Overdiep, Gerrit Siebe *13 november 1885 Vries (Dr); † Groningen 12 december 1944, taalkundige en literatuurhistoricus.

Zijn vader, hoofdonderwijzer, was Fries, zijn moeder Groningse. In 1890 verhuisde het gezin naar Voorschoten. Zo raakte Gerrit al jong vertrouwd met taalverschillen. Na de hbs in Leiden deed hij staatsexamen gymnasium alfa. In 1905 begon hij zijn studie Nederlands aan de universiteit van Leiden. Zijn leermeesters waren J. Verdam en G. Kalff voor respectievelijk taal- en letterkunde, C.C. Uhlenbeck voor germanistiek en J.S. Speyer voor Sanskriet. Tussendoor haalde hij de akte MO-A Duits. In 1913 studeerde hij af en trouwde hij met Jeanne Sickenga, met wie hij drie zonen zou krijgen. Het paar ging tijdelijk in Leysin (Zwitserland) wonen, wegens Overdieps slechte gezondheidstoestand. Zijn hele leven heeft hij zich wegens zijn gezondheid in acht moeten nemen en met zijn mogelijkheden moeten woekeren. Behalve het bestuurslidmaatschap van de Fryske Akademy, vanaf de oprichting in 1938, heeft hij dan ook geen belangrijke nevenfuncties bekleed.
In 1914 promoveerde Overdiep cum laude bij Verdam op De vormen van het aoristisch praeteritum in de Middelnederlandsche epische poëzie. Deze dissertatie was baanbrekend als aanzet tot de Overdieps zogeheten stilistische methode. Hoewel Overdiep eerder genezen verklaard was, kon het gezin vanwege de Eerste Wereldoorlog pas in 1919 naar Nederland terugkeren. Hij was daarna leraar, onder meer in Apeldoorn. Hij publiceerde in die periode een nieuwe uitgave van de Middelnederlandse ridderroman Ferguut (1924), met een omvangrijke, op stilistische leest geschoeide en op exacte waarnemingen berustende inleiding. Hierin werden bepaalde vormen van taalgebruik stilistisch verklaard als stijlmiddelen in functie van het epische karakter van de tekst. In 1929 werd Overdiep benoemd tot hoogleraar aan de universiteit te Groningen, met als leeropdracht Nederlandse taal- en letterkunde en algemene taalwetenschap.
Overdieps inaugurale rede De stilistische methode in de Nederlandsche taal- en letterkunde (1929) bevat een uiteenzetting van zijn wetenschappelijke opvattingen en een programma. Overdiep zette zich af tegen de historische methode in de taalkunde, die alleen maar oog zou hebben voor geïsoleerde klanken en woorden van de taal als eigenstandig organisme. Steunend op nieuwe inzichten die mede voortkwamen uit de taalpsychologie, de taalsociologie en de fonologie, wilde hij komen tot een analyse en beschrijving van het Nederlands zoals dat reëel gebruikt werd en wordt, met aandacht voor klanken, woorden, zinnen én grotere tekstgehelen. Dan zou men pas echt inzicht verwerven in het functioneren van taal en in taalveranderingen. Van het Nederlands in zijn verschillende historische fasen, tot en met het heden, en in zijn verschillende gebruikerskringen, van dialect tot ‘algemeen beschaafd’, zouden beschrijvingen moeten worden gemaakt. Hieruit zouden standaarden moeten worden afgeleid. Afwijkingen hiervan zouden stilistisch, dat wil zeggen aan de hand van gebruikssituaties, moeten worden geïnterpreteerd. Niet de taal als abstract systeem, maar als gebruikt instrument was het belangrijkste voorwerp van studie. Met deze benadering zouden ook taalkunde en letterkunde - die tot verdriet van Overdiep steeds meer afzonderlijke vakgebieden waren geworden - als één vakgebied behouden kunnen en moeten blijven. De aantredende hoogleraar wekte veel enthousiasme bij zijn leerlingen.
De taak die Overdiep zichzelf en de neerlandistiek in het algemeen stelde, was natuurlijk immens. In het tijdschrift Onze Taaltuin (1932-1942), dat hij met de Nijmeegse hoogleraar J. van Ginneken had opgericht, publiceerde hij verdere pleidooien voor en staaltjes van toepassing van zijn methode. Van Ginneken was in zoverre een geestverwant dat hij zich intens met taalpsychologie en -sociologie had beziggehouden, maar hun samenwerking hield maar vijf jaar stand. De uitgave van Overdieps Zeventiende-eeuwsche Syntaxis (1931-1935) werd door de uitgever vóór voltooiing gestaakt. Zijn belangrijkste werk op grammaticaal gebied was zijn Stilistische Grammatica voor het Moderne Nederlandsch (1937). Postuum zou nog, als deel 1 van een stilistische grammatica van het Middelnederlands, de Vormleer van het Middelnederlandsch der XIIIe eeuw (1946) verschijnen.
Ook als dialectoloog verlegde Overdiep het accent van geïsoleerde klanken en woorden naar het syntactische geheel, waarin als het ware de dialectspreker te horen is. Hij relativeerde het belang van expansietheorieën als die van Kloeke en benadrukte het belang van autonome taalontwikkelingen. Zijn bekendste dialectstudie is De volkstaal van Katwijk aan Zee (1940).
Meer dan voorheen ging Overdiep zich in Groningen ook bezighouden met literatuur. Hij verzorgde nieuwe uitgaven van onder meer De Historie van den vier Heemskinderen (1931) en Het Schilderboek van Carel van Mander (met A.F. Mirande; 1936). In enkele detailstudies, zoals ‘Over Potgieters litteraire vormen’ uit 1935 en ‘Over Vondels dichtkunst’ uit 1937, kwam zijn stilistische methode, met vervlechting van taal- en literaire aspecten, beter tot haar recht dan in literair-historisch overzichtswerk. Overdiep werd door hoofdredacteur Fr. Baur in de redactie van de Geschiedenis van de Letterkunde der Nederlanden gehaald. Voor deel I (1939) schreef hij een inleiding over ‘Middelnederlandsche Taal en Stijl’. Verder redigeerde hij de delen III (1944) en IV (1948), gewijd aan respectievelijk de renaissance- en de barokperiode, en leverde hij hiervoor zelf ook aanzienlijke bijdragen.
In artikelen van Overdiep klinkt niet zelden een polemische toon door ten aanzien van zijn vakgenoten. Met de meesten van hen had hij een ongemakkelijke verhouding. Zij stonden kritisch tegenover de monopolistische theorieën van Overdiep en de resultaten daarvan. Bij de overvloed van materiaal in zijn publicaties vroeg men zich af op welke criteria de keuze daarvan berustte; bij alle waarnemingen miste men een consistente opbouw van het betoog en voldoende generaliserende conclusies. Enkele excellente leerlingen van Overdiep werkten volgens de stilistische methode verder. Dit geldt met name voor zijn opvolger G.A. van Es. Onder diens leiding verschenen ook een aantal dissertaties in dezelfde geest. Doelend op Overdiep en Van Es en hun leerlingen spreekt men van de Groninger school, die echter nadien geen consistent vervolg meer heeft gevonden. Uiteraard heeft ze wel, bij het verdwijnen van de historisch-kritische school van Matthias de Vries, zinvolle nieuwe mogelijkheden geopend om in de neerlandistiek onderzoek aan te pakken. Zelf heeft ze ook concrete en nuttige resultaten behaald, meer in de taalkundige dan in de letterkundige sfeer. In de literatuurgeschiedenis leverde zij nauwelijks nieuwe visies op.
M.C.A. van der Heijden
[23 januari 2006]
| De voornaamste geschriften zijn in de tekst genoemd. G.A. van Es bezorgde een representatieve keuze uit Overdieps werk in Verzamelde opstellen over taal- en letterkunde, 3 delen, Antwerpen, 1947-1948; deel 3 bevat zijn volledige bibliografie. |
| Herdenkingsartikelen: |
| Fr. Baur in: Verslagen en Mededelingen der Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde 1945, Gent, 1945, p. 85-95 |
| J.H. Brouwer in: Jaarboek der Rijksuniversiteit te Groningen 1945, Groningen, 1945, p. 43-47 |
| J. Naarding in: Drente 16 (1946), p. 14-15. |
| G. Stuiveling: ‘Herinneringen aan professor dr. G.S. Overdiep’. In: De Nieuwe Taalgids 39 (1946) p. 18-20 |
| G.A. van Es: ‘Inleiding’. In deel 3 van de Verzamelde Opstellen (zie hierboven), p. V-XVII. |
| M.C.A. van der Heijden: ‘Overdiep, Gerrit Siebe’. In: J. Charité en A.J.C.M. Gabriëls: Biografisch Woordenboek van Nederland, vierde deel. 's-Gravenhage, 1994, p. 374-375. |
Er zijn geen archief en brievencollecties bekend.