Kern, Johan Hendrik * 24 januari 1867 Leiden; † 19 december 1933 Leiden, geleerde en taalkundige die door zijn initiatief voor de oprichting van een dialectencommissie de grondslag heeft gelegd voor het wetenschappelijk dialectonderzoek in Nederland. Daarnaast schreef hij een aantal belangrijke publicaties op taalkundig gebied die een weerspiegeling zijn van zijn gevariëerde loopbaan van slavist, anglist en neerlandicus.

Kern stamde uit een intellectueel milieu. Zijn vader was hoogleraar Sanskrit in Leiden. Na de lagere school stuurde zijn vader hem naar de hbs, want hij was van mening dat hij daar de moderne talen beter zou leren, terwijl hij hem zelf thuis onderrichtte in Latijn en Grieks. Na het derde leerjaar deed hij toelatingsexamen voor de vierde klas van het gymnasium en in 1885 legde hij het eindexamen af. Het lag in de bedoeling dat de jonge Kern in Leiden zou promoveren in de letteren, maar eerst trok hij naar Tübingen om er twee semesters bij Sievers te studeren. In 1886 keerde hij terug naar Leiden en op 27 september schreef hij zich in als student. Op 22 september 1887 deed hij cum laude kandidaatsexamen en op 14 juli 1889 doctoraal examen. Na zijn afstuderen ging hij één jaar naar Leipzig om er de colleges Slavische en Baltische talen te volgen bij Leskien. Na terugkeer in Leiden begon hij aan zijn proefschrift te werken: de klankleer van de Limburgse Sermoenen. Hij promoveerde bij Mathias de Vries op 27 juni 1891. De promotie geschiedde cum laude. De dissertatie verscheen in 1895 in druk.
Van 1892 tot 1893 was hij tijdelijk leraar aan de hbs te Bergen-op-Zoom, in 1894 werd hij opgenomen in de redactie van de Nieuwe Rotterdamsche Courant, speciaal voor de bewerking van berichten over Oost-Europa. In 1899 werd hij privaat-docent Slavische talen aan de Leidse universiteit. In 1900 volgde zijn benoeming tot hoogleraar Engels te Groningen. In 1924 volgde hij J.W. Muller op als hoogleraar Nederlands te Leiden, een functie die hij bekleedde tot aan zijn dood.
Door afkomst en milieu was Kern voorbestemd voor een intellectuele carrière, van de mogelijkheden die hem geboden werden, heeft hij ruimschoots gebruik gemaakt en hij ontwikkelde zich tot een veelzijdig geleerde. Zijn publicaties worden voor een deel bepaald door zijn loopbaan, maar neerlandistische onderwerpen voeren de boventoon. Daar is allereest zijn proefschrift over de klankleer van de Limburgse Sermoenen, een voor die tijd modern werk dat niet aansloot bij de filologische traditie van zijn leermeester en promotor Mathias de Vries, maar duidelijk geïnspireerd was door wat hij tijdens zijn studie in Duitsland had geleerd van de toen nieuwe theorieën der neogrammatici. Met deze studie over de taal van één tekst was hij een voorloper. Zijn meest omvangrijke publicatie op neerlandistisch gebied is De met het Participium Praeteriti omschreven werkwoordsvormen in 't Nederlands. Amsterdam 1912. (Verhandelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen, afdeling Letterkunde. Nieuwe reeks XII, nr. 2). In dit artikel beschrijft Kern het adjectivisch gebruik van het verleden deelwoord, dat bij transitieve verba de betekenis ‘in een toestand verkerend’ of ‘in een toestand gebracht en er nog in verkerend’ heeft - een geliefd kind naast een gespannen boog - en de gevolgen die dat heeft voor de ontwikkeling van het voltooid deelwoord.
Dialecten, ook Nederlandse, hadden al vroeg zijn aandacht en opvallend is zijn grote belangstelling voor het Limburgs. Zijn Groningse inaugurele rede was getiteld De beoefening van de Nieuwengelsche Tongvallen (Groningen 1901). Hierin geeft hij blijk grondig op de hoogte zijn van het dialectologisch onderzoek in zijn dagen en speciaal van de Engelse dialectologie. Hij schreef een uitvoerige recensie van het proefschrift van J.J.H. Houben, Het dialect der stad Maastricht (Maastricht 1905) en een uitgebreide studie over de Limburgse accentuering: ‘Zum Verhältnis zwischen Betonung und Laut in niederländisch-limburgischen Mundarten’ (Indogermanische Forschungen 26 (1909), 258-274). Als akademielid deed hij in 1926 het voorstel om een commissie in te stellen die moest onderzoeken hoe het dialectonderzoek in Nederland het best geconcentreerd kon worden, teneinde op wetenschappelijk gebied niet achter te lopen bij wat er in de landen om ons heen gebeurde. Hij was er de eerste voorzitter van. Het huidige Meertens Instituut, waarvan de kiem gelegd werd in 1930 met de oprichting van het Dialectenbureau, is het resultaat van die bemoeienis.
In de geschiedenis van de neerlandistiek lijkt Kern een marginale rol te spelen. Al zijn de Limburgse sermoenen, naar later bleek, niet allemaal van Limburgse afkomst en ook naar de vorm niet allemaal preekteksten, zijn tekstuitgave is nog altijd uitstekend. De anglist Kern bezette de Groningse leerstoel voordat het vak tot academische studie werd verheven en als zodanig kon hij slechts betrokken zijn bij middelbare examens, maar ook in zijn Leidse jaren heeft hij niet als promotor mogen optreden. Zijn naam ontbreekt geheel in J. de Vries (red.), Eene bedenkelijke nieuwigheid. Twee eeuwen neerlandistiek. (Hilversum 1997).
Toch zou men uit het feit dat hij redacteur van De nieuwe taalgids was en deel uitmaakte van de groep deskundigen van Onze Taal en vooral ook uit het pleidooi voor een vlottere en meer soepele Nederlandse schrijftaal, gehouden in zijn Leidse oratie, Idealen en Grenzen (1924), mogen afleiden dat hij wel degelijk voeling met het dagelijkse leven had en niet enkel een droge kamergeleerde was.
J.B. Berns
[oktober 2003]
| Klankleer der Limburgsche Sermoenen. (Proefschrift Leiden). Groningen, 1891. |
| De beoefening van de Nieuwengelsche tongvallen. (Inaugurele rede Groningen). Groningen, 1901. |
| ‘Is de beleefdheidsvorm U een verbastering van U.E.?’ In: De nieuwe taalgids 5 (1911), p. 121-133. |
| De met het Participium Praeteriti omschreven Werkwoordsvormen in 't Nederlands. Amsterdam, 1912. (Verhandelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen, Afdeling Letterkunde. N.R. XII, no. 2). |
| ‘Over de taal van de brieven van Huygens' zusters en Dorothea van Dorp’. In: Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde 48 (1929), p. 49-113. |
| Een volledige bibliografie van de hand van A. Kluyver, die zijn levensbericht schreef in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1933-34, p. 79. |
| Levensbericht door A. Kluyver in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1933-34, p. 79. |
Geen Kern-archief bekend.
De UB Leiden bezit een aantal brieven van J.H. Kern aan verschillende tijdgenoten.