Stevin, Simon * 1548 Brugge; † 1620, veelzijdig wiskundige en ingenieur met grote belangstelling voor het Nederlands; heeft met zijn Nederlandstalige wiskundige terminologie blijvend invloed gehad op de Nederlandse woordenschat.

Over de eerste dertig jaar van Stevins leven is weinig bekend. Hij werd in 1548 in Brugge geboren als buitenechtelijk kind van Kathelijne van der Poort, afkomstig uit een gegoede familie, en Anthuenis Stevin. Toen hij 28 jaar was, had hij een functie bij de financiële administratie van het Vrije van Brugge. Ook moet hij enige tijd werkzaam zijn geweest als boekhouder en kassier in Antwerpen. In 1581 staat hij in het bevolkingsregister van Leiden ingeschreven als woonachtig bij Nicolaas Stochius, rector van de Latijnse school. Hij had al enkele werken gepubliceerd (onder andere over boekhouden en interesttabellen), toen hij zich op 16 februari 1583 als student aan de Leidse universiteit liet inschrijven, twee maanden voordat prins Maurits dat eveneens deed. Stevin publiceerde werken op het gebied van de logica, meetkunde, rekenkunde, mechanica, hydrodynamica, vestingbouw en koppelde zijn wetenschappelijk onderzoek aan de praktijk (drainagewerken, molen- en sluizenbouw, vestingwerken en de bekende zeilwagen). Omstreeks 1593 trad Stevin in dienst bij prins Maurits en vervulde hij tegelijkertijd de functie van ‘ingenieur’ bij de Staten Generaal. Op 10 januari 1600 werd door prins Maurits op initiatief van Simon Stevin een ingenieursopleiding opgericht, die gelieerd was aan de Leidse universiteit. Dat gebeurde met de uitdrukkelijke vermelding dat het onderwijs in het Nederlands zou plaatsvinden. Stevin was gehuwd met Katharina Craiy en had vier kinderen: Frederik (1612), Hendrick (1613), Susanne (1615) en Levina (?). Stevin overleed in 1620.
Stevins studie van de exacte vakken ging samen met grote belangstelling voor zijn moedertaal, het Nederlands. Hij hanteert het Nederlands als wetenschapstaal (in plaats van het Latijn) en schrijft in zijn taalbeschouwingen aan het Nederlands verscheidene voortreffelijke eigenschappen toe. Zo wijst Stevin in zijn ‘Uytspraeck van de weerdigheyt der duytsche tael’ uit 1586 niet alleen op de hoge ouderdom van het Nederlands, maar ook op vier andere kenmerken. Dat zijn de aanwezigheid van een groot aantal éénlettergrepige woorden, het bijzonder vermogen om samenstellingen en afleidingen te vormen, de geschiktheid als taal van de wetenschap en de ‘beweeglijkheid’ van het Nederlands, dat wil zeggen het vermogen om te overtuigen en te ontroeren. De laatste twee kenmerken zijn functioneel, de eerste twee betreffen de taalstructuur.
Met die positieve houding ten opzichte van de moedertaal sluit Stevin aan bij ontwikkelingen in zijn tijd. Ook zijn de meeste kenmerken die hij noemt niet nieuw (zo was de veronderstelde ouderdom van het Nederlands een bekend geluid in de humanistische traditie), maar hij geeft er een eigen invulling en uitwerking aan. Dat geldt zeker voor de éénlettergrepigheid of monosyllabiciteit, die eerder in de Twe-spraack en bij Becanus is te vinden. Becanus wilde ermee aantonen dat het Nederlands de oudste en volmaakste taal is. De Twe-spraack hanteerde monosyllabiciteit als criterium om de oorspronkelijke echt Nederlandse woordenschat te bepalen: in gevallen als faam - fama, lyn - linea, kroon - corona, form - forma, wyn - vinum, wal - vallum zouden de Nederlandse woorden de oorspronkelijke zijn en niet de Latijnse. Stevin was het daarmee eens: hij nam aan dat de Romeinen woorden als caes, beest, put, muer, recht, cael, graen, heer, hadden verlengd tot caseus, bestia, puteus, murus, rectus, calvus, granum, herus.
Stevin maakte monosyllabiciteit tot één van de kernpunten van zijn taalbeschouwing en deed er iets nieuws mee: hij verzamelde statistisch materiaal om te bewijzen dat het Nederlands de eigenschap kortheid in hoge mate bezat. Hij stelde twee lijsten van Nederlandse monosyllabische woorden op. De eerste bevatte 742 werkwoorden zoals Ic acht, blijf, denck, eer, eet, gheef, hoor, koop, lieg, neem, spreeck, tel, vrees die staan tegenover 5 Latijnse werkwoorden en geen enkel werkwoord in het Grieks. De tweede lijst monosyllabische woorden (zelfstandige naamwoorden, adjectieven, voorzetsels etcetera) bevatte 1428 Nederlandse voorbeelden zoals al, ampt, bed, bloot, bril, croon, dach, daet, de, duyf, ghi etcetera, tegenover 158 Latijnse en 220 Griekse voorbeelden.
Monosyllabiciteit deed zich in Stevins tijd niet in alle dialecten voor: in het zuiden kwamen de varianten met -e voor en in Holland de varianten zonder -e. Stevin, hoewel geboren en getogen in het zuiden, heeft in zijn lijsten van monosyllabische woorden consequent de Hollandse varianten gekozen. Bovendien beschouwt hij het dialect van Noord-Holland als het beste Nederlands, omdat in dat dialect de monosyllabische woorden vaar, moer, broer, zus worden aangetroffen, die corresponderen met de bisyllabische woorden vader, moeder, broeder, suster in de overige dialecten.
De talrijke Nederlandse monosyllabische woorden konden, aldus Stevin, heel gemakkelijk samenstellingen vormen en zo was het Nederlands zeer geschikt om de werkelijkheid weer te geven. Afzonderlijke, enkelvoudige zaken dienden immers te corresponderen met monosyllabische woorden en complexe zaken met samenstellingen. Anders gezegd: eenvoud en complexheid in de natuur zouden corresponderen met eenvoud en complexheid in de taal. Het Nederlands heeft ook een zodanige woordvormingssystematiek dat nieuwe samenstellingen gemakkelijk zijn te begrijpen, zo betoogt Stevin. Het eerste element is namelijk de bepaling, het tweede de kern, wat geïllustreerd kan worden met voorbeelden als putwater - waterput en jachthondt en hondjacht.
Stevin meende dat het Nederlands bij uitstek geschikt was als taal van de wetenschap en hij heeft die overtuiging zelf in de praktijk gebracht: op een enkel vroeg werk na zijn al zijn wetenschappelijke geschriften in het Nederlands gesteld. Het gebruik van het Nederlands op de verschillende terreinen van de wetenschap plaatste wetenschappers voor het probleem van de vaktermen. Op het gebied van de wiskunde vonden veel door Simon Stevin gehanteerde Nederlandse termen navolging. Deels waren dat termen die al eerder in gebruik waren zoals deelen (dividere), wortel (radix), aftrecken (subtrahere), drijhoeck (triangulus), deels nieuwvormingen van Stevin zelf. Mogelijke nieuwvormingen van Stevin zelf zijn: scherphouck (acutus angulus), schoensche sijde (hypotenusa), omtreck (peripheria), veelhouck (polygonum), everedenheyt (proportio), stelling (propositio), snijlijn (secans linea), raaklijn (tangens linea), meetconst (geometria), gront (basis), scheefrondt (ellipsis), wassende sne (hyperbole), brantsne (parabola), evewijdich vierhouck (parallelogramum), naelde (pyramide), houckmaet (sinus), raecklijn (tangens), seul (cylinder). De wiskundige terminologie werd door tijdgenoten geaccepteerd en in woordenboeken opgenomen. Er zijn vaktermen die uiteindelijk niet geaccepteerd zijn zoals naelde, seul en vergaren. Veel termen komen echter tot op de dag van vandaag in het Nederlands voor: middellijn, vlak, driehoek, kegel, vierkant, rechthoekig, omtrek, aftrekken, delen, wortel, meetkunde.
Stevins ideeën over taal hebben invloed gehad op tijdgenoten en latere generaties, vooral in Nederland, maar ook daarbuiten. Tot de Nederlandse voorbeelden van personen die vertrouwd waren met zijn denkbeelden, behoren onder meer de Zeeuwse literator en staatsman Johan de Brune de Oude, dominee Petrus Montanus, auteur van een opmerkelijke klankleer, de rechtsgeleerde Hugo de Groot en de grammaticus en wiskundige Christiaen van Heule. De Duitse grammaticus Schottelius nam Stevins ideeën over in zijn magnum opus Ausführliche Arbeit von der Teutschen Haubtsprache van 1663. Ook buiten de kring van literatoren en grammatici zijn de opvattingen van Stevin bekend geweest. In de Euclides-vertaling van een zekere Jacob Willemsz. Verroten, getiteld Euclides Zes eerste boekken, Van de beginselen der Wiskonsten (1633, Hamburg) bevindt zich een bijlage waarvan het grootste deel wordt gevormd door een hoofdstuk over de Nederlandse taal. Deze tekst kan als een treffend voorbeeld van Stevinreceptie worden beschouwd.
Marijke van der Wal
[juni 2003]
| Dialectike ofte Bewysconst. Rotterdam: Jan van Waesberge de Jonge 1621 (1e druk 1585, Leiden: Plantijn). |
| ‘Uytspraek van de Weerdigheyt der Duytsche Tael’. In De Beghinselen der Weeghconst, Leiden 1586. In facsimile afgedrukt in The Principal Works of Simon Stevin, dl. I, 's-Gravenhage 1955: 58-93. |
| Wisconstige Gedachtenissen, Leiden: Jan Bouwensz. 1608. |
| The Principal Works of Simon Stevin. Ed. Ernst Crone e.a., 5 vols, 's-Gravenhage: Swets & Zeitlinger, 1955-1966. Ook te vinden op: |
| tudelft.nl/ned/bronnengids/tresor/gedigialiseerd_bezit/principal_works_van_simon_stev/principal_works_van_simon_stev_.html |
| B.C. Damsteegt: ‘Simon Stevin: Taalspiegeling en taaldaad’. In: Tussen intuïtie en weten. Zes grote denkers op het raakvlak tussen exacte en geesteswetenschappen. Muiderberg, Coutinho, 1982, p. 27-46. |
| M. de Reu, G. vanden Berghe & G. van Hooydonk: Simon Stevin 1548-1620. Gent, Universiteitsbibliotheek, 1998. |
| M.J. van der Wal: ‘Verrotens taalbeschouwing: een onbekend voorbeeld van Stevinreceptie’. In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 104 (1993), p. 328-347. |
| M.J. van der Wal: De moedertaal centraal. Standaardisatie-aspecten in de Nederlanden omstreeks 1650. Reeks Nederlandse cultuur in Europese context. Den Haag, SDU, 1995. |
| Jozef T. Devreese & Guido Vanden Berghe: ‘Wonder en is gheen wonder’. De geniale wereld van Simon Stevin 1548 - 1620. Leuven, Davidsfonds, 2003. |
Geen archief bekend.
Geen brieven bekend.