Veenstra, Fokke * 29 december 1906 Hardegarijp; † 26 februari 1997 Leeuwarden, literatuur-historicus en filoloog. Publiceerde, naast artikelen, enkele belangrijke studies op het gebied van de Nederlandse letterkunde van de Renaissance, met name over Hooft en Bredero, en edities van teksten van Bredero, Hooft en Spiegel.

Veenstra, opgegroeid in een vrijzinnig Fries milieu, werd aan de Rijkskweekschool te Groningen opgeleid tot onderwijzer, welk beroep hij daarna van 1927 tot 1939 uitoefende in zijn geboortedorp Hardegarijp. Naast zijn werk volgde hij de opleiding MO Geschiedenis, die hij in 1934 voltooide. Nadat hij vervolgens Staatsexamen A had gedaan, begon hij de studie Nederlandse taal- en letterkunde aan de Rijksuniversiteit te Groningen. In 1941 legde hij het doctoraalexamen af.
Van 1939 tot 1941 was hij als onderwijzer verbonden aan een uloschool in Den Haag. Onmiddellijk na zijn doctoraalexamen maakte hij de overstap naar het middelbaar onderwijs en werd hij leraar Nederlands aan het Eerste Vrijzinnig Christelijk Lyceum in de hofstad. Bij deze school zou hij tot 1958 in dienst blijven, met een onderbreking van 1943 tot 1945 toen hij voor de Duitsers moest onderduiken in Friesland. Tijdens zijn onderduikperiode werkte hij aan een proefschrift, zodat hij al in 1946 aan zijn Alma Mater kon promoveren op het proefschrift Bijdrage tot de kennis van de invloeden op Hooft. De overstap naar de wetenschap kwam in 1958 toen hij wetenschappelijk hoofdmedewerker werd aan het Instituut voor Neerlandistiek van de Universiteit van Amsterdam. Zijn wetenschappelijke carrière vond haar bekroning in 1970 met de benoeming aan deze universiteit tot lector in de Nederlandse letterkunde van de Renaissance. Na zijn emeritaat in 1974 heeft hij zich een groot aantal jaren beziggehouden met de editie van H.L. Spiegels Hert-spiegel.
Sedert 1939 was Veenstra gehuwd met Greet Oostenburg.
Hoewel Veenstra's wetenschappelijke carrière betrekkelijk laat begon, waren in kringen van de neerlandistiek zijn kwaliteiten niet onopgemerkt gebleven. Zijn proefschrift, zijn editie van Hoofts Baeto in 1954 en de publicatie van zijn lezing, in 1957, voor studenten van de School voor Taal- en Letterkunde in Den Haag over Hooft, waarin hij de neoplatonische achtergronden van diens spel Granida en van zijn lyriek aantoonde, hadden de aandacht getrokken van vakgenoten. Deze feiten maakten duidelijk dat Veenstra zich had ontwikkeld tot een Hooft-specialist. Dat bleek eens te meer met de publicatie van Ethiek en moraal bij P.C. Hooft (1968), een boek dat voor veel neerlandici een eye-opener werd. In deze studie demonstreerde hij overtuigend hoezeer Hoofts werk was ingebed in een breed complex van contemporaine moraalfilosofische opvattingen. Daarmee haalde hij Hoofts werk definitief uit de eng nationale context waarbinnen het lange tijd was geïnterpreteerd.
Datzelfde deed hij enkele jaren later ook met het werk van Bredero. Garmt Stuiveling had hem betrokken bij zijn grote project om De werken van Gerbrand Adriaensz. Bredero uit te geven, dat in 1968 van start ging. Als in 1973 Veenstra's editie van Bredero's toneelspel Griane uitkomt, leidt hij die in met een diepgravende studie over ‘Bredero en de situatie van de mens’. Hierin laat hij zien dat Bredero's mens- en wereldbeeld niet dat is van een eenvoudig volksdichter - zoals hij veelvuldig was gepresenteerd in de literatuurgeschiedenis - maar dat van een cultureel geschoold auteur die vertrouwd blijkt te zijn met het eigentijdse moraalfilosofische gedachtegoed.
Deze studies maken twee zaken duidelijk: Veenstra's vertrouwdheid met de klassieke en contemporaine moraalfilosofie in de meest brede zin èn zijn grondige kennis van de belangrijkste ontwikkelingen op zijn vakgebied, de literatuur van de Renaissance, in het buitenland. Voor Veenstra was ‘terug naar de bronnen’ een essentieel uitgangspunt. Hij bestudeerde de grote Europese denkers uit de zestiende en zeventiende eeuw, en hun klassieke voorgangers, in het origineel en maakte zich vertrouwd met hun ideeën. Voorts bestudeerde hij de belangrijkste binnen- en buitenlandse studies op dit terrein. Daarnaast was hij op de hoogte van de belangrijkste buitenlandse literairhistorische studies op zijn vakgebied, in het bijzonder die van Angelsaksische en Franse geleerden. Met al deze kennis toegerust, bestudeerde hij de zeventiende-eeuwse Nederlandse literatuur en kwam soms tot verrassend nieuwe interpretaties. De twintigste-eeuwse Shakespeare-filologie is bijvoorbeeld een belangrijke inspiratiebron geweest voor Veenstra's interpretatie van het werk van Hooft en Bredero. Zo leverde hij zijn eigen bijdrage aan de nieuwe wind die door de beoefening van de Nederlandse literatuurhistorie begon te waaien.
Veenstra's bijzondere belangstelling voor de moraalfilofische achtergronden van Nederlandse literatuur zal er toe hebben geleid dat de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen hem de opdracht verleende een editie voor te bereiden van Spiegels Hert-spiegel (1614), een van de meest ontoegankelijke teksten uit ons literair verleden. De editie kwam uit in 1994.
Als tekstediteur bewandelde Veenstra niet direct de gebaande wegen, maar toonde hij een eigenzinnige en onconventionele aanpak. Dat was niet zozeer het geval bij het vaststellen van de tekst, want daarbij stond voor hem voorop dat het de taak van de editeur is om een betrouwbare tekst te leveren met adequate annotaties en veelzijdig commentaar. In dat opzicht wijkt hij niet af van de aanpak van zijn vakgenoten. Maar de manier waarop hij zijn edities inleidt, verschilt nogal van die van zijn collega's. In zijn inleidingen gaat Veenstra de tekst als het ware blanco in en bouwt vervolgens een betoog op aan de hand van een aantal passages die voor hem de kern van de betreffende tekst vormen. Deze methode leidt zowel tot nieuwe en vaak verfijnde interpretaties van zo'n tekst als tot vernieuwende inzichten in de bedoelingen van de auteur. Dat daarbij zaken als literairhistorische situering, vormgeving en eerdere interpretaties van vakgenoten buiten beschouwing blijven, neemt hij als tekstediteur op de koop toe. Het spreekt vanzelf dat deze aanpak naast bewondering, ook kritiek van vakgenoten uitlokte.
Directe invloed is veelal moeilijk aantoonbaar. Zo die er al is, zal het vooral een kwestie zijn geweest van het aanbrengen van een wetenschappelijke attitude bij enkele generaties studenten. Als docent aan het Amsterdamse Instituut voor Neerlandistiek heeft hij bijgedragen aan de vorming van een generatie literatuurhistorici, die bekend is geworden als ‘de Amsterdamse school’. Indirect heeft zijn werk zeker invloed gehad, maar dan samen met dat van enkele andere prominente literatuur-historici. Als we het literairhistorisch onderzoek van de Nederlandse letterkunde van de Renaissance van de laatste decennia van de twintigste eeuw overzien, kunnen we vaststellen dat dit sedert de jaren zestig nieuwe wegen is ingeslagen. De basis daarvoor hebben drie geleerden met hun werk gelegd: W.A.P. Smit, Sonja Witstein en Fokke Veenstra. De ongeëvenaarde ontwikkeling van het onderzoek met daarin het accent op poëtica, retorica en ideeënwereld bouwt voort op hun studies. De grote belangstelling voor het laatste aspect mag zeker worden gezien als een vrucht van Veenstra's studies.
H. Duits
[november 2003]
| Bijdrage tot de kennis van de invloeden op Hooft. Assen, 1946. Proefschrift R.U.G. |
| P.C. Hooft, Baeto. Ingeleid en met aantekeningen voorzien door F. Veenstra. Zwolle, 1954. Zwolse drukken en herdrukken voor de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 11. |
| ‘Hooft: enkele aspecten van de levens- en wereldbeschouwing der renaissance’. In: Geestelijke achtergronden bij enkele grote schrijvers. Zes lezingen. Gehouden door J.C. Opstelten, H. Wagenvoort, F.L.R. Sassen e.a. Den Haag, 1958, p. 81-106. Lezingen gehouden voor de School voor taal- en letterkunde te 's-Gravenhage 10. |
| Ethiek en moraal bij P.C. Hooft. Twee studies in renaissancistische levensidealen. Zwolle, 1968. Zwolse reeks van taal- en letterkundige studies 18. |
| G.A. Bredero, Griane. Ingeleid en toegelicht door F. Veenstra. Met fragmenten uit het volksboek van Palmerijn. Culemborg, 1973. De werken van Gerbrand Adriaensz. Bredero. |
| H.L. Spiegel, Hert-Spiegel. Uitgegeven naar het hs., met inleiding, commentaar en aantekeningen door F. Veenstra. Hilversum, 1992. |
| Bibliografie in Duits e.a. 1986; aangevuld in Duits 2002. |
| M.B. Smits-Veldt: ‘Een fraaie geest in 't Kabinet der Muzen. Een beschouwing over het werk van dr. F. Veenstra’. In: H. Duits, A.J. Gelderblom, M.B. Smits-Veldt (red.): Eer is het lof des deuchts. Opstellen over renaissance en classicisme aangeboden aan dr. F. Veenstra. Amsterdam, 1986, p. 9-17. |
| Marijke Spies: ‘Mijn meesters: F. Veenstra’. In: Literatuur 18 (2001), p. 232-233. |
| H. Duits: ‘Fokke Veenstra’. Levensbericht in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 2000-2001. Leiden, 2002, p. 115-128. |
Geen Veenstra-archief bekend
Geen brievencollecties bekend