Verwer, Adriaen Pietersz. * 1654/55; † 31 maart 1717 Amsterdam, geleerde doopsgezinde koopman die de taalstudie op Newtoniaanse leest wilde schoeien en in die zin als voorloper beschouwd kan worden van taalkundigen als Lambert ten Kate, Balthazar Huydecoper en Adriaan Kluit.

Adriaen Verwer, zoon van de doopsgezinde koopman Pieter Adriaensz. Verwer, werd in Rotterdam geboren in een tijd dat er in doopsgezinde kringen volop sprake was van onderlinge twisten. Het milieu waarin hij opgroeide werd gekenmerkt door een hoge mate van tolerantie. Zijn vader maakte deel uit van de zogenaamde ‘Erasmiaanse vriendenkring’, een wijdvertakt netwerk van personen die zich bezighielden met theologische, filosofische, politieke en literaire onderwerpen en zich beijverden voor het terugdringen van de tegenstellingen die door de godsdiensttwisten waren ontstaan; ook Verwer zelf werd al snel opgenomen in dit culturele en intellectuele circuit. In de koopmanspraktijk bekwaamde hij zich in het zeerecht en hoewel hij vermoedelijk niet universitair geschoold was, verwierf hij zich al op jonge leeftijd internationale faam op dit gebied. In 1680 vestigde hij zich als koopman in Amsterdam. Hier mengde hij zich in de filosofische debatten die vooral draaiden om de denkbeelden van Spinoza. In 1683 publiceerde hij 't Mom-aensicht der Atheistery afgerukt door een Verhandeling van den aengeboren stand der menschen, een weerlegging van Spinoza's opvattingen. In de jaren na 1687 voelde hij zich in het bijzonder aangetrokken door de inzichten van Isaäc Newton en correspondeerde hij met Britse geleerden uit de ‘Newtonian circle’; zijn aandacht ging in deze tijd vooral uit naar de theologie en de wiskunde. In 1698 verscheen zijn Inleiding tot de Christelyke Gods-geleertheid, een geloofsapologie. Ook de taalkunde had zijn belangstelling; hij maakte deel uit van een linguïstisch gezelschap, waartoe zijn vriend en leerling Lambert ten Kate en - waarschijnlijk - Tiberius Hemsterhuis (1685-1766) behoorden, en publiceerde een aantal taalkundige geschriften. In 1711 trad hij voor het laatst in de openbaarheid met Nederlants See-rechten; Avaryen; en Bodemeryen, een rechtskundig werk dat in de achttiende eeuw nog drie keer zou worden herdrukt.
Zijn opvattingen over taalkunde heeft Verwer allemaal onder pseudoniem in het licht gegeven. Zijn eerste taalkundige werk is de in het Latijn geschreven Linguae Belgicae idea grammatica, poetica, rhetorica (Schets van de Nederlandse taal. Grammatica, poëtica, retorica.), die in 1707 in Amsterdam verscheen. Het grondidee in de opvattingen van Verwer is het uitgangspunt dat de taal in oorsprong een regelmatig systeem is. In de loop van de tijd is die regelmaat door het gebruik van de taal voor een gedeelte verloren gegaan en daarom benadrukt Verwer, dat het van groot belang is om de taal vanuit de oorsprong te kennen; dat betekent dat de taalstudie zich dus expliciet op het verleden moet richten en vanuit de taalhistorie moet proberen een verklaring voor de verschijnselen te vinden. Hij wijst er bovendien op, dat het object van de taalkunde de algemene taal moet zijn en niet de literaire. Hiermee keert hij zich tegen de opvattingen van Arnold Moonen (1644-1711), die zich in zijn anderhalf jaar voor de Idea verschenen Nederduitsche spraekkunst (1706) juist had gebaseerd op het taalgebruik van Vondel en Hooft. Volgens Verwer wordt de literaire taal echter gekenmerkt door allerlei dichterlijke vrijheden en die belemmeren het zicht op de oorspronkelijke regelmaat. Een grammatica die uitgaat van de literaire taal kan dus nooit zicht bieden op de ware eigenschappen van de taal; ze beschrijft hooguit een kunstmatige regelmaat of blijft steken in een opsomming van woorden en woordvormen. In Verwers optiek mag de onderzoeker zich op geen enkel moment baseren op eigen voorkeuren of inzichten; hij moet uitsluitend uitgaan van de taalfeiten. Moonen schreef in zijn ogen een grammatica waarin onderscheidingen en regelmaten waren aangebracht die niet in de algemene taal te vinden waren en dus niet op de taalwerkelijkheid berustten. Dat levert een aantal kunstmatige regels op, die niet algemeen genoeg zijn en veel uitzonderingen kennen. Nadrukkelijk kiest Verwer voor een inductief-empirische benadering van de taalstudie, waarbij de algemene taal het uitgangspunt is.
In de jaren 1708-1709 heeft Verwer zijn opvattingen over taal en taalkunde in een drietal brieven toegelicht en uitgewerkt. In de eerste heeft hij onder meer de geschiedenis van het Nederlands verdeeld in vier perioden; de periode waarin de taal nog vrijwel volledig regelmatig was, plaatste hij in de vroege Middeleeuwen.. Verwer was daarmee een van de eersten die taalkundige aandacht vroeg voor het Middelnederlands. In de tweede brief gaat Verwer in op de spelling van de vocalen; hij onderbouwt zijn betoog nadrukkelijk met taalhistorische argumenten. Hij wijst erop, dat de spelling de algemene taal moet weergeven, de taal van het hele taalgebied dus en niet die van een bepaalde regio of stad, en daarmee keert hij zich tegen de voortschrijdende taalhegemonie van Amsterdam en Noord-Holland; hij pleit er bijvoorbeeld voor om een aantal klankonderscheidingen die in het Noord-Hollands en Amsterdams van zijn tijd niet meer werden gehoord in de spelling tot uitdrukking te laten komen. Verwers derde brief verschijnt in 1709. Verwer verweert zich in deze Brief aen den Heere Adriaen Reland tegen de kritiek die Arnold Moonen had op de Idea; hij gaat hierbij vooral in op de methodologische grondslagen van de taalstudie.
In de methode van Verwer ligt de nadruk op het vinden van algemene regels. Hoe meer verschijnselen door een regel worden beschreven, hoe beter. Om die algemene regels te kunnen opstellen, moet de onderzoeker eerst op empirisch-inductieve wijze gegevens verzamelen, rubriceren en classificeren, en in regels verantwoorden; om de regels te veralgemeniseren moet hij empirisch gefundeerde hypothesen opstellen en die moeten vervolgens ook weer zorgvuldig empirisch worden getoetst. Dit proces herhaalt zich telkens, want uiteindelijk gaat het om zo universeel mogelijke regels die inzicht bieden in de regelmaat van het taalsysteem.
Het benadrukken van het empirisch-inductieve uitgangspunt en de opeenvolging van deducties en empirische verificatie is het kenmerk van de methode van de Engelse natuurkundige Isaäc Newton (1643-1727). Verwer bewonderde Newton, was goed op de hoogte van diens inzichten en liet zich ook in zijn theologische opvattingen uitdrukkelijk leiden door de inzichten van de Engelse geleerde. Verwer past Newtons methode toe op de taalkunde en staat daarmee aan de basis van een wezenlijk nieuwe benadering van de taalstudie in de achttiende eeuw.
Het doel van de taalstudie is het achterhalen van de oorspronkelijke regelmaat; dat houdt niet in, dat Verwer ervoor pleit om die regelmaat opnieuw aan te brengen in het taalgebruik van zijn tijd. Hij onderscheidt een usus analogus, waarin de regelmaat bewaard is gebleven, en een usus anomalus, die van de regelmaat afwijkt. In eerste instantie moet de taalgebruiker weliswaar uitgaan van de regelmaat, maar als het huidige gebruik daarvan afwijkt moet hij dat gebruik volgen. Het vastleggen daarvan is voorbehouden aan de overheid; die heeft volgens Verwer haar verantwoordelijkheid genomen en het algemene gebruik vastgelegd in de taal van de Statenbijbel (1637).
Met de door hem gepropageerde aanpak introduceerde Verwer de ‘Newtoniaanse methode’ in de beoefening van de taalkunde van de achttiende eeuw; zijn leerling Lambert ten Kate zou deze methode op indrukwekkende wijze uitwerken en toepassen. Verwer stond hiermee aan de basis van een ontwikkeling in de taalkunde die oog kreeg voor de taalverschijnselen zelf, die zich afkeerde van bedachte of gewenste onderscheidingen en zich uitsluitend wenste te baseren op feiten. De taalkundige grootheden uit de achttiende eeuw - Lambert ten Kate en Balthazar Huydecoper - danken hun roem vooral aan de door hen toegepaste empirisch-inductieve methode en de letterkundige genootschappen uit de tweede helft van de eeuw traden methodologisch nadrukkelijk in hun voetsporen. In die genootschappen was de waardering voor Verwer groot; hij werd gezien als degene die het ware Nederlands tot object van de taalkunde had gemaakt en als gids en voorloper van Ten Kate en Huydecoper. Voor de Idea bestond dan ook grote belangstelling en rond 1759 vertaalde Adriaan Kluit het werk in het Nederlands; tot publicatie ervan is het in de achttiende eeuw niet gekomen. Wel verscheen in 1783 een tweede druk, bezorgd door E. van Driel.
Igor van de Bilt
[30 juli 2003]
| Linguae Belgicae idea grammatica, poetica, rhetorica; deprompta ex Adversariis Anonymi Batavi: In Usum Proximi Amici. Amsterdam, 1707. Een Nederlandse vertaling van de tweede druk (1783) verscheen in 1996 (zie Verwer 1783), de vertaling van Kluit in 2000 (zie Verwer 2000). |
| ‘Brief, door den ongenoemden Schryver der Idea, of Schetse der Nederduitsche Spraekkunst, aen den Heere David van Hoogstraten’. In: Boekzaal der geleerde Weereldt van May en Juny 1708, p. 524-556. |
| ‘Brief, door den ongenoemden Schryver der Idea Grammatica, &c. ofte Schetse der Nederduitsche Taelkunst aen den Heere David van Hoogstraten over de echte Nederduitsche Vocaelspellinge’. In: Boekzaal der geleerde Weereldt van September en October 1708, p. 353-379. |
| Brief aen den Heere Adriaen Reland, professor der oostersche talen in de Academie tot Utregt, vanden Schryver der linguae Belgicae Idea Grammatica; & c. tot rekenschap vande Aenmerkingen vanden Heer Arnold Moonen op dezelve Idea; en van 't richtig Nederduitsch, zoo als door onze Hooge Overheidt gebruikt is in Hare nieuwe overzetting des Bybels. Utrecht, 1709. |
| De brieven van Verwer verschenen in 2002 in druk (zie Verwer 2002). |
| Jan F. Vanderheyden: ‘Adriaan Verwer. Verwer in de geschiedschrijving en over de geschiedenis van het Nederlands. Verwer en Zuid-Nederland’. In: Verslagen en mededelingen Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde 1957, p. 617-671. |
| B.H.D. Hermesdorf: ‘Adriaen Verwer (1655-1717) en de Ordonnance de la Marine (1681)’. In: Rotterdams Jaarboekje 7e reeks, 5e jrg (1967), p. 227-261. |
| L.F. van Driel: ‘Eene geauctoriseerde tale. Adriaen Verwer, koopman, jurist en taalliefhebber’. In: Voortgang. Jaarboek voor de Neerlandistiek XIII (1992), p. 121-143. |
| Adriaen Verwer: Schets van de Nederlandse taal. Grammatica, poëtica en retorica. Naar de editie van E. van Driel vertaald door J. Knol. Met een fotomechanische herdruk van Anonymus Batavus' Idea Linguae Belgicae grammatica, poetica et retorica. Bezorgd door Everhardus van Driel, Leiden 1783. Bezorgd door Th. A. J. M. Janssen, J. Noordegraaf. Amsterdam, 1996. |
| Adriaen Verwer: Letterkonstige, dichtkonstige en redekunstige schetse van de Nederduitsche tale. Uit het Latijn vertaald door A. Kluit naar de editie-1707. Bezorgd en ingeleid door Igor van de Bilt & Jan Noordegraaf. Amsterdam, 2000. |
| Adriaen Verwer: ‘Daer moet maer naerstig gelezen worden.’ Brieven over taalkunde (1708-1709). Ingeleid en bezorgd door Igor van de Bilt. Amsterdam, 2002. |
| Rienk Vermij: ‘The formation of the Newtonian philosophy: the case of the Amsterdam mathematical amateurs’. In: British Journal for the History of Science 36 (2003), p. 183-200. |
Geen Verwer-archief bekend.
Van Verwer zijn slechts enkele brieven bewaard gebleven (zie CEN).