Reichling, Anton Joannes Bernardus Nicolaas * 9 juli 1898 Nijmegen; † 25 mei 1986 Amsterdam, eerste hoogleraar Algemene Taalwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam. Reichling werd bekend door zijn omvangrijke en diepgravende dissertatie Het woord. Een studie omtrent de grondslag van taal en taalgebruik (1935). Tijdens zijn hoogleraarschap (1946-1971) profileerde hij zich later vooral door zijn principiële en polemische stellingname tegen de post-Bloomfieldiaanse en de generatieve linguïstiek.

Reichling studeerde eerst korte tijd aan de Handelshogeschool te Rotterdam (nu Erasmus-Universiteit). In 1918 trad hij toe tot de Jezuïetenorde, waarbinnen hij filosofie studeerde te Oudenbosch (1921-1924). Vervolgens studeerde hij vanaf 1925 Nederlands in Utrecht.
Reichling was al vroeg begonnen met publiceren. Zijn vroegste werk betrof literaire en religieuze onderwerpen; naast artikelen verscheen in 1925 het boekje Het Platonisch denken bij Boutens.
De eerste taalkundige publicatie dateert uit 1933. Na het kandidaatsexamen in 1930 was Reichling tijdelijk leraar aan het St. Ignatiuscollege te Amsterdam. Na zijn doctoraalexamen (1932) en zijn promotie te Utrecht op het proefschrift Het woord. Een studie onmtrent de grondslag van taal en taalgebruik (cum laude, bij C.G.N. de Vooys, 1935) hervatte hij zijn theologische opleiding in Maastricht, die hij in 1938 afsloot na in 1937 tot priester te zijn gewijd.
In 1938 werd Reichling privaat-docent in ‘de theorie der taal, inzonderheid hoofdstukken uit de psychologie en de philosophie der taal’ aan de Amsterdamse Gemeente-Universiteit (later Universiteit van Amsterdam). Hij aanvaardde het docentschap met de openbare les Over essentiële en toevallige grammatica-regels (1939). Van 1946 tot 1968 was hij aan deze universiteit hoogleraar Algemene Taalwetenschap (tot 1951 buitengewoon hoogleraar, daarna gewoon hoogleraar). De titel van zijn intreerede luidde Wat is algemene taalwetenschap? (1947). Na zijn aftreden in 1968 vervulde hij tot aan zijn emeritaat in 1971 nog een leeropdracht Taalfilosofie aan de Amsterdamse Centrale Interfaculteit.
Gedurende zijn hele loopbaan als hoogleraar was Reichling gezichtsbepalend binnen de Nederlandse linguïstiek. Buiten Nederland genoot hij enige bekendheid, o.a. doordat hij, samen met A.W. de Groot, in 1948 het nog steeds bestaande tijdschrift Lingua oprichtte, waarvan hij enige tijd redacteur was.
In 1949 trad Reichling uit de Jezuïeten-orde. Hij trouwde met Angèle Zufang en werd vader van drie kinderen.
Na een jarenlang durende ziekte overleed Reichling in 1986.
Reichlings belangstelling voor de taalkunde is altijd gericht geweest op grondslagen-problematiek. Puur taal-descriptief werk heeft hij nooit verricht.
Aanvankelijk streefde hij, net als een aantal tijdgenoten (met name Karl Bühler en in Nederland Marinus Langeveld) een filosofisch-psychologische fundering van taalkundige begrippen na. De dissertatie Het woord is in feite één, per hoofdstuk stapsgewijs opgebouwde, definiëring van het begrip ‘woord’, in termen ontleend aan wat toen de ‘nieuwere psychologie’ heette: de fenomenologisch gekleurde Akt- en Gestalt-psychologie. Tegelijk verdedigde hij, evenals Bühler, met kracht het door De Saussure en andere structuralisten verdedigde principe van de autonomie van de taalkunde ten opzichte van andere wetenschappen.
Naast een precieze definitie van het woord-begrip, beoogde Reichling met Het woord overtuigende argumenten te geven ten gunste van het ‘primaat’ van het woord ten opzichte van de zin. In afwijking van veel tijdgenoten die het zins-primaat verdedigden, beschouwt Reichling het woord als de fundamentele notie, zowel m.b.t. het taalsysteem als m.b.t. het taalgebruik.
Na Het woord heeft Reichling geen omvangrijk werk meer geschreven, Ook het aantal publicaties in artikel-vorm is betrekkelijk beperkt gebleven. Inhoudelijk betreffen zij aanvankelijk vooral een nadere uitwerking of popularisering van de in Het woord verdedigde standpunten, met name t.a.v. de semantiek. In toenemende mate komt het zwaartepunt daarnaast te liggen op het kritisch analyseren van recente taalkundige benaderingen. Reichlings oordeel werd daarbij allengs negatiever. Van oudsher zette hij zijn eigen standpunt scherp en polemisch af tegen dat van anderen, maar globaal kon hij zich verenigen met de basisprincipes van het Europese structuralisme. Het post-Bloomfieldianisme van Harris en vooral Chomsky's generatieve grammatica vonden in zijn ogen echter geen enkele genade, met name vanwege hun a-semantische karakter.
Eén van Reichlings belangrijkste thema's was het onderscheid tussen taalgebruik en taalbeschouwing, waarbij hij, trouw blijvend aan de fenomenologische invalshoek, het taalgebruik zag als het fundament voor taalkundige analyse. Voor zijn denk- en schrijfstijl, die ook in zijn colleges nadrukkelijk naar voren trad, betekende dit een voor een grondslagentheoreticus buitengewoon grote aandacht voor zeer concreet, aan het dagelijkse Nederlandse taalgebruik ontleend voorbeeldmateriaal. Inhoudelijk betekende het dat hij kritisch stond tegenover allerlei zijns inziens slechts in de taalbeschouwing wortelende taalkundige onderscheidingen, met name die van de traditionele grammatica. Op dit punt wordt zijn visie gedeeld door zijn Leidse collega E.M. Uhlenbeck, met wie Reichling langdurig samenwerkte. Uhlenbeck ontwikkelde op basis van deze gedeelde inzichten de zgn. ‘lineaire methode’ van syntactische analyse, waarbij wordt uitgegaan van de verbanden die de hoorder van een zin successievelijk legt tussen de waargenomen woorden.
Reichling was een centrale figuur in de Nederlandse taalkunde van zijn tijd, meer door zijn persoonlijke contacten dan door zijn publicaties. Een aanzienlijk aantal taalkundigen is bij Reichling gepromoveerd, onder meer de latere hoogleraren Siertsema (1954), Cohen (1962), zijn opvolger Dik (1968) en Kooy (1971).
Van invloed in de zin van schoolvorming was geen sprake. Hoewel Het woord Reichling bekendheid gaf en het boek op velen indruk maakte, vond dit type grondslagen-onderzoek nauwelijks navolging. Vrijwel geen taalkundige deelde Reichlings brede filosofische scholing, en ook bood Het woord zelf, door zijn grillig-associatieve spreektalige stijl en zijn polemische uitweidingen, daarvoor te weinig houvast. Daarbij kwam dat de fenomenologische psychologie al snel op zijn retour was.
Wèl invloedrijk waren de definities en begripsmatige onderscheidingen (vooral op semantisch gebied) die Reichling -trouw aan zijn scholastische achtergrond- tijdens zijn loopbaan veelvuldig formuleerde, en die taalkundigen houvast boden, los van hun eventuele filosofische basis.
Reichlings felle anti-Chomkyanisme werkte in de jaren '60 polariserend binnen de Nederlandse, en met name de Amsterdamse taalkunde, waar Chomsky's ster snel rees. Reichlings gebrek aan descriptieve resultaten werkte in deze richtingenstrijd in zijn nadeel.
Sedert de jaren '80 is er een kleine Reichling-revival waarneembaar, met name in de cognitieve linguïstiek.
Els Elffers
[8 oktober 2003]
| Het platonisch denken bij P.C. Boutens: een poging tot verklaring van Boutens' wijsgeerig dichten. Maastricht, Leiter-Nijpels, 1925. |
| ‘Enkele notities bij de syntakties-stilistische methode’. In: De nieuwe taalgids 27 (1933), p. 165-178 en p. 212-222. |
| Het woord. Een studie omtrent de grondslag van taal en taalgebruik. Nijmegen, Berkhout, 1935. |
| ‘Het handelingskarakter van het woord’. In: De nieuwe taalgids 31 (1937), p. 308-321. |
| Over essentiële en toevallige grammaticaregels. Openbare les gegeven op 7 februari 1939. Groningen & Batavia, Wolters, 1939. |
| Wat is Algemene Taalwetenschap? Rede uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van buitengewoon hoogleraar in de algemene taalwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam. Groningen & Batavia, Wolters, 1947. Ook in Verzamelde Studies (1961), p. 7-23. |
| ‘Taal als verkeersmiddel’. In: A.J. Westerman Holstijn e.a.: Menselijke verstandhoudingsmiddelen. Vijf voordrachten t.g.v. het 6e Symposion der Sociëteit voor Culturele Samenwerking te 's Gravenhage. Den Haag, Leopold, 1952, p. 76-85. |
| Verzamelde studies over hedendaagse problemen der taalwetenschap. Zwolle, Tjeenk Willink, 1961. |
| Das Problem der Bedeutung in der Sprachwissenschaft. Innsbruck, Sprachwissenschaftliches Institut der Leopold-Franzens-Universität, 1963. |
| (met Eugenius Uhlenbeck): ‘Fundamentals of syntax’. In: Proceedings of the 9th International Congress of Linguists, Cambridge Mass., August 27-31, 1962. Ed. by H.G. Lunt. 's Gravenhage: Mouton, p. 166-175. |
| Dik, Simon C.: ‘Anton Joannes Bernardus Nicolaas Reichling 9 juli 1898 - 25 mei 1986’. In: Jaarboek 1987 Koninklijke Neerlandse Akademie van Wetenschappen. Amsterdam etc., Noord-Hollandse Uitgevers Maatschappij, 1987, p. 95-103. |
| Uhlenbeck, Eugenius M.: ‘Anton Reichling, Nijmegen 9 juli 1898 - Amsterdam 7 juli 1986’. In: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse letterkunde te Leiden 1986-1987. Leiden, Maatschappij der Nederlandse letterkunde, 1988, p. 110-120. |
| Voortgang, jaarboek voor de Neerlandistiek 14 (1994). Hierin opgenomen: bijdragen van Pierre Swiggers, Frank Vonk, Els Elffers, Saskia Daalder en Jan Noordegraaf aan het Reichling-symposium, gehouden te Amsterdam op 27 mei 1994. Amsterdam, Stichting Neerlandistiek VU; Münster, Nodus, 1994, p. 199-302. |
| Elffers, E.: ‘Biografie en vakgeschiedenis: Anton Reichling (1989-1986)’. In: Voortgang, jaarboek voor de Neerlandistiek 18 (1999). Amsterdam, Stichting Neerlandistiek VU; Münster, Nodus, 1999, p. 129-149. |
| Elffers, E.: ‘Reichling and De Groot: Two Dutch reactions to Bühler's Organon-modell’. In: Historiographia Linguistica XXXII (2005), p. 87-116 |
| Elffers, E.: ‘Anton Reichling (1898-1986). Between phenomenology and structuralism’. In: Bulletin Henry Sweet society 45 (2005), p. 11-42 |
Geen Reichling-archief bekend.
Geen brievencollectie bekend.