Kollewijn, Roeland Anthonie *Amersfoort 30 maart 1857; † Helmond 7 februari 1942, (pseudoniemen: G.Lzg., C.P. Brandt van Doorne, Dr. K. Holtvast, W.R. Nyenkamp), vooral bekend als initiator van de vereenvoudiging van de spellingregeling-De Vries en Te Winkel.

R.A. Kollewijn was een zoon van de bekende ‘instituteur’ en latere hbs-leraar A.M. Kollewijn (1827-1900). Na een afgebroken hbs-opleiding behaalde hij door middel van zelfstudie en privé-lessen bij Joh. A. Leopold (1846-1922) in 1875 de akte LO Duits. In Groningen volgde hij colleges Nederlandse taal- en letterkunde bij H.E. Moltzer (1836-1895) en in 1878 behaalde hij de akte MO Nederlands. De studie Duits zette hij te Leipzig voort. Kollewijn promoveerde daar in 1880 op een studie Über den Einfluss des holländischen Dramas auf Andreas Gryphius. Teruggekeerd in Nederland legde hij datzelfde jaar met goed gevolg examen af voor de akte MO Duits. Hij was vervolgens leraar Nederlands te Deventer en te Amsterdam. In 1892 werd hij directeur van een nieuwe hbs aldaar. In 1916 moest hij om gezondheidsredenen ontslag nemen. Na zijn overlijden in het oorlogsjaar 1942 werd ‘Kolderwijn’ in het blad Sturm gehekeld als een ‘cultuurbolsjewiek’, die vijandig stond tegenover alles wat ‘Germaansch’ was en als een tegenstander van alle ‘Nationale Waarden’. Maar ook van onverdacht niet-nationaal-socialistische zijde was hem bij zijn leven felle kritiek ten deel gevallen, al had hij zich reeds vrij vroeg uit de frontlinie van de spellingstrijd teruggetrokken.
Kollewijns belangstelling voor taalstudie is naar zijn zeggen gewekt door de lectuur van de Nederlandse vertaling (1877-1881) door J. Beckering Vinckers van het werk van de Amerikaanse taalkundige W.D. Whitney (1827-1894), Language and the the Study of Language (18671). Zoals gezegd, in 1878-1880 studeerde Kollewijn te Leipzig bij leermeesters als Friedrich Zarncke (1825-1891), die de uitdrukking ‘junggrammatische Schule’ gemunt heeft, en bij Rudolf Hildebrand (1824-1894). Vanaf die tijd is het spellingvraagstuk hem blijven bezighouden. In gesprek met Kollewijn over de verschillen tussen gesproken en geschreven Nederlands reageerde Hildebrand op enkele krasse voorbeelden daarvan met de woorden: ‘Nein mein lieber Kollewijn, das kann ich Ihnen nicht glauben. So chinesisch sind die Holländer eben nicht’.
Vanaf 1883 werkte Kollewijn mee aan het taal- en letterkundige onderwijzerstijdschrift Noord en Zuid, waarin hij sommige bijdragen ondertekende met ‘G.Lzg’ (Groningen-Leipzig). In dit blad werd ernst gemaakt met het ‘populariseeren van beproefde uitkomsten der linguistiek’, d.i. de historische taalwetenschap. Slechts datgene wat dienstig kon zijn voor de taalonderwijzer, werd ‘vertaald’ door erkende specialisten.
Al in 1885 maakte Kollewijn - voor het eerst - duidelijk dat hij een spellingvereenvoudiging dringend noodzakelijk vond (NZ 8: 208). In 1891 publiceerde hij zijn befaamde artikel ‘Onze lastige spelling’ (Vragen van den dag 6, 577-596), waarin hij voorstelde de spelling-De Vries en Te Winkel te vereenvoudigen. In hetzelfde jaar trad hij toe tot de redactie van het pas opgerichte tijdschrift Taal en Letteren, op voorwaarde dat het blad open zou staan voor z'n ideeën over spellinghervorming. Hij bleef redacteur van Taal en Letteren tot de opheffing ervan in 1906, maar heeft zich voornamelijk beperkt tot het leveren van artikelen.
Kollewijn werd voorzitter van de in 1893 opgerichte ‘Vereniging tot vereenvoudiging van onze spelling en verbuiging’ en speelde een leidende rol in het uitdragen en verdedigen van de vereenvoudigingsvoorstellen in de jaren daarna. Hij stelde onder meer een Vereenvoudigersarsenaal (1914, 2e dr. 1929) samen. In 1914 legde hij zijn functie als voorzitter van de Vereniging neer. De hoofdzaken van de spelling-Kollewijn zijn verwerkt in de regeling die in 1946 en 1947 van regeringswege in België en Nederland algemeen is ingevoerd.
In 1905 publiceerde hij onder het pseudoniem Dr. K. Holtvast een Beknopte Nederlandsche Spraakkunst, die verscheidene herdrukken heeft gekend; vanaf de 19e druk is het boek herzien door Dr. J.G.M. Moormann. In dit boek, dat de Nederlandsche spraakkunst (18781) van T. Terwey (1845-1893) in het middelbaar onderwijs verdrong, bleek Kollewijn bereid omwille van het onderwijs te ‘transigeren’; de norm van de schrijftaal werd weer aanvaard, wat de auteur in 1939 nogal kritisch commentaar opleverde van de kant van de latere geschiedschrijver van Taal en Letteren, H.J. de Vos. In 1908 verscheen een Proeve van een Nederlandsche spraakleer die door het driemanschap Talen, Kollewijn en Buitenrust Hettema werd uitgegeven en die grotendeels bestond uit omgewerkte opstellen uit Taal en Letteren. De invloed van de Prinzipien der Sprachgeschichte (18801) van de neogrammaticus Hermann Paul is er aantoonbaar aanwezig.
Naast een aantal literair-historische publicaties, onder meer een tweedelige studie over Bilderdijk, en tijdschriftartikelen op het gebied van spraakkunst en spelling, verschenen van zijn hand ook romans, novellen en toneelstukken, die nu goeddeels vergeten zijn. De enigszins gekleurde, polemische studies die hij schreef om zijn spellingvoorstellen historisch te onderbouwen, zijn gebundeld in Opstellen over spelling en verbuiging. Zijn ‘beroemde’ artikel over Balthasar Huydecoper, ‘een taaldespoot uit de pruiketijd’, bevatte echter tal van ‘feitelijke onjuistheden’, naar een geharnast tegenstander, J. Wille (1881-1964), eens opmerkte. Deze reeks historische studies is in een breder kader met succes voortgezet door de latere Utrechtse hoogleraar C.G.N. de Vooys (1873-1955), die na het terugtreden van Kollewijn uit de vereenvoudigersbeweging ook in publicistisch opzicht een deel van diens rol overnam.
De invloed van Kollewijn op de spelling van het Nederlands is zeer groot geweest; de weerstand tegen zijn voorstellen eveneens. Onder meer J. Wille liet in zijn Taalbederf door de School van Kollewijn - ‘ Breng ons Taaltucht, Geen Taalrevolutie’ - uit 1935 goed uitkomen dat het in de jaren dertig niet alleen ging om een discussie over spellingbeginselen, maar vooral ook om de ideologische onderliggende ideeën die deze beginselen stuurden.
Jan Noordegraaf
[oktober 2003]
| Opstellen over spelling en verbuiging. Amsterdam 1899, 3e dr. 1916. |
| Beknopte Nederlandsche spraakkunst. Groningen 1905, 26e dr. 1952. |
| Nederlandse taal. Proeve van een Nederlandse spraakleer. Zwolle 1908 (met J.G. Talen en F. Buitenrust Hettema). |
| Vereenvoudigersarsenaal. Baarn 1914; 2e dr. Purmerend 1929. |
| Herinneringen. Santpoort 1937. |
| J. Wille: Taalbederf door de School van Kollewijn. Amsterdam, 1935. |
| H.J. de Vos: Moedertaalonderwijs in de Nederlanden. Twee delen. Turnhout, 1939. |
| J.A. Daman: Vijftig jaren van strijd 1891-1941. Purmerend, 1941. |
| J.J. Salverda de Grave: ‘Roeland Anthonie Kollewijn’. In: Handelingen en levensberichten van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden 1941-42. Leiden, 1942, p. 92-103 (met opgave van de voornaamste geschriften). |
| D.M. Bakker & G.R.W. Dibbets (red.): Geschiedenis van de Nederlandse taalkunde. Den Bosch, 1977. |
| Michael van Wissen van Veen: Conservatisme, taalfetisjisme en vaderlandsliefde. Een onderzoek naar het verzet tegen de Vereenvoudigde Spelling gedurende de periode 1891-1941 in het bijzonder gedurende de periode 1931-1947. Doctoraalscriptie Nederlandse taalkunde, Vrije Universiteit Amsterdam. Ongepubl. Amsterdam, 1987. |
| BWN 3 (1989), 351-352. |
| J. Noordegraaf: ‘Taal en Letteren na honderd jaar’. In: Forum der Letteren 32 (1991), p. 269-280. (Herdrukt in Voorlopig verleden. Taalkundige plaatsbepalingen, 1797-1960 door Jan Noordegraaf. Münster, 1997, p. 110-125). |
| C.G. Molewijk: Spellingverandering van zin naar onzin,1200-heden. Den Haag, 1992. |
Collectie-Kollewijn in UB Leiden; knipselverzameling in GA Amsterdam.
zie CEN