terug  begin  verderprepost

Vloten, J. van

Vloten, Johannes van * 18 januari 1818 Kampen; † 21 september 1883 Haarlem, veelzijdig taal- en letterkundige met een eigen(zinnige) visie op literatuur, geschiedenis en literatuurgeschiedenis. Hij verzorgde tal van tekstuitgaven van bekende en onopgemerkte auteurs. Deze ‘horzel in de pels’ was een geducht polemist.

 



illustratie

Op 18 januari 1818 werd Johannes van Vloten geboren als zoon van Martha Johanna Spree en Willem van Vloten, predikant te Kampen. In 1835 ging hij naar Leiden om daar aan de theologische faculteit te studeren en promoveerde in 1843. Door de historisch-kritische bijbelstudie keerde hij zich af van het christelijk geloof. Hij was van 1843 tot 1846 leraar Frans en geschiedenis aan het Erasmiaans Gymnasium te Rotterdam. Een conflict met de schoolleiding gaf aanleiding tot zijn ontslag. Terug in Leiden leefde hij met name van zijn publicaties en studeerde daarnaast geschiedenis en letteren. In 1855 werd Van Vloten hoogleraar in de Nederlandse taal- en letterkunde en geschiedenis aan het Athenaeum te Deventer. In 1861 werd hij aldaar benoemd tot rector magnificus. Bij de overdracht van het rectoraat in 1867 sprak hij een rede uit, die nogal wat opschudding veroorzaakte, als gevolg waarvan de curatoren hem niet-eervol ontsloegen. In 1864 was Van Vloten al een leerstoel in Groningen ontgaan. Jonckbloet had hem als zijn opvolger voorgedragen, maar De Vries wist te bewerkstellingen dat zijn leerling Moltzer hoogleraar werd. Dit resulteerde in animositeit, waarbij Van Vloten geen gelegenheid voorbij liet gaan om De Vries te hekelen. In 1868 vestigde Van Vloten zich te Bloemendaal en was daar werkzaam als publicist. Hij was onder meer redacteur van het Deventer Weekblad; een veroordeling wegens laster ervoer hij als censuur en bijgevolg legde hij in 1872 zijn functie neer. Hij schiep zich in zijn tijdschrift De Levensbode (1865-1881) een eigen platform. In 1877 verhuisde hij naar Haarlem en daar stierf hij in 1883 na een korte ziekte.

Ontwikkeling en karakterisering

Van Vloten publiceerde vooral over theologie, filosofie, geschiedenis (in het bijzonder over de Opstand), taalkunde, letterkunde, liberalisme en kunstgeschiedenis. De enorme hoeveelheid publicaties laat zich niet alleen verklaren door het feit dat Van Vloten financieel afhankelijk was van zijn schrijversinkomsten. Hij had een veelzijdige interesse en was zeer betrokken bij maatschappelijke kwesties van allerlei aard. Tevens had hij de drang om publiekelijk te reageren op alles wat zijns inziens bijval, aanvulling, rechtzetting of bestrijding behoefde. Hij was een geducht polemist, omdat hij niet alleen alle uitingen bestreed van wat hij voor kleingeestigheid, bekrompenheid en halfheid hield, maar daarbij vaak ook de persoon zelf niet ontzag. Hij polemiseerde met onder anderen Fruin, Busken Huet, Multatuli en Vosmaer. Van Vloten deed letterkundige studies het licht zien, hij schreef kritieken en hij verzorgde bloemlezingen en legio tekstedities. Op het gebied van de taalkunde leverde hij vooral bijdragen over woordverklaringen, woordafleidingen en woordvormingen, over taalzuivering en over de spelling van De Vries en Te Winkel. Ook schreef hij een schets van de wording en ontwikkeling van de taal, waarbij het Nederlands wordt bezien in samenhang met andere taalfamilies c.q. talen.

De wetenschap moet volgens Van Vloten niet alleen leiden tot de ontwikkeling van het verstand, zij heeft een hoger doel en wel de zedelijke vorming. De bestudering van de vaderlandse geschiedenis moet vaderlandsliefde aankweken, zonder dat ze evenwel mag leiden tot zelfingenomen afzondering. Onze geschiedenis is rijk aan gebeurtenissen en helden die ons moeten bezielen en tot navolging dringen, maar ze biedt ook lessen die ons moeten waarschuwen en afschrikken. De geschiedenis dient op een zodanig wijze aangeboden te worden dat wij ons inleven en ons betrokken voelen bij de ontwikkeling van het volk en deze wensen voort te zetten. Een volledig beeld van het volk waarvan wij deel uitmaken, kunnen wij echter slechts verkrijgen wanneer we de studie van de geschiedenis verbinden met die van taal en literatuur. Deze drie vormen een onlosmakelijk geheel. In een taal weerspiegelt zich de geest van een volk, in de letterkunde zijn karakterbeeld. Dankzij onze kennis van de taalgeschiedenis zullen wij het degelijke en krachtige van onze taal willen handhaven en alle aantasting van haar zuiverheid willen bestrijden; ons besef van ons zelfstandig volksbestaan zal erdoor versterkt worden. De taal is de ultieme waarborg voor de verstandelijke onafhankelijkheid van een volk. Wanneer dat zijn taal laat ontaarden en ten prooi laat vallen aan bederf, dan geeft het ‘openlijk blijk van zijn onverschilligheid en onwil zelfstandig te blijven voortbestaan’. Daarnaast resulteert goede beheersing van de taal in helderheid van gedachte. De studie van onze letteren tenslotte, ‘van hare oudste gewrochten af tot op die van het heden toe’, zal ‘reinen kunstzin in ons opkweeken en bevorderen’.

Van Vloten constateerde dat de invloed van de Kerk op de zedelijke ontwikkeling van de mens afnam en bijgevolg moest die van de kunst toenemen. Het is beslist niet zo dat de kunst ‘de min of meer bittere pillen van wijsbegeerte en zedeleer’ moet vergulden; de kunst ‘behoeft naar geen andere wetten dan die van 't schoon te luisteren’. Maar al mag de kunstenaar geen ander doel dan dat van de schoonheid nastreven, dit neemt niet weg dat het kunstwerk, onbedoeld, een veredelende uitwerking heeft bij de kunstminnaar op zedelijk gebied. Ter ontwikkeling van de kunstsmaak verzorgde Van Vloten een Aesthetika (1863-1865). In het hoofdstuk over de dichtkunst bespreekt hij onder meer de stijlfiguren, de metra en ‘de drie hoofdtakken der Dichtkunst’: het ‘Verhaal-, Lier- en Tooneeldicht’. Hij formuleert kwaliteitseisen, geeft aan wat wel en niet wenselijk of toelaatbaar is en hij geeft voorbeelden van goede toepassingen en van tekortschieten. Hij acht het evenwel onmogelijk esthetische normen op te stellen die van alle tijden zijn. Mede om die reden keerde hij zich tegen Jonckbloet en verweet hem onder meer dat hij in zijn Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde de esthetica normatief en absoluut toepaste. Van Vloten wil het literaire werk begrijpen door het te plaatsen in de eigen tijd en het waarderen op grond van de normen van die tijd.

Invloed

De invloed van Van Vloten is in academische kringen klein geweest. Zijn tekstuitgaven bevatten niet alleen vele fouten, maar voldeden ook niet aan de eisen die de filologie stelde. Zijn onafhankelijk oordeel - in het bijzonder zijn pleidooi voor een tijdgebonden benadering van literatuur, tegen de stroom van Jonckbloet en diens adepten in, evenals zijn afwijkende opvatting over Maerlants kosterambt op Voorne - vond weinig weerklank. Van vruchtbare discussies kon nauwelijks sprake zijn, met name omdat betrokkenen hun botsende visies doorgaans niet los konden maken van persoonlijke grieven. Moeilijk te bepalen is de invloed van zijn tekstuitgaven, bloemlezingen en zijn literatuurgeschiedenis op het lezende publiek in het algemeen en hbs-leerlingen in het bijzonder. Als enige letterkundige van zijn tijd zag Van Vloten de intrinsieke waarde in van het Middelnederlandse (religieuze) proza, dat ernstig veronachtzaamd werd. Met een bloemlezing trachtte hij dit proza als een volwaardig onderdeel van de Nederlandse literatuur onder de aandacht te krijgen, maar hij trok slechts de belangstelling van de kerkhistorici. Verschillende pogingen om volledige prozateksten uit de Middeleeuwen uit te geven mislukten, voornamelijk vanwege gebrek aan voldoende intekenaren. Hij hekelde herhaaldelijk de trage voortgang van het Woordenboek der Nederlandsche Taal, maar ving bot met zijn voorstellen voor een versnelde procedure.

In Spinoza's werk vond Van Vloten de levensleer die zijn behoeften bevredigde. Hij gaf de stoot tot hernieuwd Spinoza-onderzoek, met name in Frankrijk, Duitsland en Nederland. Zijn interpretatie van Spinoza's leer werd overgenomen door de meeste modernisten, onder wie Multatuli. Van Vloten gaf direct en indirect de impuls voor het spinozistische element in het werk van onder meer de Tachtigers. In kringen van vrijdenkers wordt Van Vloten nog steeds geëerd.

 

Fred Lodder
[6 augustus 2003]

Voornaamste geschriften

Nederlandsch proza van de dertiende tot de achttiende eeuw, naar tijdsorde gerangschikt. Deel 1, Verzameling van Nederlandsche Prozastukken, van 1229-1476, naar tijdsorde gerangschikt. Leiden [enz.], 1851.
Beknopte geschiedenis der Nederlandsche letteren. Tiel, 1865.
Zielkundig-historische inleiding ter algemeene en Nederlandsche taalkennis. Haarlem, 1871.
Jonckbloet's zoogenoemde Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde, ten dienste van haar lezers getoetst en toegelicht. Arnhem, 1876.
Nederlandsche Aesthetika of leer van 't Schoon en den Kunstsmaak, naar uit- en inheemsche bronnen. Twee delen. Derde, herziene en vermeerderde uitgave. Schoonhoven, 1881-1882.

Belangrijkste secundaire literatuur

Een bibliografie van Van Vlotens werk is opgenomen in: M. Mees-Verwey: De betekenis van Johannes van Vloten. Een bibliografie met inleiding. Santpoort, 1928, p. 225-354. Een aanvulling daarop bevat F. van Vloten 1993, p. 115-117.
W. van Dooren: ‘Van Vloten: “Nederlandsche Aesthetika”’. In: H. Krop en P. Sonderen (red.): Tussen classicisme en romantiek. Esthetica in Nederland van 1770 tot 1870. Rotterdam, 1993, p. 141-150.
Francisca van Vloten: Een hartstochtelijk hemelbestormer. Johannes van Vloten in beeld. Deventer, 1993.
Albert van Dort: ‘Van Vloten en Jonckbloet. Over de tekortkomingen van een mijlpaal’. In: Literatuur 18 (2001), p. 342-346.
Fred Lodder: ‘Strijd tegen de bent van letterknechtjes. Johannes van Vloten 1818-1883’. In: Wim van Anrooij, Dini Hogenelst en Geert Warnar (red.): Der vaderen boek. Beoefenaren van de Middelnederlandse letterkunde. Amsterdam, 2003, p. 77-90.

Locaties archieven en briefcollecties

Stadsarchief en Athaeneumbibliotheek, Deventer

UB Amsterdam (collectie Albert Verwey)

Letterkundig familiearchief Van Vloten, Deventer

Collectie Francisca van Vloten, Deventer

prepostterug  begin  verder