Winkel, Lam(m)ert Allard te * 13 september 1809 Arnhem; † 24 april 1868 Leiden, taalgeleerde die in samenwerking met M. de Vries de eerste wetenschappelijke spelling van het Nederlands ontwikkelde. Daarnaast publiceerde hij belangrijke artikelen op alle gebieden van de Nederlandse taalwetenschap.

Te Winkel, afkomstig uit een gezin van kleine middenstanders, werd opgeleid tot onderwijzer. Van 1827 tot 1837 was hij hulponderwijzer aan een kostschool te Geertruidenberg. Na een mislukte poging hoofd van een school te worden in Zaltbommel, vertrok hij naar Friesland om als huisonderwijzer bij de familie Sixma van Heemstra in dienst te treden. Hier studeerde hij met hulp van de rector van het gymnasium van Franeker klassieke talen. Tevens verdiepte hij zich intensief in de historische taalwetenschap. In 1851 werd hij benoemd tot leraar Nederlands aan het Stedelijk Gymnasium te Leiden. In dat jaar werd hij door M. de Vries gevraagd hem als redacteur ter zijde te staan bij de voorbereiding van het Woordenboek der Nederlandsche Taal. Met De Vries als promotor ontving Te Winkel in 1855 aan de Leidse universiteit het eredoctoraat in de Letteren. De subsidieregeling voor het WNT maakte het mogelijk dat hij in 1861 ontslag nam als leraar en zich volledig kon wijden aan het werk voor het Woordenboek en het ontwerp van de nieuwe spelling.
De ongetrouwde Te Winkel heeft met grote inzet zichzelf ontwikkeld. Als taalkundige is hij ook naast zijn werk voor het WNT buitengewoon actief geweest en wel in die mate dat een zekere eenzelvigheid of isolement volgens enige tijdgenoten het gevolg was.
Te Winkel is in de neerlandistiek vooral bekend door zijn spellingsysteem. Reeds voordat hij in samenwerking met De Vries de spellingsprincipes voor het WNT vaststelde, was hij op dat terrein actief. Aanvankelijk nam hij veel over van wat door Siegenbeek op basis van de traditie was geregeld aan het begin van de eeuw. In de jaren 1860-1862 ontwikkelt Te Winkel volgens de inzichten van de historische taalwetenschap een consistent systeem op basis van het principe van de beschaafde uitspraak. Vervolgens past hij drie uitgangspunten toe: het principe van de gelijkvormigheid, van de analogie en van de etymologie. In een uitgebreide publicatie zette hij de spelling uiteen, formuleerde hij de regels en voor uitzonderingen en moeilijke gevallen stelde hij een woordenlijst samen. In België werd de spelling van De Vries en Te Winkel ingevoerd in 1864. In Nederland is de spelling door het onderwijs aanvaard in 1870. De ambtelijke wereld en de rechterlijke macht volgden later.
De taalkundige activiteit van Te Winkel beperkt zich echter niet tot de spelling van het Nederlands maar omvat een breed scala van onderwerpen, met name betreft zij de grammaticale descriptie. Hij begint reeds in 1837 met een concies geschreven publicatie ‘over het gebruik van de hulpwoorden hebben en zijn’. Nadat hij aan verschillende andere tijdschriften had meegewerkt (onder meer het Nieuw Nederlandsch Taalmagazijn) domineerde hij als redacteur het veel modernere, taalkundige tijdschrift De Taalgids.
Typerend voor Te Winkel is zijn opvatting over het verband tussen taal en werkelijkheid. Door middel van de taal schept de mens zich een innerlijke wereld, die de realiteit weerspiegelt. Alleen door de taal brengt hij zijn ‘kennis van de wereld’ tot bewustzijn. De taal heeft geen directe band met de werkelijkheid. Zij verwijst naar de voorstelling die de mens ervan heeft. De taal drukt uit hoe men denkt, niet hoe de werkelijkheid is. Het werk van H. Steinthal (1823-1899) moet voor Te Winkel van grote betekenis zijn geweest. Veel heeft hij direct van hem overgenomen en via Steinthal heeft hij opvattingen van anderen (bijvoorbeeld van Wilhelm von Humboldt 1767-1835) bestudeerd. Zo heeft Te Winkel zijn psychologische voorstellingstheorie overgenomen uit Steinthals Grammatik, Logik und Psychologie (1855).
Een gedachte is het resultaat van drie psychologische handelingen. De geest heeft een aanschouwing of voorstelling, die noemt men het onderwerp. De geest heeft een ander begrip en verbindt deze voorstellingen, of ontkent juist deze relatie. Deze verbinding van twee voorstellingen drukt de mens uit in de zin.
Aan een woord is een bepaald begrip verbonden dat in alle omstandigheden waarin het woord gebruikt wordt hetzelfde blijft. Daarom verandert het woord ook niet wezenlijk, hoe de buiging ook is. Bij het vormen van nieuwe woorden volgens bepaalde morfologische procédés (afleiding en samenstelling) is dat wel het geval. Daar is de ‘voorstelling’ zelf veranderd.
De taalkundige krijgt inzicht in de taal door vergelijking van woorden en uitdrukkingen. Daarbij stelt Te Winkel nadrukkelijk dat de grammaticus de tegenwoordige toestand van een taal onderzoekt. De resultaten van de historisch-vergelijkende taalwetenschap zijn bij dat onderzoek een middel. De historische taalbenadering en de filosofische taalbeschouwing ziet hij niet als een tegenstelling, maar zij behoren elkaar aan te vullen. De resultaten van de historische grammatica zijn bij de evolutie van de eigenlijke grammatica (de filosofische of algemene grammatica) achtergebleven.
Te Winkels belangstelling voor kwesties betreffende algemene taalwetenschap en zinsontleding is geactiveerd door lezing van Roorda's Over de deelen der rede (1852, 1855). In 1858 en 1859 wijdt hij twee publicaties aan dit werk, die neerkomen op een kritisch-theoretische en polemische uiteenzetting van zijn opvattingen aan de hand van Roorda's boek. In De Taalgids zet hij zijn onderzoek met belangrijke artikelen voort.
In zijn publicaties in het Nieuw Nederlandsch Taalmagazijn, in de brochures tegen Roorda en de artikelen in De Taalgids heeft Te Winkel zich diepgaand met vragen betreffende de grondslagen van de taalwetenschap beziggehouden. Als grondbegrippen van de grammatica ziet hij: woord, zin, soorten der woorden, geslacht, getal, naamval, wijze, tijd, persoon, onderwerp, gezegde, koppeling, bepaling, beheersing en het begrip van de grammatica zelf. Met betrekking tot vrijwel al deze begrippen heeft hij gepubliceerd. In andere publicaties houdt hij zich vernieuwend bezig met fonetiek.
De invloed van Te Winkel is waarschijnlijk groot geweest. Via Brill en rechtstreeks via De Taalgids moeten vele onderwijzers en leraren op de hoogte zijn geraakt van Te Winkels opvattingen. Hierbij komt nog dat Te Winkels taalkundige activiteit een breed spectrum besloeg: hij was uitstekend op de hoogte van de historisch-vergelijkende taalkunde, schreef vele etymologische studies en was een autoriteit op het gebied van de spelling. Het systeem dat bekend staat onder de naam ‘spelling De Vries & Te Winkel’ is in hoofdzaak het werk van Te Winkel. De taalkundige opvattingen van Te Winkel zijn genuanceerd en zijn opstellen zijn buitengewoon helder.
De heldere formulering, de descriptieve scherpte en zijn opvattingen over taalkundig onderzoek wijzen vooruit op de koerswijziging in de internationale linguïstiek omstreeks 1870. De diversiteit van zijn publicaties (lexiografie, spelling, fonetiek, filosofische taalbeschouwing, historisch taalonderzoek en grammaticale analyse) maakt hem tot een van de belangrijkste Nederlandse taalkundigen in de negentiende eeuw.
L. van Driel
[juli 2002]
| ‘Over het gebruik van de hulpwoorden hebben en zijn’. In: Taalkundig Magazijn of gemengde bijdragen tot de kennis der Nederduitsche Taal 2 (1837) 3, p. 313-328. |
| ‘Over de beteekenis van het woord naamval’. In: Nieuw Nederlandsch Taalmagazijn 2 (1855), p. 257-262. |
| ‘Over de tijden der werkwoorden’. In: Nieuw Nederlandsch Taalmagazijn 4 (1857), p. 111-135. |
| De Logische Analyse. Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's Rede-ontleding of logische analyse der taal. I. Zutphen, 1858. |
| De Logische Analyse. II. Antwoord op de bedenkingen van Prof. T. Roorda en Dr. Q. N. tegen het werkje, getiteld: Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's Rede-ontleding of logische analyse der taal. Zutphen, 1859. |
| ‘Onderwerpen uit de theorie der logische analyse. I. Prof. T. Roorda verdedigd tegen Dr. G.van Wieringhen Borski. Of onderzoek betreffende de vraag: bestaan er gezegden, bij welke geen onderworp denkbaar is?’. In: De Taalgids 2 (1860), p. 141-167. |
| ‘Over de noodzakelijkheid der toepassing van de stelling: een woord staat onmiddellijk alleen in betrekking tot eene voorstelling’. In: De Taalgids 2 (1860), p. 169-187. |
| ‘Onderwerpen uit de theorie der logische analyse. II. Kan het woordje er tot onderwerp van eenen zin uitmaken?’. In: De Taalgids 2 (1860), p. 217-238. |
| ‘Antwoord aan Prof. Dr. W.G. Brill op zijnen brief over de definitie van het werkwoord’. In: De Taalgids 3 (1861), p. 1-26. |
| ‘Nog iets over het begrip van het werkwoord’. In: De Taalgids 3 (1861), p. 26-39. |
| ‘Onderwerpen uit de theorie der logische analyse. III. Over de onbruikbaarheid van het woord hoofdwoord als kunstterm in de logische analyse’. In: De Taalgids 3 (1861), p. 119-134. |
| De grondbeginselen der Nederlandsche spelling. Leiden, 1863. |
| ‘Wat zoekt de etymologie? Wat heeft men te verstaan door den innerlijken vorm der woorden?’. In: De Taalgids 6 (1864), p. 210-217. |
| ‘Over de wijzen en tijden der werkwoorden’. In: De Taalgids 8 (1866), p. 66-75. |
| Te Winkels artikelen in De Taalgids (1859-1867) zijn electronisch te raadplegen via de DBNL. |
| Beknopte bibliografie in Van Helvoort 1982 en Van Driel & Noordegraaf 1998. |
| J. van Helvoort: ‘Over L.A. te Winkel’. In: L. van Driel & J. Noordegraaf: Studies op het gebied van de geschiedenis van de taalkunde. Kloosterzande, 1982, p. 174-193. |
| L. van Driel: ‘De taal drukt uit, hoe men denkt, niet hoe de werkelijkheid is. Een gesprek met de taalkundige en samensteller van het Woordenboek der Nederlandsche Taal, Dr. L.A. te Winkel (1807-1868)’. In: De nieuwe taalgids 84 (1991), p. 137-149. |
| L. van Driel & J. Noordegraaf: De Vries en Te Winkel. Een duografie. Den Haag, 1998. |
Geen Te Winkel-archief bekend
Van Te Winkel bestaat een kleine collectie brieven in de Universiteitsbibliotheek Leiden en in het archief van het Instituut voor Nederlandse Lexicologie te Leiden (zie CEN).