Bio- en bibliografisch lexicon van de neerlandistiek


auteur: Karina van Dalen-Oskam, Ingrid Biesheuvel, Wim van Anrooij en Jan Noordegraaf


bron: Het Bio- en bibliografisch lexicon van de neerlandistiek werd speciaal opgezet voor digitale publicatie en verscheen niet eerder in druk.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Lindemans, Jan

Lindemans, Jan * 2 juli 1888 Opwijk; † 14 september 1963 Laken, naamkundige en kenner van de West-Brabantse geschiedenis, taal en volkskunde

 



illustratie

Jan Lindemans werd geboren te Opwijk in Vlaams-Brabant als tweede van elf kinderen in een vooraanstaande familie, die grote verdiensten had verworven in het onderwijs in West-Brabant. Hij kreeg zijn eerste onderricht aan het internaat-externaat waarvan zijn vader directeur was. Van 1901 tot 1905 volgde hij de klassieke humaniora aan het Klein Seminarie te Mechelen. Vervolgens studeerde hij van 1905 tot 1909 Germaanse Filologie aan de Katholieke Universiteit van Leuven. In 1911 promoveerde hij in Leuven tot Doctor in de Germaanse Filologie op het literair-historische proefschrift Het natuurgevoel bij Vondel. Na zijn studies keerde Lindemans terug naar zijn geboortestreek. Van 1909 tot 1920 was hij als leraar werkzaam aan de ouderlijke school te Opwijk. In 1919 werd hij benoemd tot directeur van het Rijks Hoger Normaal Instituut voor Landbouwhuishoudkunde in Laken en in 1921 tot docent voor o.m. wijsbegeerte en methodenleer aan de Rijkslandbouwhogeschool te Gent. Beide ambten zou hij tot aan zijn pensionering uitoefenen. Zijn wetenschappelijk werk kwam tot stand naast zijn beroepsbezigheden als directeur en docent.

Lindemans was niet alleen wetenschapper en pedagoog, hij was ook een gedreven organisator. In 1911 richtte hij het regionale tijdschrift Eigen Schoon op, waarvan hij tegelijk bestuurder, beheerder en hoofdredacteur was. In dit tijdschrift, gewijd aan de lokale geschiedenis, de oudheidkunde, de volkskunde en de taalkunde van West-Brabant, publiceerde Lindemans zijn eerste bijdragen over de toponymie van West-Brabant. Tijdens de Eerste Wereldoorlog verscheen het tijdschrift niet. Tussen 1919 en 1925 verschenen bij drukker Maurits Sacré vier jaargangen van een nieuw tijdschrift De Brabander, dat als de voortzetting van Lindemans' initiatief moet worden beschouwd. In 1925 werden beide publicaties samengevoegd onder de titel Eigen Schoon en De Brabander. Dit tijdschrift werd, met Lindemans als redactiesecretaris, het orgaan van de in 1925 door hem opgerichte heemkundekring ‘Geschied- en Oudheidkundige Kring van West-Brabant’, in 1937 verruimd tot ‘Geschied- en Oudheidkundig Genootschap van Vlaams-Brabant’, waarvan Jan Lindemans decennialang de bezieler was.

Lindemans' wetenschappelijke en andere verdiensten werden in ruime kring erkend. Hij ontving diverse eretekens van de Belgische regering en werd benoemd tot lid van o.m. de Zuidnederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis (1923), de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie te Brussel (1926), de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde (1939) en de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden (1945).

Jan Lindemans stichtte een gezin met Maria van Nuffel uit Boom, met wie hij in 1920 was gehuwd.

Ontwikkeling en karakterisering

Jan Lindemans heeft zich op velerlei gebieden verdienstelijk gemaakt. Zijn bibliografie telt 797 titels: merendeels bijdragen van beperkte omvang, waarin diverse onderwerpen uit de naamkunde, de lokale geschiedenis, de oudheidkunde, de dialecten en de volkskunde behandeld worden.

Lindemans' voornaamste werk betreft echter de toponymie van West-Brabant, waarvoor hij vanaf het begin wetenschappelijke belangstelling toonde.

Al in zijn bijdrage West-Brabantse plaatsnamen: I. De plaatsnamen uitgaande op -ghem en -inghen, die in de eerste jaargang van het door hem opgerichte tijdschrift Eigen Schoon (1911) verscheen, wordt de toon van zijn werk gezet: Lindemans wilde aan de hand van de plaatsnamen de geschiedenis van zijn geboortestreek schrijven, aantonen hoe zij ontgonnen werd en hoe de bewoning, de landbouwuitbating en het wegennet er zich ontwikkeld hebben. Daartoe heeft hij vooreerst de toponymie van zijn geboortestreek grondig bewerkt. In 1930 verscheen zijn omvangrijke Toponymie van Opwijk, uitgegeven als eerste werk in de reeks ‘Nomina Geographica Flandrica, Monographieën’ van het Leuvense Instituut voor Naamkunde. Deze toponymische monografie is opgesteld volgens een beproefd model, dat Lindemans' interdisciplinaire aanpak van de plaatsnaamkunde illustreert: het alfabetisch geordend verklarend glossarium van historische en hedendaagse plaatsnamen vormt het voornaamste deel, maar wordt verruimd met een geografische en historische schets van de gemeente, een thematische indeling van het materiaal naar de topografie, een schets van het dialect, een overzicht van Opwijkse persoonsnamen, en wetenswaardigheden uit de lokale geschiedenis en oudheidkunde.

Ook in Lindemans' latere monografieën wordt het West-Brabantse plaatsnamenmateriaal in zijn geografische en historische context geplaatst. Tussen 1931 en 1952 publiceerde Lindemans in de reeks ‘Toponymica: Brabantse plaatsnamen’ van het Instituut voor Naamkunde toponymische monografieën over de gemeenten Alsemberg, Anderlecht, Baardegem, Beersel, Beert, Beigem, Bekkerzeel, Drogenbos, Dworp, Bellingen, Bogaarden en Borchtlombeek. De serie monografieën werd in 1952 afgesloten met de Toponymie van Asse, nr. 5 in de reeks ‘Nomina Geographica Flandrica. Monographieën’.

Gaandeweg ontwikkelde Lindemans een meer synthetische kijk op bepaalde toponymische problemen. Op deze ontwikkeling wijzen o.m. bijdragen als Over eenige niet specifieke toposuffixen in plaatsnamen (1928), De planten in de Zuid-West-Brabantse toponymie (1931), Migratie van plaatsnamen en Siedlungsgeschichte (1939) en vooral zijn bijdragen die later gebundeld werden als Toponymische verschijnselen geografisch bewerkt (1940, 1946, 1954). Hierin komt hij tot een synthese van zijn studie naar toponymische bestanddelen die veelvuldig voorkomen in België en Noord-Frankrijk zoals akker, kouter, veld, beemd, meers, meet, heem, zele, hove enz. Hij brengt de geografische verspreiding van deze bestanddelen op kaart en verklaart hun verspreiding, niet alleen in relatie tot de bodemgesteldheid, maar ook als de neerslag van de Frankische kolonisatie van onze gewesten.

Vanaf 1935 ontwikkelde Jan Lindemans meer belangstelling voor de persoonsnamen, waarvan het onderzoek in Vlaanderen destijds minder goed was uitgebouwd dan de studie van plaatsnamen. Ook de persoonsnamenstudie moest volgens hem gebaseerd worden op een systematisch onderzoek van oude attestaties. Die overtuiging bracht hij in praktijk in bijdragen als Plaats- en persoonsnamen in oude cijnsboeken. Proeve van bewerking naar het renteboek der St. Baafsabdij te St.-Lievens-Houtem (XVde eeuw) (1941) en Brabantse persoonsnamen in de XIIIe en XIVe eeuw (1947).

Tijdens de oorlogsjaren publiceerde Lindemans in het tijdschrift Nieuw Vlaanderen een lange reeks artikelen over Vlaamse persoonsnamen, in het bijzonder over de namen van Germaanse oorsprong. De meeste van deze bijdragen werden gebundeld in het boek Bijdragen tot de geschiedenis en de beteekenis van de Vlaamsche persoonsnamen. Eerste Reeks. (1944), waarin voor het eerst een uitgebreid onderzoek van onze voornamen werd ondernomen. Hoewel het Lindemans' bedoeling was om een breed publiek te informeren over de geschiedenis en de betekenis van de Germaanse voornamen, is het boek ook in wetenschappelijk opzicht van belang. Want niet alleen wordt de etymologische betekenis van de bestanddelen van de Germaanse persoonsnamen toegelicht, maar ook de geschiedenis en de geografische verspreiding van de naamvormen door de eeuwen heen, de neerslag van deze voornamen in toponiemen en in familienamen, de verscheidenheid van vleivormen, van afleidingen en samenstellingen, van dialectische varianten en equivalenten uit andere taalgebieden krijgen rijkelijk aandacht. Door de ruime opzet ervan, die de grenzen van de antroponymie overschrijdt, is het boek een waardevol instrument voor wie de Vlaamse doop- en familienamen wil bestuderen.

Invloed

Lindemans heeft een aanzienlijke invloed gehad op de wetenschappelijke bestudering van de Vlaamse plaats- en persoonsnamen, in de tijd toen de naamkunde als wetenschap nog in de kinderschoenen stond. Puttend uit zijn eigen rijke onderzoekservaring, wees Lindemans jongere onderzoekers de weg in methodologische studies als Kleine Leidraad bij de studie der plaatsnamen (1924), Hoe maak ik mijn stamboom op? (1941) en Op zoek naar methode bij de studie van familienamen (1947). Lindemans wees er hierin op dat plaats- en persoonsnamen enkel terdege verklaard konden worden indien men beschikte over oorspronkelijk archivalisch materiaal, en men deze historische attestaties verbond met feiten uit de regionale geschiedenis en met de lokale uitspraak van de namen.

Maar zijn belangrijkste verdienste is de introductie van de cartografische methode in de toponymie, zoals die tot uiting komt in de reeks Toponymische verschijnselen geografisch bewerkt (1940, 1946, 1954). Hij had terecht ingezien dat het niet volstond om een toponiem etymologisch te duiden, maar dat ook de verspreiding van toponymische bestanddelen in ruimte en tijd onderzocht dient te worden, waarbij bovendien rekening moest worden gehouden met de huidige betekenis en uitspraak van de woorden in de volksmond.

Aan de hand van de verspreiding van de -inga- en de heem-namen, de kouter-namen, van verschillende benamingen van het grasland en het bouwland en van de zele- en hove-namen in België en Noord-Frankrijk schetste Lindemans een beeld van de Germaanse kolonisatie van onze gebieden. Zijn theorieën hierover, sterk geïnspireerd door G. Kurths werk over de Germaans-Romaanse taalgrensvorming, worden momenteel niet meer gevolgd, maar de geografische en chronologische stratificatie van de belangrijkste toponymische bestanddelen in België en Noord-Frankrijk is door Lindemans ook cartografisch op definitieve wijze vastgelegd.

 

[Ann Marynissen
september 2006]

Voornaamste geschriften

Toponymie van Opwijk. Nomina Geographica Flandrica, Monographieën I. Brussel, 1930.
Geschiedenis der Gemeente Opwijk. Brussel, 1937-1939.
Brabantse Plaatsnamen: Alsemberg, Anderlecht, Baardegem, Beersel, Beert, Beigem, Bekkerzeel, Drogenbos, Dworp, Bellingen, Bogaarden, Borchtlombeek. Toponymica II, 1-12, 1931-1952.
Toponymische verschijnselen geografisch bewerkt. Deel I: De -heemnamen en -ingeformaties. De kouternamen. Nomina Geographica Flandrica, Studiën V, 1. Brussel 1940. Deel II: De namen van het bouwland en van het grasland. Nomina Geographica Flandrica, Studiën V, 2. Brussel, 1946. Deel III: De -zele en -hovenamen. Nomina Geographica Flandrica, Studiën V, 3. Brussel, 1954.
Bijdragen tot de geschiedenis en de beteekenis van de Vlaamsche persoonsnamen. Eerste Reeks. Turnhout, 1944.
Toponymie van Asse. Nomina Geographica Flandrica. Monographieën V. Brussel, 1952.

Belangrijkste secundaire literatuur

De bibliografie van Dr. Jan Lindemans tot 1951 werd samengesteld door Rob Roemans: ‘Bibliographie van Dr. Jan Lindemans’. In: Album Dr. Jan Lindemans. Brussel, 1951, p. 24-80 en aangevuld tot 1958 door de redactie in Eigen Schoon & De Brabander 41 (1958), p. 323-325. Lindemans' publicaties van na 1958 zijn vermeld in de Jaarboeken van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde.

 

Lindemans kreeg twee maal een feestbundel aangeboden: in 1951 naar aanleiding van het veertigjarig bestaan van het tijdschrift Eigen Schoon & De Brabander en in 1958 naar aanleiding van zijn zeventigste verjaardag:

Album Dr. Jan Lindemans. Brussel, 1951.
Feestnummer Dr. Jan Lindemans, speciaal nummer van Eigen Schoon & De Brabander 41 (1958).
H. Draye: ‘Jan Lindemans (Opwijk, 2 juli 1888 - Laken, 14 september 1963).’ In: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1967 (1967), p. 142-149. Zie ook: http://www.dbnl.org/tekst/_jaa003196701_01/_jaa003196701_01_0030.htm en http://www.maatschappijdernederlandseletterkunde.nl/mnl/levens/66-67/lindemans.htm
L. De Man: ‘In Memoriam Dr. Jan Lindemans.’ In: Eigen Schoon & De Brabander 46 (1963), p. 361-365.
J.L. Pauwels: ‘In Memoriam Dr. Jan Lindemans (1888-1963).’ In: Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Toponymie & Dialectologie 38 (1964), 33-38.
V.F. Vanacker: ‘Herdenking wijlen Dr. Jan Lindemans.’ In: Jaarboek van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde 1965, p. 304-310.

Locatie archief

Lindemans' onuitgegeven gebleven toponymisch materiaal over West-Brabantse gemeenten, dat hij in 1962 afstond aan het Leuvense Instituut voor Naamkunde, wordt bewaard in het archief van dit Instituut. Ook het antroponymisch materiaal dat hij verzameld had met het oog op het schrijven van de geschiedenis van de bijbels-christelijke persoonsnamen, berust in het archief van het Leuvense Instituut.