terug  begin  verderprepost

Roorda, T.

Roorda, Taco, * Britsum (Friesland) 19 juli 1801; † Leiden, 5 mei 1874, theoloog en taalkundige, grondlegger van de studie van het Javaans in Nederland.



illustratie

Roorda studeerde theologie te Groningen (1818-1823) en oosterse talen te Leiden (1823-1824). Hij promoveerde in de theologie (Groningen 11 okt. 1824). Op 7 febr. 1825 verdedigde Roorda in Leiden een tweede dissertatie over een semitische tekst (Leiden 7 febr. 1825), waardoor hij zich tevens doctor in de letteren mocht noemen. Korte tijd was hij predikant (Lutjegast 1825, Burgwerd 1827) waarna hij in 1827 buitengewoon hoogleraar werd aan het Athaeneum Illustre in Amsterdam (Oosterse talen, Hebr. oudheden en O.T.), vanaf 1827 gewoon hoogleraar in de wijsbegeerte. Daarna werd Roorda hoogleraar in het Javaans aan de Rijksopleiding voor Ingenieurs en ambtenaren te Delft, met name in de Taal-, land- en volkenkunde voor Nederlandsch-Indië (1842). In 1864 verhuisde deze opleiding naar Leiden, waar de Rijksinstelling voor onderwijs in de Indische taal-, land- en volkenkunde zich verbond met de universiteit. Roorda werkte hier als hoogleraar in het Javaans tot zijn dood in 1874. Roorda wordt beschouwd als de grondlegger van de studie van het Javaans in Nederland en als de theoreticus van de logische analyse, zoals destijds de taalkundige beschouwing van de zin werd genoemd.

Ontwikkeling en karakterisering

Uit zijn loopbaan als predikant, zijn wetenschappelijke geschriften en zijn brieven blijkt dat Roorda meer belangstelling heeft voor de filosofie en de taalkunde dan voor de theologie en het predikambt. Als jong predikant studeerde hij behalve Arabisch ook Maleis. In zijn tweede gemeente, Burgwerd, kondigde hij reeds na twee maanden aan te vertrekken naar Amsterdam voor een hoogleraarschap.

In Amsterdam schreef Roorda voor zijn onderwijs een Hebreeuwse grammatica (1831-1833), gevolgd door een Arabische grammatica (1835). In 1834 werd Roorda's leeropdracht uitgebreid met de bespiegelende wijsbegeerte. Als uitwerking van zijn inaugurele voordracht publiceerde hij Ontwikkeling van het begrip der philosophie, waaruit blijkt dat hij zich liet inspireren door de jonge I.H. Fichte (1796-1879).

Aanvankelijk ontwikkelde Roorda zich tot een filosoof met een sterke belangstelling voor de metafysica - hierover publiceerde hij in De Gids. In Zielkunde, een uitwerking van zijn Amsterdamse colleges, ziet hij de psychologie als ‘wetenschap van het menselijk gevoel als fundament van de menselijke natuur’. Zoals gebruikelijk in zijn tijd ziet Roorda de rede als het van God gegeven licht. Deze rede verbindt hij met het menselijk taalvermogen: het zinnelijk denken is duister, het redelijk denken brengt via de taal het duistere aan het licht.

Tijdens zijn hoogleraarschap te Amsterdam maakte hij deel uit van het plaatselijke bestuur van het Nederlands Bijbel Genootschap. Met name de contacten met Java ten behoeve van een bijbelvertaling hadden zijn aandacht. Gaandeweg leerde hij zichzelf Javaans. Zonder dat Roorda ooit in Nederlandsch-Indië geweest was, ontwikkelde hij zich bestuurlijk en taalwetenschappelijk tot een autoriteit op het gebied van de studie van de talen van Indië.

Tijdens het werken aan zijn grammatica van het Javaans publiceerde Roorda Over de deelen der rede (1852, 1855, 1864), waarin hij aan de hand van het Nederlands zijn algemeen-taalkundige opvattingen uiteenzet. In tegenstelling tot de in zijn tijd moderne historisch-vergelijkende taalwetenschap kiest Roorda voor een filosofische, ahistorische benadering, de logische analyse.

Invloed

Roorda's invloed als theoloog en filosoof is bescheiden, zijn betekenis als taalkundige, met name als grondlegger voor de studie van het Javaans is zeer groot geweest. Zijn pionierswerk resulteerde immers in tekstuitgaven, een grammatica en in een woordenboek. Zonder twijfel vormden zijn eigenaardige benadering en zijn al te originele terminologie, die afweek van de taalkundige traditie, een rem op zijn invloed, ondanks de status van Roorda als geleerde.

Voor de Nederlandse taalkunde en de algemene grammatica, zoals men de linguïstische benadering die door Roorda werd gepropageerd noemde, is zijn betekenis zeer groot en breed. Hij was in Nederland de eerste die een duidelijk onderscheid maakte tussen een historische en een niet-historische taalbeschouwing maakte. Voor de discussie over het verschil tussen de schrijf- en de spreektaal en de spelling waren zijn opvattingen opzienbarend en baanbrekend.

Roorda's ahistorische opvattingen over de Nederlandse schrijf- en spreektaal werden dan ook bestreden door M. de Vries, zijn beoefening van het Javaans door H. Neubronner van der Tuuk, zijn logische analyse door L.A. te Winkel. Hoewel feitelijke kritiek op zijn plaats was en Roorda denken en taal, logica en taalkunde niet altijd onderscheidt, hadden zijn critici (met uitzondering van Te Winkel) weinig oog voor zijn modern-rationele benadering: de mens heeft een redelijk vermogen dat in de taal zichtbaar wordt. Daarom moeten er in de taal algemene categorieën zijn. Voor Roorda waren dat logisch-semantische categorieën, die hij zag als universeel. Overigens heeft de logische analyse grote invloed gehad op de traditionele zinsontleding in het onderwijs.

Begonnen als traditioneel orthodox theoloog in Groningen, blijkt hij na zich langdurig en intensief met taalwetenschappelijk onderzoek te hebben beziggehouden, een echte aanhanger van de moderne theologie.

Toen Roorda, een ‘stugge, stijfzinnige, magere en hoekige, maar in de grond beminnelijke man’ (aldus P.J. Veth) overleed, lag een vernieuwd en uitgebreid Javaans-Nederlands woordenboek voor de druk gereed

 

Lo van Driel
[2006]

Voornaamste geschriften

Vrijwel alle geschriften van Roorda zijn opgesomd in het lemma over Roorda in het Biographisch woordenboek van protestantsche godgeleerden in Nederland, dl. 6 (Kampen 2001), Uhlenbeck 1964 en Van Driel 1988. Hieronder volgt een selectie.

Ontwikkeling van het begrip der philosophie. Leeuwarden, 1835.
‘Over den tegenwoordigen toestand der philosophie in Nederland’. In: Godgeleerde bijdragen 17/5 (1844), p. 719-764.
Zielkunde, of beschouwing van den mensch als bezield wezen. Leeuwarden, 1849.
Over de deelen der rede en de rede-ontleding, of logische analyse der taal, tot grondslag voor wetenschappelijke taalstudie. Leeuwarden, 1852, 1855, 1864.
‘Verdediging der miskende Metaphysica’. In: De Gids 16/1 (1852), p. 137-148.
Javaansche grammatica, dl. I. Amsterdam, 1855.
‘Over het onderscheid tusschen spreektaal en schrijftaal, inzonderheid in onze moedertaal’. In: Verslagen en Mededelingen van de Koninklijke Akademie Wetenschappen, afdeling Letterkunde. I, p. 93-118. Amsterdam, 1856.
‘Bijlage tot beantwoording van de Heeren De Vries en Brill, op hun beoordeling van zijn tweede verhandeling: over het onderscheid tusschen schrijftaal en spreektaal, inzonderheid in onze moedertaal’. In: Verslagen en Mededelingen van de Koninklijke Akademie Wetenschappen, afdeling Letterkunde. III, p. 150-180. Amsterdam, 1858.
Verhandeling over het onderscheid en de behoorlijke overeenstemming tusschen spreektaal en schrijftaal inzonderheid in onze moedertaal; na de verhandelingen over dit onderwerp in de Koninklijke Akademie van Wetenschappen uitgegeven. Leeuwarden, 1858.
Handleiding tot het onderwijs in de zinsontleding bij het lager onderwijs. Leeuwarden, 1858.
‘De vrijheid van den mensch in de bepaling van zijn wil, en de strijd tusschen determinisme en indeterminisme’. In: De Gids 23/2 (1859), p. 1-46.
‘De Nederlandse spelling’. In: De Gids 26/3 (1862), p. 38-80.

Belangrijkste secundaire literatuur

E.M. Uhlenbeck: A critical Survey of Studies on the Languages of Java and Madura. 's-Gravenhage, 1964.
L.F. van Driel: De zin van de vorm. Roorda's logische analyse en de algemene grammatica. Amsterdam, 1988.
C. Fasseur: De indologen. Ambtenaren voor de Oost 1825-1950. Amsterdam, 1993.
NNBW, II, p. 1230.
Enc. v. Ned. Indië, III, p. 460-461.

Locatie archief en brievencollecties

Er is geen archief bekend, enkele brieven zijn te vinden in de literatuur en via de CEN

prepostterug  begin  verder