ten * 23 januari 1674 Amsterdam; † 14 december 1731 Amsterdam, veelzijdig Nederlands taalkundige die beschouwd wordt als een van de grondleggers van de historische taalwetenschap.

Ten Kate was afkomstig uit een doopsgezind milieu; zijn vader was een Amsterdamse korenhandelaar. Hoewel Lambert in 1696 een van zijn vaders zakenpartners werd, trok hij zich waarschijnlijk omstreeks 1706 al uit de zaak terug. Desondanks bleef hij een welgesteld burger; vermoedelijk genoot hij een ruim inkomen uit de erfenissen van zijn ouders en stiefmoeder. Ten Kate bleef ongehuwd; hij stierf eind 1731 ten gevolge van ‘eene slepende ziekte’ en werd in de Noorderkerk te Amsterdam begraven.
Ten Kate, een autodidact, was een kunstliefhebber en amateur-onderzoeker die actief was op verschillende terreinen van kunsten en wetenschappen en daar ook over publiceerde. Toen de Duitse jurist en boekenverzamelaar Conrad von Uffenbach (1683-1734) in februari en maart 1711 in Amsterdam verbleef, had hij ook gelegenheid om Ten Kates uitgebreide kunstverzameling te bekijken. Ten Kate, zo noteerde hij, bleek ‘ein sehr höflicher, curiöser und dabey gelehrter Mann’. Hij was geen kamergeleerde, maar onderhield uitgebreide contacten met schilders, poëten en professoren. Zijn kunstverzameling genoot algemene bekendheid en door de vertaling van zijn Verhandeling over het Denkbeeldige Schoon der Schilders, Beeldhouwers en Dichters uit 1720 in het Frans (1728) en het Engels (1732) kon dit essay een bescheiden rol gaan spelen in de Engelse kunsttheoretische literatuur. Daarnaast publiceerde Ten Kate ook op religieus en theologisch gebied. In 1723 verscheen zijn belangrijkste taalkundige werk, de tweedelige Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake.
Voor hij begon aan zijn Aenleiding had Ten Kate zich al eerder met taalstudie bezig gehouden. In 1699 voltooide hij een Verhandeling over de Klankkunde, waarin hij blijk gaf van zijn kennis van de fysische factoren die een rol spelen bij het voortbrengen van klanken. Deze tekst bleef ongepubliceerd, maar werd herzien en verwerkt in de twee delen Aenleiding. Ook schreef hij al eerder een studie over de Gemeenschap tussen de Gottische spraeke en de Nederduytsche, een boekje dat in het voorjaar van 1710 verscheen. Hij bleek daartoe geïnspireerd door zijn vriend Adriaen Verwer (c. 1655-1717), die zelf onder het pseudoniem Anonymus Batavus een in het Latijn gestelde spraakkunst van het Nederlands gepubliceerd had, Linguae belgicae idea grammatica, poetica, rhetorica (1707). ‘Uwe zugt om den grond der zaeken, die gy by der hand neemt, zoo veel doenlyk tot in den éérsten oorspronk te doorsnuffelen, heeft ook my aengenóópt om eene Belgico-Gothike Lyste op te stellen van de woorden, die met de onze gelykluydig zyn’, zo begint Ten Kate in de Gemeenschap zijn ‘Brief wegens de Gottische spraeke’, gericht aan Adriaan Verwer en gedagtekend 25 maart 1708.
De Gemeenschap is geschreven ‘Tot Ophelderinge van den Ouden Grond van 't Belgisch’ - ‘En zie daer 't begéérde, en nog méér dan dat, tot voldoeninge van uw óógmerk volbragt’, kon Ten Kate trots aan Verwer berichten. In zijn studie immers werd de verwantschap tussen het Gotisch en het Nederlands (‘'t Belgisch’) aangetoond, in een brief, in een woordenlijst en op basis van voorbeelden van Gotische verbuigingen en vervoegingen. Onder meer wordt er duidelijk gemaakt dat de vervoeging van de werkwoorden in het Nederlands en het Gotisch eenzelfde patroon volgen, een inzicht dat Ten Kate ertoe bracht om de Gotische werkwoorden in zes classes te verdelen. In het systeem van de werkwoordvervoeging onderkende Ten Kate de regelmaat van de klinkerwisseling, wat hem bracht tot de ontdekking van wat Jacob Grimm later Ablaut zou noemen.
In de jaren 1710-1723 volgde de uitwerking van deze en andere observaties die resulteerde in de Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. In dat boek werd onder meer de classificatie van de Gotische werkwoorden uit 1710 toegepast op alle Germaanse talen die hij kende. De Aenleiding bestaat uit twee delen, elk van ongeveer 750 pagina's; samen bieden ze de eerste historische grammatica van het Nederlands, de concepten ‘historisch’, ‘grammatica’, en ‘Nederlands’ opgevat in zeer ruime zin. Het boek bevat onder meer beschrijvingen van vergelijkbare verschijnselen in diverse Germaanse talen, veronderstellingen over de verwantschap van talen, ideeën over taalverandering en taalvariatie, descriptie van Nederlandse taalverschijnselen en etymologie.
Zo bevat de Aenleiding ook menige scherpzinnige sociolinguïstische observatie over de toestand van het toenmalige Nederlands en de talrijke dialectologische variaties daarbinnen. Zich scherp bewust van de nauwe relatie tussen taal en maatschappij besteedde Ten Kate ruimschoots aandacht aan de culturele en historische dimensies van taal. De reden waarom Ten Kate zoveel aandacht schonk aan de werkwoorden, en aan de sterke werkwoorden in het bijzonder, had te maken met zijn visie op de rangorde van de rededelen. In de achttiende en negentiende-eeuwse Europese taalkunde was de relatie van de voornaamste rededelen, het werkwoord en het naamwoord, expliciet geformuleerd als een genetisch, eerder dan een logisch probleem. Inzake de genetische prioriteit werd bij Ten Kate beslist ten gunste van het werkwoord. Want volgens Ten Kate waren de werkwoorden veel ouder dan de andere rededelen, ook dan de nomina; en onder de verba vormden de sterke werkwoorden ‘de opperste top van Afleiding’.
Ook in methodisch opzicht is Ten Kates werk vernieuwend en invloedrijk geweest. Zijn benadering kan getypeerd worden als inductief en empirisch. In zijn onderzoek betoonde Ten Kate zich een aanhanger van het achttiende-eeuwse inductieve, functionele rationalisme, waarin de rede wordt ingezet voor het ontdekken en verklaren van de wetten van de taal. Het lijkt erop dat hij zich hiermee afzet tegen het Cartesianisme, mede op godsdienstige gronden. De achtergrond van Ten Kates visie is te vinden in de Newtoniaanse methode die toen in Nederland de overhand had. Voor Isaac Newton (1643-1727) koesterde Ten Kate een grote bewondering.
Aan het eind van de achttiende eeuw concludeerde de hoogleraar Everhardus Scheidius (1742-1794): ‘De ware systematische etymologie werd pas aan het begin van deze eeuw gevonden, voor het Grieks door T. Hemsterhuis, voor de Oosterse talen door A. Schultens en voor het Nederlands door L. ten Kate’. Deze uitspraak laat zien dat de autodidact Ten Kate op één lijn werd gesteld met internationaal vermaarde Nederlandse hoogleraren als Tiberius Hemsterhuis (1685-1766) en Albert Schultens (1686-1750).
Ondanks tekortkomingen moet het werk van Ten Kate beschouwd worden als een unieke achttiende-eeuwse bijdrage aan de studie van historisch-vergelijkende taalwetenschap, zowel qua inhoud als methode. Enkele van zijn ideeën (de klemtoonregel, de indeling van de werkwoorden en zijn driedeling in stijlniveaus) hebben doorgewerkt, zelfs in een aantal minder vooraanstaande taalkundige publicaties en in redelijk eenvoudige grammatica's. De schatplichtigheid van Balthazar Huydecoper (1695-1778), die andere belangrijke achttiende-eeuwer, aan Ten Kate is bekend en ook zijn herhaaldelijk loftuitingen en vermeldingen van Ten Kate als autoriteit aangetroffen. In de kringen van de dichtgenootschappen en de anno 1766 opgerichte Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden was de reputatie van Ten Kate onomstreden, en dat is altijd zo gebleven. Ten Kates werk raakte in de loop van de achttiende eeuw ook bekend bij buitenlandse geleerden. In het begin van de negentiende eeuw, bij de opkomst van de historische taalkunde in Duitsland, werd zijn werk zowel om inhoud als om de methode geprezen door A.W. Schlegel (1767-1845), terwijl Jacob Grimm (1785-1863) van de Aenleiding gebruik maakte bij het schrijven van zijn baanbrekende Deutsche Grammatik. Grimms precieze schatplichtigheid aan zijn Nederlandse voorganger is nog een kwestie van nader onderzoek.
Jan Noordegraaf / Marijke van der Wal
[6 augustus 2003]
| Gemeenschap tussen de Gottische spraeke en de Nederduytsche. Amsterdam: Jan Rieuwertsz. 1710. (Fotomechanische herdruk Amsterdam en Münster 2001; tweede, herziene en uitgebreide uitgave 2002). |
| Den schepper in Zyn bestier te kennen in Zyne schepselen; Volgens het Licht der Reden en Wiskonst. Tot Opbouw van Eerbiedigen Godsdienst, en Vernietiging van alle Grondslag van Atheistery; als mede Tot een regtzinnig Gebruyk van de Philosophie. Amsterdam: Pieter Visser 1716. |
| Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. 2 delen. Amsterdam 1723. (Fotomechanische herdruk Alphen aan den Rijn 2001). |
| C.L. ten Cate: Lambert ten Kate Hermansz. (1674-1731). Taalgeleerde en konst-minnaar. Utrecht, 1987. |
| Gerrit H. Jongeneelen: ‘Lambert ten Kate and the origin of 19th-century historical linguistics’. In: The History of Linguistics in the Low Countries ed. by Jan Noordegraaf, Kees Versteegh and Konrad Koerner, p. 201-219. Amsterdam & Philadephia, 1992. |
| Jan Noordegraaf en Marijke van der Wal: ‘Lambert ten Kate en de taalwetenschap/ Lambert ten Kate and Linguistics’. In: Lambert ten Kate, Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. 2 delen. Fotomechanische herdruk Alphen aan den Rijn 2001, deel 1, p. 2-32.(Met uitvoerige bibliografie). |
| Marijke J. van der Wal: ‘Lambert ten Kate and eighteenth-century Dutch linguistics’. In: Beiträge zur Geschichte der Sprachwissenschaft 12 (2002), p. 49-63. |
| Jan Noordegraaf: ‘“Let Us Now Praise Famous Men”. Underlying Conceptions in the Works of Lambert ten Kate’. In: Klaus D. Dutz (red.): Später Mittag. Vermischte Anmerkungen zur Metahistoriographie. Münster, 2003, p. 175-190. |
Geen Ten Kate-archief bekend. Op de UBA bevinden zich hss. afgeschreven door Cornelis Ploos van Amstel. Ook op de UBL bevinden zich diverse hss.
Op de UBA bevindt zich een afschrift van de correspondentie tussen Ten Kate en de kunstschilder Hendrik van Limborgh.