terug  begin  verderprepost

Meeuwesse, A.C.M.

Meeuwesse, Antonius Catharina Maria * 11 juli 1914 Heer; † 24 juni 1991 Nijmegen, letterkundig die vooral als criticus en als interpretator grote bekendheid verwierf in de jaren vijftig en zestig. Hij publiceerde een groot aantal artikelen over zeer verschillende Nederlandse en Vlaamse dichters en romanciers.

 



illustratie

Karel Meeuwesse werd halverwege het tweede decennium van de twintigste eeuw geboren in Heer bij Maastricht, als oudste zoon in een echt katholiek gezin. Na hem kwamen nog vier zonen. Karel bezocht de eerste vijf klassen van de lagere school van ‘de broeders’ in Maastricht en deed de zesde klas bij ‘de fraters’ aan de Kromme Nieuwegracht te Utrecht. Hij volgde het middelbaar onderwijs aan het Sint-Bonifaciuslyceum te Utrecht en behaalde in 1933 het einddiploma gymnasium A. In datzelfde jaar ging hij Nederlandse taal- en letterkunde studeren te Utrecht, waar prof. dr. C.G.N. de Vooys zijn leermeester was. Zijn doctoraalexamen legde hij op 7 juli 1939 af, met als bijvakken geschiedenis en Oudnoors. Behalve voor Nederlands behaalde hij een lesbevoegdheid voor geschiedenis. Hij huwde op 2 januari 1941 met Henriëtta Petronella Dullemond (1908-1980), die eveneens Nederlands had gestudeerd.

Karel Meeuwesse werd leraar Nederlands aan het Onze-Lieve-Vrouwelyceum te Breda, aan welke school hij verbonden bleef tot 1960. Vanaf 1 oktober 1946 was hij ook docent aan de Katholieke Leergangen te Tilburg, een taak die hij tot 1969 met veel enthousiasme vervuld heeft. Hij promoveerde in 1952 op het proefschrift Jan Luyken als dichter van de Duytse Lier bij prof. dr. W.A.P. Smit te Utrecht. In 1960 volgde zijn benoeming tot hoogleraar in de moderne Nederlandse letterkunde en in de algemene literatuurwetenschap aan de Katholieke Universiteit te Nijmegen.

Ontwikkeling en karakterisering

Direct na de bevrijding van het Zuiden van Nederland komt de loopbaan van Karel Meeuwesse als literair criticus in een stroomversnelling. Op dinsdag 20 maart en 3 april 1945 sprak hij voor Radio-omroep ‘Herrijzend Nederland’ over het Geuzenliedboek dat door Trouw in de oorlog uitgegeven is. Kritische besprekingen van poëzie en proza van Jan Engelman, Maria Viola, Ed. Hoornik, J.C. Bloem en vele anderen, volgden elkaar snel op, onder meer in Roeping en De Nieuwe Eeuw. Kenmerkend voor Meeuwesse is wel zijn argumentatie ‘op grond van de tekst’, iets wat toen nog niet vanzelfsprekend was. P.N. van Eyck, wiens werk de jonge Meeuwesse in een Roeping-artikel besproken had, had veel sympathie voor deze aanpak: ‘Inderdaad is het een eerste poging om mijn werk op, uit, om zichzelf te voelen en te begrijpen, -van uit zijn eigen kern dus, zoveel mogelijk zonder vooropgezette denkbeelden, en door een aandachtig volgen van zijn ontwikkelingsgang. U begrijpt dat het mij reeds daardoor sympathiek is.’

Als wetenschapper bereikt Meeuwesse een belangrijke mijlpaal met zijn proefschrift Jan Luyken als dichter van de Duytse Lier (1952). Men mag van zijn proefschrift nu, vijftig jaar later, denken wat men wil, het blijft een bewonderenswaardige voorbeeld van wat hij zelf in 1952 de psychologisch-esthetische methode noemde. Bij de herdruk ervan in 1977 omschrijft Meeuwesse zijn werkwijze als ‘ergocentrisch’, een term die zeker niet bezijden de waarheid is -hij interpreteert ook hier al vooral op grond van de tekst alleen, maar die eigenlijk niet past bij de uitvoerige beschrijving van de cultuur-historische achtergronden van Luykens Duytse Lier.

Naast deze dissertatie heeft Meeuwesse een groot aantal wetenschappelijke artikelen geschreven in Roeping, Dietsche Warande en Belfort, Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, De nieuwe taalgids en andere bladen. Daaronder is er een aantal die men nu zeker ‘klassiek’ mag noemen, ook al is hun waarde door latere onderzoeksresultaten gereduceerd. Men denke aan zijn artikelen over Nijhoffs Awater en Het uur u, over de dichter Pierre Kemp, over Perks Iris, over Bilderdijk en over Het Wilhelmus.

Meeuwesses productie begon te stagneren toen de Nijmeegse universiteit te maken kreeg met langdurige studentenrevoltes. Een tweede oorzaak van die stagnatie was Meeuwesses steeds groter wordende perfectiedrang. Artikelen die een ander allang gepubliceerd zou hebben, bleven voltooid en wel in zijn portefeuille. Een boek over Leopold, waarvoor hij het materiaal eigenlijk al in het begin van de jaren zestig verzameld had, en het grote werk over Nijhoff, dat hij in opdracht van de Jan Campert-stichting zou maken, voldeden blijkbaar niet aan de hoge eisen die hij zich nu stelde en bleven ongepubliceerd.

Invloed

Vanaf de jaren vijftig tot de jaren zeventig is de invloed van Meeuwesses publicaties aanzienlijk geweest. Zijn werk over Jan Luyken en zijn interpretaties van Nijhoffs werk lokten veel discussie uit en oogsten in brede kring veel lof. Als redacteur van onder meer De Nieuwe Eeuw (1945-1954), Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (1965-1979), Dietsche Warande en Belfort (1968-1991) en Spiegel der Letteren (1968-1991) bepaalde hij mede wat in deze bladen goed genoeg was om opgenomen te worden. Zijn samen met J.C. Brandt Corstius en C.G. de Bruin geschreven middelbare-schoolboeken hebben velen ingewijd in de Nederlandse literatuurgeschiedenis.

Hij heeft zich altijd bijzonder ingezet voor de uitwisseling van cultuur tussen Nederland en Vlaanderen, zowel door zijn publicaties (Gezelle, Paul van Ostaijen, Streuvels, Walschap) als door bestuurlijk werk (met name voor de Taalunie). Op uitnodiging heeft Karel Meeuwesse in België vele malen lezingen en gastcolleges gegeven. Meeuwesse was ridder in de orde van de Nederlandse Leeuw en werd in België benoemd tot commandeur in de Kroonorde van België. Bovendien was hij buitenlands erelid van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde te Gent.

Na 1980 verbleekte zijn ster, onder meer door publicaties van collega-onderzoekers over Jan Luyken en Nijhoff die Meeuwesses analyses van hun werk onhoudbaar maakten. Meeuwesse had er moeite mee dit te zien als de normale gang van zaken in de wetenschap en het ontbrak hem in deze latere fase van zijn leven bovendien aan kracht en creativiteit om zijn opponenten van repliek te dienen. Een blijk van waardering voor zijn bijdrage aan het vak vindt men in de huldebundel met de zeer toepasselijke titel Op grond van de tekst (1983).

 

Maarten Klein
[november 2003]

Voornaamste geschriften

Jan Luyken als dichter van de Duytse Lier. Diss. Utrecht. Groningen, Djakarta: J.B. Wolters, 1952.
Muziek en taal. Over poëzie en poëtiek van Martinus Nijhoff en Paul van Ostaijen. Oratie 19 mei 1961. Amsterdam: J.M. Meulenhoff, 1961.
‘Perks Iris’. In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde LXXXII (1966), p. 37-77.
‘De interpretatie van het literair werk’. In: Annalen van het Thijmgenootschap 57, nr. 1, december 1969, p. 15-27.
Gezelles Albumblaren. Uit de voorgeschiedenis van de bundel Gedichten, Gezangen en Gebeden. Antwerpen-Utrecht: Uitgeverij De Nederlandsche Boekhandel, 1974

Belangrijkste secundaire literatuur

Beknopte bibliografie in Maarten Klein: ‘Antonius Catharina Maria Meeuwesse, Heer 11 juli 1914 - 24 juni 1991’. In: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1991-1992. Leiden: Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1993.
Maarten Klein: Uit de nalatenschap van prof. dr. K. Meeuwesse. Nijmegen: Antiquariaat Verzameld Werk, 1991.
M. Janssens: ‘In memoriam Prof. Karel Meeuwesse, buitenlands erelid’. In: Jaarboek van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (1993), p. 154-155.

Locatie archief

Geen archief bekend

Locatie brievencollecties

Geen brievencollecties bekend

prepostterug  begin  verder