Verwijs, Eelco *17 juli 1830 Deventer; † 28 maart 1880, letterkundige en lexicograaf, voornamelijk op het gebied van het Middelnederlands.

De vader van Eelco Verwijs was predikant en Eelco was voorbestemd voor hetzelfde beroep. Zijn opleiding aan het Deventer Gymnasium vervolgde hij aan het Athenaeum in dezelfde stad, waar hij theologie studeerde en onder meer colleges volgde bij W.J.A. Jonckbloet. Aan de universiteit van Groningen studeerde hij aanvankelijk verder in de theologie, maar raakte in de ban van Matthias de Vries en toen deze in 1853 naar Leiden vertrok, volgde Verwijs hem. Daar promoveerde hij in 1857 bij De Vries op het eerste in het Nederlands geschreven proefschrift over een Nederlands letterkundig onderwerp, te weten de Wapene Martijn van Jacob van Maerlant. In 1858 werd hij docent in de nieuwe talen aan het gymnasium te Franeker; in 1862 werd hij benoemd tot archivaris-bibliothecaris van Friesland. In 1868 keerde hij terug naar Leiden om als redacteur mee te werken aan het ‘Nederlandsch Woordenboek’ (het WNT) dat De Vries had opgezet. In 1872 werd het duidelijk dat hij aan tuberculose leed. In 1873 stelde hij Jakob Verdam vanuit Menton voor om samen het werk aan het Middelnederlandsch Woordenboek te starten. In 1877 leek het beter te gaan met zijn gezondheid en werd hem de leerstoel in de Nederlandse taal- en letterkunde aan de universiteit van Amsterdam aangeboden. Een fysieke terugval noodzaakte hem dit aanbod af te slaan; de post werd nadien vervuld door Verdam. Een jaar later moest Verwijs om gezondheidsredenen Leiden verlaten; hij woonde daarna te Doorn en overleed in Arnhem.
Verwijs is een van de levendigste figuren die de studie van de Middelnederlandse taal- en letterkunde heeft gekend. Zijn levensbeschrijvers - Verdam, Jonckbloet, en anderen na hen - wijzen steeds weer op zijn kritische blik, scherp oordeel, grote onafhankelijkheid in zijn opvattingen én op zijn levendigheid, gevoel voor humor, en zijn grote moeite om maat te houden in alles wat het (studenten)leven aangenaam kon maken. Juist door dat laatste heeft hij zich veel problemen op de hals gehaald, niet alleen fysiek, maar ook op sociaal vlak. Hij bracht zijn mening nogal eens op een erg directe, ook botte manier naar voren en dat leidde tot felle discussies. ‘Maar,’ zo formuleerde Verdam het, ‘hij verstond de kunst de dingen zoo geestig en zoo ongemeen te zeggen, dat men eerder dacht aan den vorm waarin het gezegd werd, dan aan hetgeen werd gezegd, en zoo ontwapende hij toorn of tegenkanting.’
Verwijs' flamboyante geest komt ook naar voren in zijn publicaties. Aan het begin van zijn wetenschappelijke carrière schreef hij over cultuurhistorische zaken voor een breed publiek, onder meer uitgebreid over Sinterklaas, en gaf hij een aantal belangrijke zeventiende-eeuwse teksten uit. Al gauw bepaalde hij zijn aandacht bij Middelnederlandse teksten. Zijn Bloemlezing uit Middelnederlandsche dichters, in eerste druk verschenen in 1858 (deel 1: Ridderpoëzie), 1959 (deel 2: Geestelijke en burgerlijke poëzie), 1863 (deel 3: Mengelpoëzie) en 1867 (deel 4: Woordenlijst en korte Middelnederlandsche Spraakkunst), is van groot belang geweest voor de ontwikkeling van het vakgebied in het opleiden van nieuwe onderzoekers. De Spraakkunst in het vierde deel is echter een blamage; Verwijs was duidelijk geen doorkneed taalkundige en daarvan was hij zich heel goed bewust. Hij zou zich voortaan naast het lexicografische werk tot letterkundige onderzoekingen beperken.
Zijn tekstuitgaven worden voorafgegaan door een sprankelende inleiding, zijn voorzien van aantekeningen bij de uitgegeven tekst en bevatten gewoonlijk een uitvoerig glossarium. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Verwijs de ‘eerste leerling’ van proto-lexicograaf De Vries was en redacteur bij het WNT werd naast De Vries en kort na het overlijden van L.A. te Winkel. Hij redigeerde de trajecten O-onderrichten, G-gekken en Gekken-gelegenheid.
Naast zijn werk voor het WNT, dat het Nederlands vanaf de zestiende eeuw beschrijft, was hij zeer actief bezig met het Middelnederlands. In 1873 begon Verwijs samen met Verdam met gericht excerpeerwerk voor wat het Middelnederlandsch Woordenboek (MNW) zou worden. Ondanks zijn ziekte bleef hij zeer actief. Bij zijn overlijden had hij de letter ‘a’ bewerkt en een deel van de ‘b’, en had hij een enorme hoeveelheid fiches gereedgemaakt ten behoeve van de rest van het alfabet. Dankzij Verdam wordt er nu nog steeds gesproken van ‘Verwijs & Verdam’; Verdam koos voor deze volgorde van auteursnamen vanwege de enorme materiaalverzameling die Verwijs had helpen aanleggen en vanwege het feit dat Verwijs degene was die Verdam tot het lexicografische werk had overgehaald. De eerste aflevering zag het licht twee jaar na Verwijs' dood, in 1882; de laatste, geredigeerd door F.A. Stoett (Verdam overleed in 1919, ter hoogte van het lemma weigerlike), in 1929.
Verwijs is bij de vakbeoefenaars vooral bekend als lexicograaf, door het MNW (zie voor meer over het belang en de invloed van het MNW onder Verdam). Ook een aantal tekstedities van zijn hand is echter nog steeds van belang. Hier moeten vooral zijn editie van Jacob van Maerlants Naturen bloeme worden genoemd en het in samenwerking met De Vries tot stand gebrachte reuzenwerk Spiegel historiael, eveneens van Jacob van Maerlant. Deze uitgave in vier delen bevat een lange inleiding die van de hand van De Vries is, en de teksteditie zelf gaat vergezeld van uitvoerige verwijzingen naar de Latijnse parallelpassages in Maerlants brontekst. Dit is bij uitzondering een editie van Verwijs waarbij een glossarium ontbreekt; ook de woordverklaringen zijn beperkt. Volgens de inleiding is dat ‘omdat in het Mnl. Woordenboek, door een van ons beiden bewerkt, en dat eerstdaags ter perse gaat, de Spiegel Historiael met bijzondere zorg is behandeld’.
Ook op een andere wijze heeft Verwijs invloed uitgeoefend, alhoewel het lang onduidelijk is geweest wat zijn precieze rol is geweest. De geestvolle medioneerlandicus, hooggewaardeerd feestganger, heeft voor verschillende vrienden onder de naam Eligius van het Oversticht gedichten in het Middelnederlands geschreven - dat was algemeen bekend. Maar onlangs is pas met kracht van argumenten aannemelijk gemaakt dat hij ook een belangrijke rol gespeeld heeft in de totstandkoming en in de wereld sturen van het roemruchte Oera Linda Bok, een oud Fries document waarin de Friezen een pracht van een voorgeschiedenis kregen, als erfgenamen van het gezonken Atlantis bijvoorbeeld, maar dat vrijwel onomstreden als een falsificatie wordt beschouwd. Jensma heeft aangetoond dat Verwijs de oorspronkelijke tekst van François HaverSchmidt heeft aangevuld en geredigeerd, en dat hij het door Cornelis Over de Linden gekopieerde manuscript via slinkse routes onder de aandacht van het (Friese) publiek heeft gebracht. Zijn medeplichtigheid aan deze uit de hand gelopen ‘grap’ is tekenend voor de persoonlijkheid van Verwijs.
Karina van Dalen-Oskam
[oktober 2003, gewijzigd januari 2005]
| Dit syn X goede boerden. 's-Gravenhage, 1861. |
| (met W. Bisschop): Gedichten van Willem van Hildegaersberch. 's-Gravenhage, 1870 [Reprint Utrecht, 1981]. |
| Jacob van Maerlant's Naturen Bloeme. Groningen, 1872-1878 [Reprint 1980]. |
| (met M. de Vries): Jacob van Maerlant's Spiegel Historiael. Met de fragmenten der later toegevoegde gedeelten, bewerkt door Philip Utenbroeke en Lodewijc van Velthem. [Van wege de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden uitgegeven door --. Leiden, 1861-1879]. 4 Dln. [Reprint Utrecht, 1982]. |
| (met J. Verdam): Middelnederlandsch Woordenboek. 10 Dln. 's-Gravenhage, 1885-1952. Dl. 9 voltooid door F.A. Stoett. Dl. 10 (Tekstcritiek van J. Verdam en bouwstoffen) 1e gedeelte (A-F) door W. de Vreese; 2e gedeelte (G-Z) door G.I. Lieftinck. Ook opgenomen op: Cd-rom Middelnederlands. Woordenboek en teksten. Den Haag/Antwerpen, 1998. |
| J. Verdam: ‘Levensbericht van Eelco Verwijs’ en ‘Lijst der geschriften van Dr. Eelco Verwijs’. In: Handelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden en levensberichten harer afgestorven medeleden 1880. Leiden, 1880, p. 75-116. |
| W.J.A. Jonckbloet: ‘Levensschets van Dr. Eelco Verwijs.’ In: Jaarboek van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen, Amsterdam, 1881, p.1-13. |
| G. Jensma: De gemaskerde god. François HaverSchmidt en het Oera Linda-boek. Zutphen, 2004. |
| J. Noordegraaf: ‘De archivaris en de grammatica. Eelco Verwijs en zijn Middelnederlandsche Spraakkunst (1867)’. In: Philologia Frisica anno 1999. Lêzingen fan it fyftjinde Frysk filologekongres 8, 9 en 10 desimber 1999. Ljouwert, 2000, p. 204-224. |
| F. Lodder: ‘Strijd tegen de bent van letterknechtjes. Johannes van Vloten (1818-1883)’. In: W. van Anrooij, D. Hogenelst en G. Warnar (eds): Der vaderen boek. Beoefenaren van de studie der Middelnederlandse letterkunde. Studies voor Frits van Oostrom ter gelegenheid van diens vijftigste verjaardag. Amsterdam, 2003, p. 77-90, 264-268, 298-301. |
Er is geen archief van E. Verwijs bekend.
Brieven van de hand van Verwijs bevinden zich voornamelijk in de bibliotheek van de Universiteit Leiden (waarvan de meeste aan Verdam waren gericht (18) en aan De Vries (164)) en het Tresoar te Leeuwarden; verder berusten er enkele in de bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam en in Koninklijke Bibliotheek te Den Haag.
Er zijn enkele brieven aan Verwijs te raadplegen in de bibliotheek van de Universiteit Leiden en in de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag (CEN).