terug  begin  verderprepost

Stuiveling, G.

Stuiveling, Garmt *21 december 1907 Stroobos (Fr.); † 11 mei 1985 Hilversum, literatuurhistoricus en letterkundige.



illustratie

Vanuit het Friese Buitenpost, waar zijn vader onderwijzer was, bezocht Garmt de middelbare school in Groningen. Hij behaalde het diploma hbs-B, deed vervolgens staatsexamen gymnasium-alfa en studeerde van 1927 tot 1932 Nederlandse taal- en letterkunde, ook te Groningen. Zijn leermeesters waren de taal- en letterkundigen A. Kluyver en G.S. Overdiep en de historicus I.H. Gosses. Ook liep hij college bij de hoogleraren G. Heymans en L. Polak. Deze twee atheïstische wijsgeren bevestigden Garmt, die uit een ‘rood nest’ kwam en buitenkerkelijk opgroeide, in zijn humanistische levensovertuiging. Als student al werd hij lid van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij. Ook sloot hij zich aan bij de Sociaal-Democratische Studentenclub - hij werd hiervan voorzitter - en de Socialistische Kunstenaarskring. Hij was drankbestrijder en pacifist. In zijn studentenjaren publiceerde hij de brochures Het vraagstuk van de vrede (1929) en De studenten en het militaire vraagstuk (1931). Stuiveling raakte in de ban van de socialistische dichters Gorter, Henriëtte Roland Holst en Adema van Scheltema. Hij droeg bij aan de door Roland Holst samengestelde bundel socialistische gedichten Tijdsignalen (1929). Twee jaar later kwam zijn eerste eigen bundel uit: Elementen (1931). In 1932 studeerde hij cum laude af.

Ontwikkeling en karakterisering

Garmt Stuiveling was een zeer actieve, productieve en veelzijdige werker, een geboren docent en begenadigd spreker. In de tijd dat hij als gewetensbezwaard dienstplichtige werkte op het Centraal Bureau voor de Statistiek, schreef hij ook zijn proefschrift Versbouw en rhythme in den tijd van '80, waarop hij in 1934 cum laude promoveerde bij Overdiep. Het berustte grotendeels op statistisch onderzoek. Het jaar daarop trouwde hij met jonkvrouwe Mathilde van Vierssen Trip; zij hebben een zoon en drie dochters gekregen.Van 1935 tot 1958 was hij leraar aan Het Nieuwe Lyceum te Hilversum. In deze stad zou hij voorgoed blijven wonen. In 1939 werd hij tevens privaatdocent in de geschiedenis der Nederlandse Letteren sedert 1880, aan de universiteit te Utrecht, op voordracht van de Utrechtse hoogleraar in de Nederlandse taal- en letterkunde C.G.N. de Vooys. In 1946, toen hij gepasseerd werd als diens opvolger, stopte hij met zijn docentschap. Vier jaar later werd hij aan de universiteit van Amsterdam hoogleraar taalbeheersing, in 1956 tevens hoogleraar Nederlandse letterkunde. In 1972 ging hij met emeritaat, maar hij bleef publiceren, vooral tekstuitgaven.

Na zijn debuut verschenen nog enkele dichtbundels, waarin taalvirtuositeit en verstechniek opvallen. Hij schreef literatuurkritieken voor onder meer Tijd en Taak, waarvan hij van 1932 tot 1940 de literaire rubriek verzorgde, Het Boek van Nu en Nieuw Vlaams Tijdschrift. Van laatstgenoemde twee tijdschriften was hij respectievelijk van 1947 tot 1962 en van 1952 tot 1983 ook redacteur. In de periode 1945-1950 had hij de leiding van de gesproken-woord-uitzendingen van de VARA-radio. Zelf kon hij als spreker uiteenlopende gezelschappen boeien, van scholieren tot vakgeleerden. Ook in Vlaanderen trad hij veel op en had hij als spreker groot aanzien, mede om zijn zeer verzorgd taalgebruik. In 1965 werd hij eredoctor van de universiteit te Gent.

Niet alleen op zijn vakgebied was Stuiveling altijd druk bezig, ook daarbuiten, gedreven door een grote maatschappelijke betrokkenheid. Hij was een bekend pleitbezorger van het humanisme als levensbeschouwing. Zijn Erasmus. Spel van het humanisme (1936) werd in Rotterdam opgevoerd. Tien jaar later zou hij betrokken zijn bij de oprichting van het Humanistisch Verbond, waarvan hij jarenlang bestuurslid en spreekbuis was, onder andere via de radio. Met John Pront richtte hij in 1936 het Kunstenaarscentrum voor Geestelijke Weerbaarheid op, dat kunstenaars aanspoorde zich te keren ‘tegen het geweldsgeloof van deze tijd’, in contact trad met buitenlandse kunstenaars en demonstratieve congressen organiseerde. Na de bevrijding in 1945 was Stuiveling lid van de Raad van Beroep voor de zuivering bij de radio. In deze tijd was hij ook, tot 1962, lid van de gemeenteraad voor de Partij van de Arbeid. Tussen 1957 en 1972 was hij voorzitter van de Vereniging van Letterkundigen. Onder zijn voorzitterschap werd deze vereniging ook een echte vakbond. Stuiveling leverde grote bijdragen aan de totstandkoming van het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum, de Bibliografie van de Nederlandse Taal- en Literatuurwetenschap en - als voorzitter van het Multatuligenootschap - het Multatuli Museum in Amsterdam. Ook was hij jarenlang lid en bestuurslid van de Algemene Conferentie der Nederlandse Letteren, een voorloper van de Nederlandse Taalunie. Zijn alomtegenwoordigheid wekte respect, maar ook wel eens irritatie of spotlust. Cees Buddingh schreef op hem het grafschrift: ‘Het leven is blijvend verarmd, want hier ligt Stuiveling, Garmt’. Cornelis Veth tekende een veelzeggende karikatuur (C. Veth, Vijftig jaar Nederlandse letterkunde in dertig karikaturen, 1980).

Stuiveling was de eerste hoogleraar taalbeheersing in Nederland sedert een eeuw en als zodanig een pionier. Zijn onderwijs in dit vak stond, facultatief, ten dienste van studenten uit alle faculteiten en was louter op de praktijk van het schrijven en het spreken in het openbaar gericht. Hij heeft op dit terrein weinig gepubliceerd, waarvan wel het belangrijkste was zijn vertaling en bewerking van een Duits werk van Maximilian Weller: M. Weller en G. Stuiveling, Moderne Welsprekendheid (1961). Als literair-historicus publiceerde hij echter talrijke studies en essay's, die bij elkaar het hele gebied van onze literatuurgeschiedenis bestrijken. Hij gaf hierin blijk van een scherp opmerkingsvermogen, pakte zijn onderwerpen probleemgericht aan en formuleerde bondig, spits en levendig, zonder of met een minimum aan vakjargon. Een grotere greep deed hij met Een eeuw Nederlandse Letteren uit 1943 (geantedateerd 1941), waarin hij de literatuur van Nederland en Vlaanderen tussen 1813 en 1920 als één geheel behandelde, niet naar personen maar naar tijdperken ingedeeld. Het boek heeft geen noten, literatuurlijst en dergelijke, is ook voor niet-vakgenoten begrijpelijk geschreven en bevat heel eigen karakteristieken en visies.

Vanaf de zestiende druk (1939) af was Stuiveling medeauteur - voor de nieuwste letterkunde - van de Historische Schets van de Nederlandse Letterkunde voor schoolgebruik en hoofdacte-studie, door De Vooys geschreven en bij elke herdruk bijgewerkt. De zeventiende druk van 1942 zou Stuiveling na de bevrijding veel last bezorgen. Deze editie mocht pas verschijnen nadat aanpassingen waren aangebracht. Beide auteurs weerstonden de aandrang van de censuur het aantal te behandelen joodse auteurs onevenredig te beperken, maar ze voldeden aan de eis om van die schrijvers bij wie dit niet al in de voorgaande druk gebeurd was, alsnog hun joodse afkomst te vermelden. Ze hadden hiertegen geen bezwaar, zoals ze de uitgever uitdrukkelijk lieten weten, omdat ze hierin geenszins een diskwalificatie zagen. Dit betrof in Stuivelings hoofdstukken zes auteurs. Eén van hen beschuldigde in 1948 Stuiveling ervan hen hierdoor in gevaar te hebben gebracht. Een op Stuivelings verzoek optredende - onofficiële - Ereraad deed in 1955 uitspraak: Stuiveling had zich onvoldoende rekenschap gegeven van de mogelijke gevolgen voor de betrokken auteurs en dit was laakbaar, maar zijn goede trouw was boven elke twijfel verheven. De uitspraak van de Ereraad, die in alle beslotenheid werkte, maakte geen einde aan deze zaak. Vanaf 1959 dook ze van tijd tot tijd in de publiciteit op.

Literatuurgeschiedenis was voor Stuiveling een wetenschap ván, maar niet exclusief vóór specialisten. Ze diende zich te richten op alle geschriften met een esthetische component. Welke dit waren, bepaalde de wetenschapper zelf; in objectieve esthetische maatstaven geloofde hij niet. Zo objectief, precies en rationeel mogelijke ontleding en beschouwing moesten het inzicht in het literaire werk vergroten. Alle feiten van bijvoorbeeld stilistische, taalkundige, maatschappelijke en biografische aard waren hierbij belangrijk, evenals oorspronkelijke documenten en het in acht nemen van de juiste chronologie bij dit alles. De wetenschap diende vooroordelen en legendes op te ruimen.

In Stuivelings literair-historisch werk zijn drie brandpunten te onderscheiden. Het belangrijkste is gelegen in en rond het tijdperk der Tachtigers. In 1935, een jaar na zijn proefschrift, verscheen De Nieuwe Gids als geestelijk Brandpunt. Tekstuitgaven, documentenuitgaven, studies en bloemlezingen volgden betreffende Jacques Perk, Carel Vosmaer, Louis Couperus, Herman Gorter, Henriëtte Roland Holst, Willem Kloos en anderen. Verder hield hij zich zijn leven lang bezig met Multatuli/Eduard Douwes Dekker. In 1949 bezorgde hij de eerste uitgave naar het oorspronkelijke handschrift van Max Havelaar, de ‘nulde druk’. Vervolgens begon hij aan het uitgeven van de Volledige Werken. In de jaren 1950-1953 verscheen in de eerste zeven delen het literaire werk. De daaropvolgende delen bevatten brieven en andere documenten. Het geheel - 25 delen - werd pas in 1995 voltooid, tien jaar na Stuivelings dood. Tenslotte heeft Stuiveling gewerkt aan een nieuwe uitgave van het werk van Bredero. Hij leidde de redactie, verzorgde zelf de uitgave van G.A. Bredero's boertigh, amoreus en aendachtigh groot lied-boeck (3 delen; 1975-1983), bereidde de uitgave van Bredero's Verspreid Werk voor en leverde bijdragen aan andere onderdelen. Omdat hij de voorhanden documentatie onvoldoende vond voor een biografie, volstond hij met het samenstellen van een Memoriaal van Bredero. Documentaire van een dichterleven (1975).

Hoewel tegenwoordig de literatuur anders wordt benaderd - meer nadruk op het cultureel-maatschappelijk functioneren, minder op het esthetische aspect - zijn Stuivelings studies en essay's veelal nog om hun concrete inhoud de moeite van het raadplegen waard. Ook de door hem of onder zijn leiding verzorgde tekstuitgaven vervullen nog een nuttige functie, al voldoen de meeste niet meer aan de eisen die men stellen moet aan wetenschappelijke tekstedities.

 

M.C.A. van der Heijden
[4 januari 2006]

Voornaamste geschriften

Deze zijn in de tekst genoemd. Zie verder de bibliografieën in Weerwerk (zie onder Secundaire Literatuur) en, betreffende het humanisme, in B. Gasenbeek: ‘Garmt Stuiveling. Wegbereider van het Humanistisch Verbond’. In: Het Humanistisch Archief 2000.

Belangrijkste secundaire literatuur

A.M. Cram-Magré e.a. (red.): Weerwerk. Opstellen aangeboden aan professor dr. Garmt Stuiveling (...). Assen, 1973; hierin vooral de bijdragen van G.W. Huygens: ‘Stuivelings betekenis voor de studie der Nederlandse Letterkunde’, p. 1-18; Ger Schmook: ‘Stuiveling in Vlaanderen’, p. 41-51 en 251; J. van de Raa-Eggink: ‘Vakbond zonder vuist’, p. 113-118; B. van de Velde: ‘Rekenschap der bibliografie’, p. 143-162 en 260-263; A. van Elslander: ‘Prof. Garmt Stuiveling, doctor honoris causa van de Gentse rijksuniversiteit’, p. 201-206 en 266; W. van de Velde-De Vries: ‘Bibliografie (...)’, 226-245 en 267.
G. Stuiveling: ‘Taalbeheersing, een legendarisch vak’. In: Ons Erfdeel 25 (1982), p. 482-492.
M.J.G. de Jong: Liever waarheid dan sensatie. Met een eerherstel voor Ed. Hoornik en andere slachtoffers van valse geschiedschrijving over de Tweede Wereldoorlog, Baarn, 1990, p. 61-79.
M.C.A. van der Heijden: ‘Stuiveling, Garmt, literatuurhistoricus en literator’. In: J. Charité en A.J.C.M. Gabriëls (eindred.), Biografisch Woordenboek van Nederland, vierde deel. 's-Gravenhage, 1994, p. 482-485 (met opgave van meer literatuur).
A. Braet: ‘Taalbeheersing: van de welsprekendheidsleer van Siegenbeek tot de communicatiekunde van Drop’. In: J.W. de Vries: ‘Eene bedenkelijke nieuwigheid’. Twee eeuwen neerlandistiek. Hilversum, 1997, p. 98-112 (hiervan speciaal p.105-107).

Locatie archief en brievencollectie

Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum in Den Haag.

prepostterug  begin  verder