Maximilianus van Moerdijk O.F.M. Cap. * 12 oktober 1884 Moerdijk; † 28 oktober 1963 Oosterhout, is een schoolvoorbeeld van een kloostergeleerde. Als kapucijn schreef hij veel over Sint-Franciscus en allerlei aspecten van de (Middelnederlandse) geestelijke letterkunde. Daarnaast hadden Joost van den Vondel en het zeventiende-eeuwse toneel, en de dichter Guido Gezelle zijn belangstelling. Zijn publicaties ontstonden vaak uit de praktische onderwijssituatie van het kleinseminarie of de Katholieke Leergangen. Voor velen is hij, zo blijkt uit overgeleverde correspondentie, een vraagbaak geweest op het gebied van de catholica in het algemeen en de Middelnederlandse geestelijke letterkunde in het bijzonder.

Pater Maximilianus van Moerdijk, in de gemeente Moerdijk geboren als Petrus Josephus Maximiliaan van Dun, was de oudste van vijf kinderen. Zijn vader had een boerderij annex café. Piet volgde zijn humaniorastudies, een kloosterlijke gymnasiumopleiding, aan het seminarie van de paters in Langeweg. Bij zijn intrede in 1904 kreeg Piet van Dun zijn kloosternaam Maximilianus. In verschillende kloosters van de orde studeerde hij onder andere filosofie, theologie, moraaltheologie, eloquentia en pastoraal. In 1911 werd hij tot priester gewijd. In 1912 stuurden zijn oversten, c.q. de definitoren met aan het hoofd de provinciaal, hem voor de studie m.o.-Nederlands naar de Katholieke Leergangen in Den Bosch. Daar hebben Dr. H.W.E. Moller, een groot Vondelkenner, en de latere Nijmeegse hoogleraar L.C. Michels, een uiterst kritisch tekstinterpretator van Vondel en Huygens, de basis gelegd van zijn wetenschappelijke vorming. Al vanaf 1912, dus ver voor zijn afstuderen in 1916, gaf Maximilianus Nederlands en Latijn aan het kleinseminarie waar hij zelf gestudeerd had. Vanaf 1919 tot aan zijn dood was hij bovendien redacteur van het tijdschrift van de orde, Franciscaans leven, waarvoor hij ruim 140 artikelen schreef. Als bibliothecaris vormde Maximilianus de magere kloosterbibliotheek om tot een goed geoutilleerde studiebibliotheek. Van 1925 tot 1931 was hij directeur van het hiervoor genoemde kleinseminarie. Tussen 1939 en 1954 vervulde hij tal van bestuursfuncties binnen de orde. Vanaf 1944 tot 1954 volgde hij zijn studenten aan het kleinseminarie door oorlogshandelingen en de nasleep ervan naar allerlei verschillende onderkomens: Tilburg, Voorschoten en Oosterhout. Na een korte periode van opgelegde rust hervatte pater Max, zoals zijn medebroeders hem noemden, in 1955 zijn lessen. Tot de dag van zijn overlijden heeft deze geboren onderwijsman lesgegeven. Maar dat was niet zijn enige kwaliteit. Na de gedegen m.o.-opleiding heeft deze kapucijn zich mede door zelfstudie tot een wetenschapper met gezag ontwikkeld, vooral op het gebied van de geestelijke letterkunde.
Aan het einde van de negentiende en in het begin van de twintigste eeuw werd het onderwijs aan seminaries veelal verzorgd door docenten uit eigen gelederen. Een studieraad hield in de gaten voor welke vakgebieden er vacatures zouden kunnen ontstaan. Zo werd Maximilianus in 1912 naar de Katholieke Leergangen in Den Bosch gestuurd om Nederlands te studeren.
Al in het tweede jaar van zijn opleiding, die hij in oktober 1916 succesvol zou afsluiten, zag een eerste publicatie van zijn hand het licht. Aan de bekende drukken en volledige handschriften van Dboec van den houte voegde pater Maximilianus een fragment van 192 verzen toe, overgeleverd op zes strookjes, afkomstig uit drie bladen die toen in de kloosterbibliotheek van de kapucijnen in Tilburg berustten. Van de tekst gaf hij een kritische editie uit; naar de handschriften en drukken vulde hij hier en daar onleesbare of niet overgeleverde tekst aan. Ook wees hij op verschillen tussen de nieuwe fragmenten en de bekende teksten. Op taalkundige gronden schreef hij de Tilburgse fragmenten toe aan een West-Brabander uit de vijftiende eeuw, die de tekst volgens hem opzettelijk heeft bekort. Hier al werd de werkwijze duidelijk die Maximilianus ook in de toekomst steeds weer zou hanteren, wanneer hij schreef over Elckerlijc, Mariken van Nieumeghen en Jacob van Maerlants Sinte Franciscus Leven, of over Vondels Maeghdepalm en Lucifer. Allereerst nam hij kennis van alles wat er over de tekst in het algemeen geschreven was, welke edities ervan waren; vervolgens verwonderde hij zich over tegenstrijdigheden, halve en foutieve verklaringen van passages en manco's in de kennis van de cultuurhistorische, meestal christelijke of specifiek katholieke, context. Op basis van zijn groot analytisch vermogen, zijn onvoorstelbare belezenheid, zijn gedreven en gerichte speurzin en zijn fenomenaal geheugen was pater Maximilianus in staat doorwrochte en goed gedocumenteerde artikelen te schrijven.
Naast de reguliere lessen verzorgde pater Maximilianus op het kleinseminarie van zijn kloosterorde een groot aantal zogenoemde zondagochtendlezingen. Daarin behandelde hij onder andere Vergilius, Ovidius en Horatius, en met name hun invloed op de Nederlandse cultuur in de zeventiende eeuw. In zijn lessen ‘Algemene Letterkunde’ kwamen Griekse tragedies, Dantes Divina commedia, toneelstukken van Shakespeare en Calderon, en romans en dichtbundels van auteurs uit alle delen van Europa aan de orde. Een aantal malen deden de Katholieke Leergangen een beroep op pater Maximilianus. Zo nam hij binnen een week in december 1919 voor een half jaar de colleges ‘Algemene literatuur’ en ‘Nederlandse literatuur’ over van Dr. Moller, die zich wegens ziekte uit alle bezigheden had moeten terugtrekken.
Ook als correspondent is pater Maximilianus van Moerdijk zeer actief geweest. Met ordebroeders wisselde hij informatie over alledaagse zaken uit. Met particulieren en instanties correspondeerde hij over jubilea, rouwverwerking, huwelijksproblematiek, met studenten over hun studie, over lezingen en (het beoordelen van) teksten. Intensief briefverkeer was er voorts met de uitgevers van zijn bloemlezing Langs de vele wegen. Ook met afzonderlijke wetenschappers onderhield hij kortere of langere tijd briefwisselingen: L.C. Michels, Kurt Ruh (franciscana in verband met Bonaventura deutsch), J. Deschamps (franciscaanse handschriften), O. Dambre (Guido Gezelle), Bonaventura Kruitwagen O.F.M. (praktische zaken in verband met wetenschappelijk bibliothecair leenverkeer) en W.G. Hellinga (editie Sinte Franciscus Leven).
Als recensent werd pater Maximilianus, ook al schuwde hij stevige kritiek niet, enorm gewaardeerd, omdat men altijd veel van hem kon leren. De grondhouding van waaruit hij beoordeelde, komt naar voren aan het slot van een bespreking van het derde deel van W.A.P. Smits Van Pascha tot Noach: ‘Met dezelfde onbevangenheid als waarmee hij zich openstelde voor de opvattingen en verklaringen van anderen heeft hij zijn eigen inzichten voorgedragen. Wij hebben gepoogd in dezelfde geest onze kanttekeningen te maken.’ Van een werk besprak hij allereerst de opzet, de methode en de compositie. Wanneer een onderzoeker problemen signaleerde en zelf geen pasklare oplossingen bood, was dat een kolfje naar zijn hand: met kracht van argumenten droeg hij (andere) oplossingen aan en corrigeerde hij visies, of het nu ging om een voorstelling van Astarte bij Vondel, vroege bijbelcommentaren in gebruikte citaten of de relatie tussen menswording van Jezus en de zondenval in de ogen van Duns Scotus. Tot in het kleinste detail bestudeerde hij boeken en artikelen en voorzag hij ze van zijn kanttekeningen. In zijn eigen publicaties verwerkte hij op zijn beurt weer het commentaar van collega's.
Pater Maximilianus van Moerdijk was in de eerste plaats kapucijn. Als redacteur van Franciscaans leven hield hij veel ordegenoten op de hoogte van wat er aan boeken en artikelen over Franciscus en zijn orde in binnen- en buitenland verscheen. Ook besprak hij recente literatuur die geschikt was voor hun spirituele vorming. Daarnaast maakte hij zich vanaf 1915 tot zijn dood in 1963 als leraar Latijn en Nederlands dienstbaar aan de vorming van jonge kapucijnen en droeg zo zijn steentje bij aan de emancipatie van de katholieken in Nederland. Zijn onderwijs was mede aanleiding voor het schrijven van ruim 210 publicaties in zo'n veertien binnen- en buitenlandse tijdschriften. Als correspondent en recensent was hij vele onderzoekers over de hele wereld van dienst met zijn uitgebreide kennis van zaken op theologisch, literair en (kunst)historisch gebied. Ook heeft hij te eigen bate menig wetenschapper bestookt met vragen, die niet zelden zouden leiden tot artikelen en zelfs boeken (Mariken van Nieumeghen, Franciscus, Stabat Mater, Dies Irae, Joost van den Vondel, Guido Gezelle). Als onderzoeker ging zijn hart uit naar de geestelijke letterkunde van de Middeleeuwen. Zijn belangrijkste wetenschappelijke publicatie is wel de editie van Jacob van Maerlants Sinte Franciscus' Leven (1954) geweest, mede op grond waarvan de Katholieke Universiteit van Nijmegen hem een eredoctoraat heeft verleend.
Marinus K.A. van den Berg
[augustus 2004]
| ‘Dboec van den houte’, in: Tijdschrift voor Taal en Letteren 2 (1914), p. 38-48. |
| ‘De auteur van het berijmde mnl. Franciscus' leven’, in: Ons Geestelijk Erf 21 (1947), p. 304-311. |
| ‘De interpunctie in Maerlant's “Sint Franciscus' leven”’, in: Leuvense Bijdragen 39 (1949), p. 92-113. |
| ‘Maerlant's Sint Franciscus' leven en zijn Latijns origineel’, in: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 66 (1949), p. 81-97. |
| ‘Datering en herkomst van Maerlant's “Sinte Franciscus' Leven”’, in: Leuvense Bijdragen 41 (1951), p. 117-119. |
| ‘Het handschrift van het oudste Nederlandse Leven van Sint Franciscus’, in: Franciscaans leven 35 (1952), p. 13-20, p. 53-60. |
| Sinte Franciscus leven van Jacob van Maerlant. Zwolle, 1954, 2 dln., Zwolse drukken en herdrukken voor de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 7. |
| De middelnederlandse vertalingen van het Stabat Mater. Zwolle 1957. Zwolse drukken en herdrukken 18. |
| P. Julius O.F.M. Cap.: ‘In memoriam P. Maximilianus O.F.M. Cap. (1884-1963)’. In: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1964-1965, Leiden 1965, p. 96-101. |
| Marinus van den Berg: ‘So ic best mach ende naest, salic hem volgen metterhaest. P. Maximilianus van Moerdijk O.F.M. Cap. (1884-1963)’. In: W. van Anrooij (e.a.) (red.): Der vaderen boek. Beoefenaren van de studie der Middelnederlandse letterkunde. Studies voor Frits van Oostrom ter gelegenheid van diens vijftigste verjaardag. Amsterdam 2003, p. 195-207, p. 281-282 en p. 314-315. |
Den Bosch, Archief paters kapucijnen, Nalatenschap Pater Maximilianus O.F.M. Cap.