terug  begin  verderprepost

Strengholt, L.

Strengholt, Leendert * 31 december 1930 Dordrecht; † 26 november 1989 Apeldoorn, literatuurhistoricus en filoloog. Publiceerde voornamelijk over Nederlandse letterkunde van de renaissance; Huygens-specialist; editeur van een aantal tekstedities.

 



illustratie

Strengholt, afkomstig uit een orthodox-gereformeerd milieu, behaalde in 1948 zijn hbs-diploma. Na een korte periode op een kantoor werd hij leerling-journalist bij een lokale krant in Dordrecht en studeerde daarnaast voor de akte Nederlands MO A, die hij in 1950 behaalde. Onmiddellijk na het vervullen van zijn militaire dienst werd hij, in 1953, leraar Nederlands aan de chr. MMS te Rotterdam. Tot 1968 zou hij aan deze school verbonden blijven, de laatste vijf jaar als onderdirecteur. Nadat Strengholt in 1955 ook de akte Nederlands MO B had behaald, begon hij te publiceren. Nog in datzelfde jaar verscheen zijn eerste artikel, ‘Van der Noot-notities’, in De nieuwe taalgids. Het werd het begin van een onafgebroken stroom publicaties.

In 1968 kreeg hij het verzoek om toe te treden tot de wetenschappelijke staf van de Subfaculteit Nederlands van de Vrije Universiteit te Amsterdam. Hoewel Strengholt de vereiste academische diploma's niet bezat, werd hij toch aangesteld als wetenschappelijk hoofdmedewerker, zij het onder de belofte de nodige examens zo snel mogelijk af te leggen. Hij deed het doctoraal examen Nederlandse taal-en letterkunde in 1971.

Begin 1976 werd hij benoemd tot lector. Nadat hij in december van dat jaar was gepromoveerd op het proefschrift Huygens-studies: bijdragen tot het onderzoek van de poëzie van Constantijn Huygens, volgde per 1 januari 1977 zijn benoeming tot hoogleraar Oudere Nederlandse Letterkunde tot 1770 aan de Vrije Universiteit. In december van dat jaar aanvaardde hij zijn ambt met de oratie Dromen is denken: Constantijn Huygens over dromen en denken en dichten.

Strengholt trad in 1959 in het huwelijk met Ada van Keulen. Uit dit huwelijk werden vier kinderen geboren, twee dochters en twee zoons. Naast zijn functies als leraar, wetenschappelijk hoofdmedewerker en hoogleraar bekleedde hij tal van functies op kerkelijk en maatschappelijk gebied.

Ontwikkeling en karakterisering

Een overzicht van Strengholts geschriften laat zien dat hij zich vanaf zijn eerste wetenschappelijke publicaties sterk heeft gericht op het genre lyriek, in het bijzonder op poëzie van dichters van protestantsen huize. Zijn eerste artikelen zijn sterk filologisch gericht, maar vanaf het moment dat hij zich begon te verdiepen in de poëzie van Jacobus Revius, plaatste hij diens werk in een breder literairhistorisch kader. Uit al zijn publicaties treedt hij naar voren als een scherpzinnig lezer met een groot gevoel voor de fijne nuances van de poëzie, als een geleerde met een uitzonderlijk geheugen voor teksten en als iemand die zich bij voorkeur richtte op interpretatie-problemen.

Al vrij snel na zijn eerste publicaties werd Strengholt door de Utrechtse hoogleraar dr. W.A.P. Smit benaderd met het verzoek om voor de reeks Klassieken uit de Nederlandse Letterkunde een teksteditie voor te bereiden van Rotgans' treurspel Eneas en Turnus. Deze editie verscheen in 1959 en werd gevolgd door tekstuitgaven van Vondels Joseph in Dothan (1962) en Adonias (1963) en van Rotgans' Scilla (1966) in dezelfde reeks klassieken.

Op de Vrije Universiteit richtte hij zich vanaf het begin diepgaand op de bestudering van het werk van Constantijn Huygens. De confrontatie met deze poëzie en de kennismaking met hulpwetenschappen als manuscriptologie en analytische bibliografie resulteerden in 1974 in een model-uitgave van Huygens bundel Heilighe Daghen uit 1645. Met deze editie demonstreerde Strengholt dat hij zich alle facetten van het vak eigen had gemaakt. Twee jaar later bundelde hij zijn artikelen over de poëzie van Revius onder de titel Bloemen in Gethsemané en vulde deze aan met een nieuwe, fijnzinnige studie, onder dezelfde titel, over Revius' gedicht ‘Bloedige Sweet’. Uit deze bundel blijkt zijn congenialiteit met de poëzie van Revius. Met zijn dissertatie Huygens-studies liet hij zien dat hij zich had ontwikkeld tot een Huygens-specialist.

In de dertien jaren van zijn hoogleraarschap aan de Vrije Universiteit kwam Strengholt tot volledige ontplooiing als literatuurhistoricus, al was de filoloog nooit ver uit de buurt. De publicaties volgden elkaar op in hoog tempo, waarbij zeker tot het jaar 1987 de volle nadruk lag op het werk van Huygens dat hij, in het spoor van zijn proefschrift en oratie, op allerlei manieren verkende en interpreteerde. Uitgangspunt daarbij was altijd weer: terugkeer naar de bronnen, Huygens' handschriften. Als geen ander wist hij hun geheimen te ontraadselen. Dat blijkt niet alleen uit artikelen en studies, maar ook uit zijn tekstedities van werk van de dichter. Ook richtte hij zich veelvuldig op het werk van figuren uit de kringen rond Huygens. Strengholts werk heeft er in sterke mate toe bijgedragen dat aan het eind van de twintigste eeuw de persoon van Constantijn Huygens, zijn werk, zijn omgeving en zijn uitstraling scherp zijn gemarkeerd.

Strengholts Huygens-studie vond haar hoogtepunt, en min of meer ook wel haar eindpunt in zijn betrokkenheid bij de Huygens-herdenking in 1987. In de openingslezing van het congres dat de Werkgroep Zeventiende Eeuw wijdde aan de herdenking van Huygens' driehonderdste sterfdag formuleerde hij een aantal desiderata en wees hij op lacunes in het onderzoek. Ook bepleitte hij een meer interdisciplinaire aanpak van het Huygens-onderzoek met als doel uiteindelijk tot een totaalbeeld te komen dat alle materiaal biedt voor de toekomstige biografie van de dichter.

De sterke concentratie op Huygens belette hem niet zich ook bezig te houden met het werk van andere zeventiende-eeuwse dichters als Hooft, Vondel, Bredero, Cats, de zusjes Anna Roemers en Maria Tesselschade Visscher en anderen. Dit alles resulteerde in nieuwe interpretaties, nauwkeuriger dateringen, retouches aan leven en werk van dichters, meer inzicht in hun poëticale opvattingen, introductie van onbekende dichters, etc.

In Strengholts oeuvre valt een aantal constanten op:

- Sterke concentratie op het werk van dichters van protestantse, resp. orthodox-calvinistische signatuur.

- Een groot deel van het werk bestaat uit correcties van het werk van voorgangers. Zijn kritisch vermogen en zijn gevoel voor interpretatie werkten dat in de hand. Diezelfde kwaliteiten verklaren ook zijn wantrouwen in literaire mythes. Bij het minste wantrouwen zette hij alle gegevens opnieuw op een rij en trok hij zijn eigen conclusies, die afweken van bestaande opvattingen.

- Al zijn werk vertoont een didactische opzet: zijn studies en artikelen zijn glashelder en zonder jargon geschreven. Zijn werk demonstreert alle stadia van literairhistorisch onderzoek.

- Veel van zijn werk bevat een impliciet pleidooi voor de waarde van de zeventiende-eeuwse letterkunde en cultuur en is er op gericht die onder de aandacht van een breed publiek te brengen.

Als beoefenaar van de literatuurwetenschap baseerde hij zich, als gelovig christen, bewust op bijbelse normen. Vanuit die invalshoek wees hij in bepaalde opzichten de receptietheorie af, omdat die niet de dichter of zijn werk centraal stelt, maar de lezer en daarmee, in Strengholts ogen, subjectief is. Als literatuurhistoricus zocht hij de ‘waarheid’, ook in de tekstinterpretatie. Die dient gericht te zijn op de betekenis van de tekst in zijn cultuurhistorische context met inachtneming van de bedoelingen van de auteur.

Invloed

Strengholts betekenis ligt vooral in zijn aandeel aan de continuïteit en vernieuwing van het Huygens-onderzoek aan de Vrije Universiteit. Ook heeft hij heldere lijnen uitgezet voor voortgezet onderzoek. Het meest direct valt zijn invloed te bespeuren in de proefschriften van zijn drie Huygens-promovendi, die hij geen van allen tot het eind heeft kunnen begeleiden: A. van Strien, Constantijn Huygens Mengelingh (1990), T.L. ter Meer, Snel en dicht. Een studie over de epigrammen van Constantijn Huygens (1991) en A.M.Th. Leerintveld, Leven in mijn dicht. Historisch-kritische uitgave van Constantijn Huygens' Nederlandse gedichten (1614-1625) (1997). Naast anderen zijn het vooral deze geleerden die de fakkel van het Huygens-onderzoek hebben overgenomen en voortgezet.

 

H. Duits
[november 2003]

Voornaamste geschriften

Constantijn Huygens, Heilighe daghen. Ingeleid en toegelicht door L. Strengholt. Amsterdam, 1974.
Bloemen in Gethsemané: verzamelde studies over de dichter Revius. Amsterdam, 1976.
Huygens-studies: bijdragen tot het onderzoek van de poëzie van Constantijn Huygens. Amsterdam, 1976. Ook verschenen als proefschrift Amsterdam V.U.
‘Lezend in Hoofts briefwisseling’. In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 94 (1978), p. 211-235; 95 (1979), p. 167-176; 96 (1980), p. 289-298.
Jacobus Revius, Het Hoghe Liedt Salomoms. Met inleiding en toelichting door L. Strengholt. Houten, 1986. Christelijk erfgoed 1.
Een lezer aan het woord. Studies van L. Strengholt over zeventiende-eeuwse Nederlandse letterkunde. Onder redactie van H. Duits, A.M.Th. Leerintveld, T.L. ter Meer en A. van Strien. Amsterdam etc., 1998.

Belangrijkste secundaire literatuur

Een complete bibliografie van Strengholts wetenschappelijk werk is te vinden in H. Duits e.a. (red.): Een lezer aan het woord. Studies van L. Strengholt over zeventiende-eeuwse Nederlandse letterkunde. Amsterdam etc., 1998, p. 308-326.
H. Duits: ‘L. Strengholt (31-12-1930 - 26-11-1989), literatuur-historicus en filoloog’. In: Voortgang, jaarboek voor de Neerlandistiek XI (1990), p. 3-21.
H. Duits: ‘Leendert Strengholt’. Levensbericht in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1990-1991. Leiden, 1992, p. 144-159.

Locatie archief

Geen archief Strengholt bekend

Locatie brievencollecties

Geen brievencollecties bekend

prepostterug  begin  verder